Gezellig groen

Leeft het Groene Hart nog? Minister De Boer weet het niet en nodigt daarom iedereen die het wel weet uit om met haar mee te denken. Mag het verstedelijken? Mogen de boeren blijven? Wordt het weer veenmoeras? De recreanten zal het een zorg zijn. Die willen groen met koffie toe.
WAT IS HET TOPPUNT van groen? Een aangelegd bos, waarin je lekker kunt wandelen met de hond? Een oermoeras, waar de aanwezigheid van de mens niet op prijs wordt gesteld? Een oud boerderijtje aan een dijk vol knotwilgen? Of een weide zonder bestrijdingsmiddelen, waarin kievieten en grutto’s hun nesten kunnen bouwen?

Vanaf 9 oktober kunnen deskundigen, betrokken gemeenten en belangstellenden meepraten over de toekomst van het Groene Hart. Zes weken lang worden er in het Groene Hart workshops georganiseerd. Minister Margreet de Boer van Vrom presenteert voorafgaand aan deze openbare discussie drie ‘ontwikkelingsimpulsen’: ambtelijk jargon voor drie plannen om het landelijke gebied tussen de vier grote steden in te richten. De keuze gaat tussen natuur en recreatie, natuur en landbouw, of recreatie en landbouw.
Dat de weilanden in het Groene Hart groen moeten blijven, was decennia lang de hoeksteen van de Nederlandse Ruimtelijke Ordening. De onschendbaarheid van het Groene Hart was een uitgangspunt van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (Vinex) , die drie jaar geleden door Hans Alders - de toenmalige minister van Vrom - en de Tweede Kamer als richtlijn voor de inrichting van Nederland tot 2005 werd benoemd. Tot in details werden afspraken over contingenten woningen en industrielocaties vastgelegd. Uitgangspunt van de Vinex was dat de industriele ontwikkeling van Nederland en de bevolkingsaanwas moesten worden geconcentreerd in de Randstad. Echter niet zomaar overal in de Randstad en zeker niet in het Groene Hart, maar op de ring die loopt van Dordrecht naar Rotterdam en Den Haag in het zuiden, en de ring Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp in het noorden.
In de Vinex stond expliciet aangegeven wat het belang van het Groene Hart is: 'De waarde van het Groene Hart ligt in het contrast tussen het natuurlijk-agrarisch landschap en het hoogstedelijk milieu van de steden op de ring van de Randstad. De landbouwfunctie is een belangrijke drager van het Groene Hart. De natuurfunctie en de recreatieve gebruiksmogelijkheden van het Groene Hart maken het tot een onafscheidelijk onderdeel van het stedelijk leefmilieu in de Randstad. Deze functies zullen in de toekomst moeten worden versterkt, opdat de gebruikswaarde voor het Groene Hart voor bewoners van de Randstad wordt verbeterd. Om deze betekenis te behouden is een stringent beleid gericht op het tegengaan van bebouwing noodzakelijk.’
INMIDDELS LIJKEN de cijfers die in de Vinex werden genoemd alweer aan vervanging toe. In de toekomst zullen er in de Randstad meer huizen moeten komen dan het afgesproken aantal van ruim driehonderdduizend. De plekken die daarvoor in de Vinex werden aangewezen, zijn daar niet groot genoeg voor. Amsterdam lost het ruimtegebrek op door een andere richting in te slaan en de nieuwe wijk IJburg in het IJmeer te bouwen. Voor de oplossing van het fileprobleem en van de problemen die de bevolkingsgroei veroorzaakt, en voor de ontwikkeling van Schiphol en de Rotterdamse haven wijzen alle vingers echter naar het tot voor kort onaantastbare Groene Hart.
