Gezellige ouwemannenleut

H.J.A. Hofland en Tom Rooduijn, Dwars door puinstof heen: Grondleggers van de naoorlogse literatuur. Met een documentaire over de Vijftigers op cd. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 174 blz., 344,50
Daar gaan we weer, dacht ik toen ik op de eerste pagina van het door H.J.A. Hofland en Tom Rooduijn samengestelde boek Dwars door puinstof heen: Grondleggers van de naoorlogse literatuur weer eens dat gedicht van Remco Campert tegenkwam. ‘Te hard geschreeuwd?’ heet het, en het boek ontleent zijn titel aan een regel uit dat gedicht: ‘Nu Roland Holst oud geworden is/ en vierregelrijmen wisselt met Vestdijk,/ weggelopen demonen tracht terug te roepen,/ en men Voeten een belangrijk dichter vindt,/ wordt het tijd dat wij iets laten horen,/ een stem dwars door puinstof heen.’ Hoe vaker ik dit vers tegenkom - in radiodocumentaires, tv-documentaires en dus nu ook in dit boek, dat niet meer is dan een uitgeschreven radiodocumentaire met een heuse cd waarop een radiodocumentaire -, hoe meer ik de neiging moet bedwingen er een persiflage op te maken.

Het zou natuurlijk wat onheus zijn, omdat wat me er werkelijk aan irriteert niet dat gedicht is en niet de Vijftigers en de andere vertegenwoordigers van de generatie onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog. Ik vind het altijd weer aardig om de herinneringen aan die tijd uit de mond van de betrokkenen zelf te vernemen of, zoals hier, opgetekend te zien, al valt aan de inmiddels bekende verhalen natuurlijk niet veel meer toe te voegen, zoals ook nu weer blijkt.
Maar wat me wel irriteert, is de context waarbinnen een en ander wordt gepresenteerd: die zelfglorificatie van een generatie waartoe de samenstellers zelf ook behoren, dat typische ouwe-zakkentoontje van Vroeger Was Alles Beter, want Vroeger ging het in De Literatuur nog ergens om. In tegenstelling tot vandaag, want de huidige literatuur is nietszeggend. Ja inderdaad, vroeger ging het nog ergens om in de literatuur, want vroeger liepen mensen nog beledigd weg als Lucebert woordjes als ‘kut’ en 'pik’ uit de Van Dale voorlas. Toen betekende dat misschien nog wat ja, was het onderdeel van de vadermoord die iedere nieuwe generatie toen nog kon volvoeren. Maar het is mede door dit soort 'verzetsdaden’ dat de huidige generatie zich niet meer op dezelfde manier kan en eigenlijk ook niet wil manifesteren. Wat de bedoelingen van de Maximalen eind jaren tachtig ook geweest mogen zijn: terugkijkend moet je zeggen dat hun optreden aantoonde dat het in de huidige literatuur niet langer gaat om dat schema van de vadermoord. Vandaag de dag gaat het veel meer om de legitimering van de literatuur als literatuur: om de vraag of literatuur nog als literatuur kan en mag bestaan, of zelfs überhaupt nog als zodanig bestaat.
