Gezellig ‘mensen, ik kan er steeds minder tegen’

C. Buddingh’, Dagboeknotities 1977-1985. Bezorgd en ingeleid door Ares Koopman, uitgeverij De Bezige Bij, 550 blz., f65,-
Hij was een blijmoedige whiskydrinker en sigarenroker die nochtans weinig verstand van whisky en sigaren had. In deel vijf van zijn dagboeken staan de favoriete merken gecatalogiseerd: Teacher’s, Bell’s Old Scotch Whiskey respectievelijk Dannemann Pierroeta, Dannemann Pierrot, Matanzas, La Paz Cherie.

Allemaal rotzooi.
Maar hij was een goede dichter - zijn ‘De zon gaat op, de zon gaat onder./ Langzaam telt de oude boer zijn kloten’ behoort reeds tot de moderne klassieken. Ook in organisatorisch opzicht heeft de poezie veel aan hem te danken, als ziel van menige Poetry International en als samensteller van menige voortreffelijke bloemlezing. Daarnaast was hij de huiselijkste huisvader ter wereld, hij ging met zijn zonen naar FC Dordrecht en hij was aardig voor zijn vrouw. 'Stientje is een dagje naar Den Haag, zeer, zeer eenzaam. Maar over een paar uur is ze er gelukkig weer.’
Bovenal, zo blijkt ook uit dit deel dagboeken, beschouwde C. Buddingh’ (1918-1985) zich als een gewone man, met weinig pretenties. Ik vraag mij eigenlijk af hoe de pretentieloosheid van werk en leven te rijmen valt met de onmiskenbare pretentie van vijf delen dagboekdundruk - dagboeknotities, die wel meer van dergelijke tegenstrijdigheden bevatten. De brieven van Ter Braak en Du Perron gaan 'allemaal wel heel, heel erg over literatuur’, verzucht Buddingh’ ergens. Maar de dagboeken van Buddingh’ gaan, behalve als hij het over voetbal of cricket heeft, uitsluitend over literatuur, niet in analyserende maar in catalogiserende zin - als Buddingh’ 103 boeken uit Engelse antiquariaten heeft meegesleept, heeft hij ze vrijwel allemaal genoemd, compleet met vindplaats.
Zelden heb ik een dagboekschrijver onder ogen gehad die er zo systematisch in slaagt het geschrevene oninteressant te houden. Eens had hij een etentje met letterkundige kanonnen als Patricia Highsmith, Roald Dahl en Edna O'Brien. Wat is er, al tafelende, door de dames en heren besproken? Het wordt zorgvuldig verzwegen. Het enige wat ons via Buddingh’ wordt overgeleverd, is het feit dat hij bij die gelegenheid om gezondheidsredenen een glas Spa heeft gedronken.
Dit deel vijf, negen jaar na Buddingh’s overlijden verschenen, is bezorgd door Ares Koopman. Goede inleiding, nauwkeurige verantwoording. Alles prima, prima, zou Buddingh’ zeggen. Helaas ontbreekt een notenapparaat, hetgeen het geschrevene bladzijdenlang onbegrijpelijk maakt. Frans Oltheten en zijn zuster Tiki kwamen op bezoek. 'Erg gezellig.’ Een paar dagen later loopt hij Frans Oltheten andermaal tegen het lijf, dit keer in het gezelschap van Tiki en zijn Yolanda. 'Heel gezellig.’ De familie Oltheten blijkt verder uit Fons en Harry te bestaan. Zij komen eten. 'Dat is nog eens gezellig.’ Ik geloof het graag, maar ondertussen weet ik nog steeds niet wie Frans, Tiki, Yolanda, Fons en Harry Oltheten zijn en welke rol zij in het leven van de dichter-dagboekanier hebben gespeeld.
Buddingh’ is bij het verschijnen van zijn vierde dagboekdeel onder de kop 'Bijzonder aardig, prima, prima’ genadeloos door W.F. Hermans in de tang genomen. Hij vond, kort samengevat, dat Buddingh’ zijn tijd vermorste met geleuter in culturele raden, met boekenweekquizzen, stomme voetbalwedstrijden en imbeciele cricketmatches. Ook in Buddingh’s 'slappe dagboekschrijverij’ zag hij niets. Nee, Buddingh’ was, anders dan Hermans beweerde, meer dan een 'loze praatjesmaker’. Voor de rest had Hermans volkomen gelijk, hoezeer Buddingh’s vrienden en bekenden zich ook hebben beklaagd over de 'karaktermoord’ die Hermans op de arme man had gepleegd.