Het is jaren geleden dat ruimtelijke ordening voor het laatst zo in de publieke belangstelling stond. De ANWB en het Wereldnatuurfonds kwamen in juli op de proppen met een plan om de boerenbedrijven in het Groene Hart te verplaatsen en het vrijgekomen landbouwgebied te bestemmen voor recreatie. In Groen Hart? Groene Metropool! pleiten ANWB en WNF voor de totstandkoming van zeven natuurgebieden a la de Biesbosch, waar de natuur met rust wordt gelaten maar waar de mensen wel toegang krijgen. Het gaat om bossen en veenmoerassen, landschapsvormen die in Nederland te vinden waren voor de mens de eerste cultuurlandschappen begon in te richten. 'Wat recreatie betreft, beantwoordt dit aan het sterk toenemende verlangen dicht bij huis in vrijheid te kunnen dwalen en verrassende natuurervaringen op te doen.’ Plekken die daarvoor in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld de Vechtplassen, het Middenhollandse laagveen ten noorden van de Leidsche Rijn en de Krimpenerwaard.
Andere gebieden moeten blijven zoals ze nu zijn: De Ronde Hoep bij Amsterdam en de Zoetermeersche Meerpolder bijvoorbeeld, omdat zij zo'n mooi voorbeeld zijn van een agrarisch landschap. In de woorden van ANWB en WNF: 'Ook de behoefte aan historisch-geografische continuiteit in die typisch Hollandse, agrarisch ingerichte cultuurlandschappen zal toenemen.’
Een deel van het Groene Hart zal echter niet aan verstedelijking kunnen ontsnappen. 'Specifieke delen van het Westnederlandse landschap zullen onder verstedelijkingsdruk blijven staan of komen te staan omdat ze daar “aanleg” voor hebben. Als het de samenleving niet lukt om duidelijke argumenten tegen stedelijke functies in dergelijke gebieden te formuleren zal er vroeger of later een vorm van stedelijk grondgebruik op geprojecteerd worden.’
Minister Jorritsma van Verkeer en Waterstaat volgde in augustus met een nota over de verstedelijking van het Groene Hart. In de nota werd voorgesteld de stedelijke ontwikkeling van de Randstad te concentreren rond de al bestaande spoorlijnen. Dat zou een goede remedie zijn tegen het filevraagstuk. Bovendien zou het groene landschap niet worden aangetast.
De recente plannen van het ministerie van Vrom - de 'ontwikkelingsimpulsen’ - concentreren zich op de vraag wat er moet gebeuren met de gebieden die niet worden bebouwd. Moet er landbouw blijven die leuk is om naar te kijken? Of moet de landbouw verdwijnen ten gunste van natuurgebied? En wordt het ruige natuur of recreatie-natuur? Wat de gespreksronden aan ideeen opleveren, zal minister De Boer in januari 1996 bekendmaken in een brief aan de Kamer.
WAT ALLE PLANNEN van deze zomer tot dusver gemeen lijken te hebben, is het uitgangspunt dat verstedelijking een kwaad is dat zo veel mogelijk moet worden gereguleerd. Alle voorstellen spreken met hartstocht over het belang van de wisselwerking tussen stad en natuur, met de verzuchting dat er zo veel mogelijk groen moet worden gespaard.
Cultuurfilosoof Rene Boomkens is een stadsmens. Begrijpt hij waarom aan het begrip natuur zo'n grote waarde wordt toegekend? Boomkens: 'Mensen die in de natuur gaan wandelen, zoeken compensatie voor hun stadse bestaan. Zij ontlenen er bepaalde beelden aan over de schoonheid van het leven dat zij in de stad kennelijk niet kunnen vinden. En het levert de sensatie van avontuurlijkheid op. Hoewel echte natuur in de Randstad niet langer te vinden is.’
