Eric de Kuyper: Een vis verdrinken

Gezellig sigaretje roken

Eric de Kuyper

Een vis verdrinken

Uitg. Sun, 159 blz., ƒ34,90

De beroemde Nederlandse gezelligheid is zo typisch Nederlands door het dwangmatige karakter ervan. Gezellig betekent voornamelijk even niet-pragmatisch zijn. Even niet nuchter doen, even niet piekeren over de vraag hoe we voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten. De Nederlandse gezelligheid uit zich in het verkleinwoord. Even een sigaretje roken, een pilsje drinken, filmpje pakken — gezellig toch! Een avondje uit. En dan in de kleine uurtjes gezellig samen naar bedje toe, tandjes poetsen, pyjamaatje aan en slaapjes doen.

«Gezellig toch!» betekent zoveel als: «Durf maar eens het tegendeel te beweren!» «Ha, dat ‹toch›! daar is de dwang weer», schrijft mentaal flaneur Eric de Kuyper in zijn nieuwe bundel mijmeringen Een vis verdrinken. Als «een niet-Nederlander tussen de Nederlanders» is De Kuyper al jaren gefascineerd door wat hij dit «complexe land» noemt. In Een vis verdrinken onderzoekt hij de Nederlandse mentaliteit, de gewoonten en gedragingen van de mensen die hij van zo dichtbij kent, maar van wie hij zo eindeloos verschilt. Hij toont hun vooroordelen en stereotypen, hun charmes en domheden. Nederland, de Nederlander en het Nederlands kunnen Eric de Kuyper — 1942, geboren en getogen te Brussel, wonend en werkend in België, Nederland en Duitsland — tot in zijn tenen doen walgen, maar ook tot op zijn kruin doen rillen van genot. Om het land en zijn inwoners te kunnen doorgronden onderwerpt hij het aan een onderzoek volgens de De Kuyper-methode: hardop peinzen en piekeren en herinneren en flashbacken, achteloos associërend en combinerend. Hij laat zich inspireren door hoge en lage cultuur, door Boudin en bavarois, door kaas en koffie, bier en wijn, en tracht zich een eerlijk oordeel te vormen. Wat is de charme van Nederland? Wat is het hatenswaardige aan de Nederlanders? Wat is irritant aan de Nederlandse taal?

In het hoofdstukje De perverse charme van het verkleinwoord buigt De Kuyper zich over «de obsessie met kleinschaligheid en dat verlangen naar knusheid» en vraagt zich af waarom die zo goed past in de Nederlandse mentaliteit?De Kuyper heeft de indruk dat het veelvuldig gebruik van verkleinwoorden iets met «gezelligheid» te maken heeft. Het Vlaams springt er een stuk zuiniger mee om. Na enkele voorbeelden van het geografisch variërende Belgische taalgevoel stelt De Kuyper dat hij geneigd is te denken «dat er een vaag schuldgevoel meespeelt, wanneer in Nederland het verkleinwoord wordt gebruikt. In de zin van: eigenlijk zou je er niet van mogen genieten, maar als je toch toegeeft aan de zonde, probeer die dan te minimaliseren. Bovendien kosten ‹een avondje uit›, ‹een pilsje› en ‹een sigaretje› geld. De zuinigheidsreflex staat op gespannen voet met de dwang tot gezelligheid. Dat brengt de Nederlandse gebruiker in een gewetensconflict, dat hij dempt met -(t)je. Het verkleinwoord maakt het mogelijk beide neigingen te verenigen. Having your (nice) cake and eating it. De bescheidenheid van de gezelligheid moet de uitspatting ervan compenseren.»

Die houding is typerend voor de Nederlander. Zowel het een als het ander, twee walletjes, het geweten een beetje belasten en het dempen, toegeven aan de zonde maar niet helemaal. Was het niet met het liedje Een beetje dat Teddy Scholten het Eurovisie Song festival won? Typisch Nederlands. Die attitude vinden we overal terug. In de keuken. In de slaapkamer. In de woningbouw. En vooral in de taal. Want de taal weerspiegelt de geest, gewoonten en geheime wensen van de spreker ervan.

Het verkleinwoord, dat volgens De Kuyper wijst op het schuldgevoel van Nederlanders over «uitspattingen», heeft ook met betrekking tot seks zijn waarde: zie uitdrukkingen als «een ongelukje», «een slippertje», «een nummertje maken bij een hoertje op de Walletjes». Typisch voor het Nederlands zijn ook de eufemismen, de irritante neologismen en modieuze taalstereotypen, de afwezigheid van taalgenot en de misplaatste autoriteit van Van Dale. Aan alles is de mentaliteit van de Nederlander af te meten, die zich uit in karakteristieken als flegma, bedaardheid, eenvoud, burgerlijkheid, deftigheid, middelmatigheid en gewoonheid.

Boeken als dit, over Nederland door de ogen van niet-Nederlanders, zijn door overkill langzamerhand een goed substituut voor een stevige slaappil geworden. Maar als De Kuyper er een schrijft is het opeens anders. Dan is het wél leuk om voor de zoveelste keer te lezen over de kaasschaaf, over de «oneetbare veelkleurige snot» die bavarois heet, over koekjes bij de koffie, over fysieke botheid op straat. De Kuyper verbindt zijn observaties van de Nederlandse maatschappij met zijn eigen preoccupaties en vindt telkens illustraties bij zijn uitweidingen door te graven in zijn eigen verleden. En zo neemt hij de lezer mee naar de wereld van zijn jeugd, die hij eerder zo vertederend en mooi beschreef in Aan zee, De hoed van tante Jeannot en Grand Hotel Solitude. De Kuyper lezen is met hem mee reizen in zijn tijdmachine en teruggaan naar plekken en tijden die je eigenlijk niets zeggen maar die plotseling betekenis en een zekere schoonheid krijgen omdat je door zijn ogen mag kijken en luistert naar de woorden waarmee hij ze beschrijft.

De Kuyper verbindt door zijn gevoelige manier van schrijven het algemene, collectieve van de hedendaagse Nederlandse samenleving met het bijzondere, individuele van zijn eigen, multinationale, zwervende leven. Daarmee laat hij zien, helder en eenvoudig, dat alles betekenisvol kan zijn als je er op de goede manier naar kijkt, en dat dingen mooi zijn als je weet hoe je ze mooi kunt vinden. Dat is de charme van de verhalen van iemand die met een kaasschaaf alleen maar «wanstaltige brokstukken» weet te produceren. Dat is de charme van het leven van de eenling, de echte Europeaan.