In dat perspectief bezien is het boek van Rooduijn en Hofland een merkwaardig schrijfsel: de overduidelijke nostalgie die er de drijfveer van vormt houdt ongetwijfeld verband met het gegeven dat de Vijftigers de laatste grote, echt literaire beweging in Nederland vormen. Het was ongeveer de laatste generatie schrijvers voor wie de literatuur nog een functie en een zeker effect had binnen de maatschappij. Het ging in die literatuur op een literaire wijze om ideologie, om een utopisch streven, om de uitdrukking van een werkelijkheidsopvatting die de toenmalige werkelijkheidsopvattingen bestreed. Ik bedoel daarmee niet dat de poëzie van Kouwenaar en Lucebert of het proza van Hermans en Van het Reve boodschappenbriefjes waren, avondcursussen filosofie in romanvermomming (zoals die tegenwoordig door Palmen en Möring worden geschreven) of enkel fraai gestileerde manifesten. Het is juist het feit dat deze literatuur zichzelf als literatuur manifesteert en als zodanig en volstrekt vanzelfsprekend binnen de maatschappij effect sorteert, omdat zij nog op een vanzelfsprekende manier van die maatschappij onderdeel uitmaakt, dat Rooduijn en Hofland zo nostalgisch maakt. Maar tegelijkertijd wordt die literatuur door hen helemaal niet als literatuur benaderd, maar juist als iets wat zij niet is. De inleiding van het boek begint bijvoorbeeld met het relaas over hoe mooi het geweest zou zijn als er in de tijd van de Tachtigers al bruikbare geluidsapparatuur was geweest en hoe jammer het is dat in de tweede helft van het interbellum niemand de stemmen van de literaten heeft vastgelegd. Want: 'Was ons oordeel over hun werk daardoor veranderd? Misschien waren we in onze opvattingen verrassend bevestigd; misschien was door hun stem, hun woordkeus ons beeld veranderd.’ Nou nee, zo ben ik geneigd te antwoorden, want het beeld dat ik van die interbellumschrijvers heb, heb ik op basis van de lezing van hun werk; een geluidsopname zou aan dat beeld niets toevoegen of afdoen. Maar de vraag maakt duidelijk hoe de samenstellers van dit boek literatuur zien: niet als literatuur, maar als een verzameling mensen.
Dat sluit precies aan bij het huidige klimaat waarin literatuur stelselmatig wordt afgesneden van de overige gebieden van het maatschappelijk leven, als onschuldig vermaak terzijde wordt geschoven en daardoor zo langzamerhand ook nog maar weinig anders dan onschuldig vermaak is: een kermis, een rariteitenkabinet, of, zoals in Dwars door puinstof heen: een jongensboek, waarin een grote ondeugd zomaar in het openbaar 'kut’ roept. De naoorlogse literatuur wordt in dit boek tot dit soort kinderachtigheden gereduceerd; de literatuur komt er niet als literatuur aan het woord, maar als de gezellige leut er omheen.
En die gezellige leut wordt dan vervolgens weer opgeklopt tot ware literatuurgeschiedenis, want dat is onmiskenbaar de inzet van een boek met de wat potsierlijke ondertitel Grondleggers van de naoorlogse literatuur. Maar literatuurgeschiedenis is het niet. Daarvoor nemen de samenstellers in hun inleidinkjes voor ieder hoofdstuk te klakkeloos de literair-politieke uitspraken van de toenmalige schrijvers over. Als Campert zich afvraagt hoe het toch mogelijk is dat Du Perron de surrealisten en dadaïsten niet in Nederland propageerde, duidt dat op weinig kennis van Du Perrons opvattingen over de avant-garde. Du Perrons werkelijke houding tegenover de avant-garde en de houding die hem door veel van de Vijftigers werd toegeschreven, verschilden immers nogal van elkaar. Rooduijn en Hofland nemen echter klakkeloos de clichétegenstellingen van toen over als historische feiten. In hun ogen is het voldoende om te zeggen dat wat je doet nog nooit eerder is gedaan. Dat wil zeggen: ze nemen het klakkeloos van je aan als je maar tot hun generatie behoort. Anders niet natuurlijk. Iedereen kan wel wat zeggen.
Rooduijn en Hofland maken met andere woorden met dit boek de Vijftigers, Hermans, Mulisch, Van het Reve, Wolkers en de bekende anderen tot echte helden voor wie literatuur nog iets anders moest zijn dan circus, en plaatsen dat tegenover de huidige literatuur die niet meer is dan een circus waarin steeds dezelfde acts worden volvoerd. Het leidt maar tot één conclusie: wij waren geweldig! Na ons is het nooit meer wat geworden!
Gefeliciteerd, heren.