Hermans’ artikel, een van de grote polemieken in de beste Mandarijnen-traditie, speelt een haast mythische rol in de Nederlandse literatuur. Het slachtoffer, zegt Martin Ros, heeft dagenlang aan de telefoon zitten jammeren. Hij 'was er kapot van’, schrijft Jeroen Brouwers, 'heeft lopen huilen en zo, naar men zegt’. Buddingh’s bezorger Ares Koopman spreekt over 'gossipachtige uitspraken’ die dwars staan op de 'uiterst relativerende houding’ van de dichter. Buddingh’s dagboek lijkt in deze richting te wijzen. Hij spreekt over een 'totaal onverwachte en zeer felle aanval’, zonder daar verder al te bezeerd over te doen. Het is echter schijn. Hij heeft, zo blijkt, zijn dagboek direct na de afstraffing gestaakt om pas anderhalf jaar later de draad weer op te nemen. Natuurlijk heeft hij zich het een en ander ernstig aangetrokken. Hij had een heilige moeten zijn om anders te reageren. Bovendien was hij een ouder wordende man die besefte op geleende tijd te leven, met zijn darmstoornissen, zijn suikerziekte, zijn eeneneenkwart long en zijn sanatoriumsyndroom. Nee, een antwoord op Hermans’ aanval heeft hij nooit gegeven. 'Ik vind het nog steeds zo moeilijk om mensen aan te vallen. Het zijn toch mensen?’ Maar in de beslotenheid van zijn studeerkamer ging hij wel degelijk te keer tegen de 'jakhalzen’ in de dag- en weekbladpers, en de notitie die hij een paar bladzijden verder maakte over de mensheid-in-het-algemeen was van een onbuddinghiaanse bitterheid: 'Mensen, ik kan er steeds minder tegen. Er zijn gelukkig nog uitzonderingen, maar over het algemeen is het een stelletje geteisem dat onze aardbodem bevolkt. Dom. IJdel. Karakterloos. Rancuneus. Alleen op eigen voordeel bedacht. Met elke wreedheid behept en van vrijwel alle mededogen gespeend. Je zou haast christen worden in de hoop dat tuig later in de hel te zien branden.’
Het is een van de weinige momenten dat het proza enigszins knettert, wat weer eens bewijst dat woede en verdriet creatievere factoren zijn dan de harmonie van de huiselijke haard en de voetbalwedstrijden van FC Dordrecht.
Heeft Buddingh’ zich ook inhoudelijk iets van Hermans’ kritiek aangetrokken?
Deel vier der dagboeken was nog ontsierd door overmatig gebruik van het stopwoord 'prima’. Dat geldt ook voor het begin van deel vijf, op het moment dat Buddingh’ er nog geen idee van had dat iemand in Parijs bezig was de messen te slijpen. Dus is er in september 1977 sprake van een 'prima geschreven’ biografie van de een of andere cricketcoach, gevolgd door de aankoop van 'twee prima cricketboeken’. De dagboekschrijver reist vervolgens door naar het 'prima plaatsje’ Dartmouth waar hij 'een aantal prima detectives’ op de kop tikt. Enzovoort.
Dan betreedt Hermans het podium. En dan is het uit, het woord 'prima’ lijkt definitief uit Buddingh’s vocabulaire te zijn verdwenen, op die ene keer na dat hij ons mededeelt 'een prima aflevering van Der Alte’ te hebben bekeken.
Gebleven is die vermaledijde en verkneuterende gezelligheid. Omdat Buddingh’ behalve aan whisky en sigaren bovenal aan spelletjes verslaafd was, deed hij mee aan het NCRV-Stedenspel, aangevoerd door types als Dick Passchier en Barend Barendse. Is dit een milieu voor een dichter? Ja hoor, Buddingh’ vindt het 'enorm gezellig’. Na afloop gaat hij naar Ares Koopman en zijn vrouw. En ziet: 'Het is heel gezellig.’ Op de eerste bladzijde van het laatste dagboekjaar, 1985, maakt hij een opmerking over zijn 'ijzersterk gestel’, zij het een gestel met 'een paar flinke roestplekken’. Tijdens de Nacht van de Poezie houdt hij zich staande met dichloride, aldonet, rastinon en tenormin. 'Haast een klein flesje vol dus.’ Hij viert 'in opperste gezelligheid’ zijn verjaardag en heeft een 'heel gezellige avond’ bij de opening van het Interpolis-schaaktoernooi. De laatste notitie betreft Parool-redacteur Matthijs ('een bijzonder aardige jongen’) van Nieuwkerk, die na een vraaggesprek zijn sleutels op de bank had laten liggen. 'Ik hoop dat hij nog eens vaker langskomt.’ Het heeft zo niet mogen zijn - een maand later is Buddingh’ dood.
En negen jaar later blijkt er waarachtig nog een vijfde deel dagboeken in de nalatenschap te zijn gevonden. Met lelijke stukjes, hier en elders, als onvermijdelijk gevolg. Jammer voor Buddingh’s reputatie, die inmiddels door dat eindeloze dagboekgekeuvel wordt overschaduwd. De Bezige Bij had zijn oud-voorzitter bij leven en welzijn tegen zichzelf in bescherming moeten nemen.