Wat de planners exact met natuur bedoelen, is henzelf ook niet duidelijk. Nol van Dooren van H+N+S, Adviesbureau voor Ruimtelijke Planning en Ontwerp, is een van de auteurs van Groen Hart? Groene Metropool! Hij onderscheidt drie opvattingen van natuur, die in het rapport ook terug te vinden zijn. 'Je hebt landschapsarchitecten en planologen die een natuurlijke omgeving definieren als landbouwgebied waarin de klok honderd jaar is teruggezet. Anderen willen de mens terugdringen en willen een onbeheerd gebied maken, waarin een natuurlandschap terugkeert waar mensen niet langer welkom zijn. Dan is er nog een derde stroming. Die staat natuur voor die wel toegankelijk is voor mensen. Dus watertjes waar mensen met een roeibootje nog wel mogen komen.’
WAT ANDERE PLANNERS betreft mag het Groene Hart zonder meer op de helling. 'Voor mij hoeft het helemaal niet gespaard te worden’, zegt ir. Han Lorzing: 'Het bestaat ook niet.’ Lorzing leidt het adviesburo Lorzing en Keijsers in Utrecht, gespecialiseerd in adviezen over ruimtelijke-ordeningsvraagstukken aan gemeenten en gewesten. Daarnaast publiceert hij veel. Dat er een open groene plek ligt tussen de vier grote steden, is een misverstand dat Lorzing graag uit de wereld wil helpen. 'De gemiddelde bevolkingsdichtheid in het Groene Hart is 450 per vierkante kilometer, het Nederlandse gemiddelde. Het is een wonderlijk, al half verstedelijkt gebied zonder samenhang, waar grote snelwegen doorheen lopen die, net als de steden, op de kaartjes altijd weggemoffeld worden.’
Dat veel bewoners van de Randstad het Groene Hart gebruiken om te wandelen, fietsen, zwemmen of schaatsen is volgens Lorzing ook al niet waar. 'Er is wel eens onderzoek gedaan naar het aantal mensen dat in het Groene Hart kwam recreeren. Die aantallen bleken enorm tegen te vallen. De meeste mensen gaan nu juist overal naar toe behalve naar het Groene Hart, omdat ze het een te groot en te onoverzichtelijk gebied vinden. Ze gaan naar het strand of naar de Veluwe. Het Groene-Hartdenken is een ideologische constructie, in stand gehouden door mensen die bang zijn voor de stad.’
Wat is natuur? vraagt Lorzing. En waarom zouden mensen zich voor de natuur interesseren? 'Het is de romantiek van de negentiende eeuw, van de edele natuur versus de verdorven stad. Gecombineerd met een flinke dosis cultuurpessimisme over de toekomst van de stedelijke omgeving levert dat een enorme hang naar natuur op, zonder dat het begrip wordt verduidelijkt.’
Er is sprake van een misverstand. Bezoekers van het Groene Hart komen volgens Lorzing niet voor de natuur, maar voor iets anders, iets wat zij wel als natuur benoemen maar wat in werkelijkheid niets met de natuur te maken heeft: het mooie landschap. 'De fietsers en wandelaars komen voor het aangelegde cultuurlandschap. Voor de oude huisjes en de boerenweggetjes, waarbij zij een hooiberg naast een boerderij hoger waarderen dan een silo. Ik meen dat het enige aantrekkelijke in het Groene Hart het cultuurlandschap is. Dat moet je niet in een wildernis willen veranderen. Ik vind de voorstellen in het rapport van de ANWB en het WNF dan ook bezopen.
Echte natuur is dood- en doodsaai. Natuur is eng. Behalve als je er een kermis van maakt, met uitkijktorentjes en wandelpaden. Mensen willen natuur, maar zij moeten er wel kunnen koffiedrinken en er moeten wegwijzers staan naar de uitgang. Uit de oernatuur loopt men gillend weg. Het is irreeel terug te willen naar de tijd van de Batavieren. Die liepen ook al gillend het oermoeras uit.’
Maar wat dan wel? Lorzing: 'Verkavel het land van de boeren die vertrekken onder de boeren die blijven en geef hun de gelegenheid traditioneel te blijven werken, zodat ze niet de race in hoeven van het telkens meer produceren per hectare. Dat schept ruimte. Iedereen zal daarvan profiteren, ook de weidevogel.’