Sport

Gezicht

Een sportwedstrijd is voor vijftig procent een psychologisch gevecht. Psychologische gevechten zijn voor minstens driekwart intermenselijke communicatie. Communicatie is honderd procent taal, waarvan zeker de helft lichaamstaal. De sporter die een overwinning wil behalen op zijn tegenstander dient hem dan ook psychologisch te verslaan. De sterkste geest wint. En dat is degene met de sterkste lichaamstaal.

De rol van de lichaamstaal in de sport wordt onderschat. Hoe doorslaggevend ze kan zijn in sportieve duels zien we aan memorabele momenten als de eerste keer dat Klaas Jan Huntelaar een vrije trap nam voor zijn nieuwe club Ajax, begin dit jaar. We zien nog voor ons hoe hij, net begonnen, nog nat achter de rode oortjes, gedecideerd de bal opeiste voor de verbouwereerde Sneijder – de specialist –, hem neerlegde (de bal), een fractie van een seconde lang tussen twee wimpers door het doel bestudeerde, vervolgens de rug rechtte, de kin hief, twee, drie krachtige passen achterwaarts nam, nog één keer de afstand inschatte (een vluchtige maar zeker niet onzichtbare blik uit de rechterooghoek) en ten slotte de bal met een religieuze curve in de kruising legde.

Dat is lichaamstaal. Toen Huntelaar de bal had klaargelegd hoefde de vrije trap eigenlijk al niet meer te worden genomen.

Denk aan Arjen Robben, en je ziet een huilebalkgezicht nadat hij weer eens onheus is bejegend door een verdediger, vindt hij zelf. Je ziet een imitatie van De Schreeuw van Munch, vol existentiële angst. Robben trekt zo’n jankerige kop uit verongelijktheid over al het onrecht hem aangedaan. Dat communiceert ook iets, met name naar de scheidsrechter. Die boze-kleuterkop zegt hem één ding: Robben is schuldig. Hij denkt: ik geef dat ventje echt geen penalty.

Naast alle mental coaches en diëtisten en fysiotherapeuten zouden ze ook een lichaamstaalkundige aan de staf van een topploeg moeten toevoegen.

In deze tijden van eclecticisme, cross-over en kruisbestuiving kunnen alle sporten iets van elkaar leren. Arjen Robben zou in het Holland Casino in Amsterdam moeten gaan kijken. Daar heeft hij wat aan. Deze week vindt daar de Master Classics of Poker plaats, het grootste toernooi van Europa. Het prijzengeld is tweeënhalf miljoen euro. Pokerwedstrijden worden gretig uitgezonden door de commerciële omroep. De populariteit van poker is erg gegroeid.

Bij pokeren gaat het niet alleen om goede kaarten, maar ook en vooral om geduld, inzicht, concentratie, kansberekening, mensenkennis, durf en blufvermogen. En om een stalen gezicht. Daarom spreken we niet van een bridge-, schaak-, handbal- of kaatsface maar van een pokerface.

Op de Master Classics spelen ook professionals. Die leven dus van hun sport. Die winnen vaak, anders zouden ze er niet van kunnen leven. Ze winnen zo vaak door hun pokerface. Dat wil zeggen, de ultieme beheersing van de spieren in het gezicht. Want als je wilt winnen, dan mag je niets verraden over de kaarten die je in je hand hebt. Niets. Want zoals de professionals zeggen: ‘De ogen liegen niet.’ Zij weten bijvoorbeeld dat onervaren spelers vaak hun adem inhouden als ze bluffen. En dat als iemand nonchalant doet en met schijnbare tegenzin zijn inzet plaatst, dat hij dan waarschijnlijk goede kaarten heeft. ‘Pokeraars kijken elkaar recht in de ogen. Als een tegenstander niet lang terug kan blijven kijken, is de kans groot dat hij liegt.’

De door de wol geverfde pokeraar kan aan de kleinste, subtielste tekenen zien of een tegenstander bluft of niet, en of hij goede kaarten heeft. Het verschil tussen de pokerprof en de pokeramateur zit ’m dan ook vooral in de kwaliteit van de pokerface. Jarenlange training is nodig om te komen tot een optimale face. Alle spieren moeten volledig beheerst worden.

We hebben 57 gezichtsspieren, waarvan we er vele zelden gebruiken – tenzij we meedoen aan een Desmoiselles d’Avignon-_look-alike-contest, of regelmatig tussen de schuifdeuren een imitatie van _De Schreeuw ten beste geven. Van de corrugator supercilii, de binnenste en buitenste frontalis, de levator labii superioris tot de orbicularis oculi en de risorius – alle dienen ze onder controle te zijn. Zonder een spiertje, een peesje, een porie te vertrekken speelt de pokeraar zijn spel.

Met een gelaat als een varkenslederen masker tracht hij zijn tegenstander te doorgronden. Hij weet dat ogen niet liegen. Hij weet dat zijn tegenstander dat ook weet, én dat hij dat weet. Hij weet dat onervaren spelers de adem inhouden als ze bluffen, en dat zijn tegenstander dat ook weet, én dat hij dat weet. Dus houdt hij juist niet zijn adem in als hij niet bluft, wetend dat zijn tegenstander begrijpt dat hij ervaren genoeg is om zo’n truc uit te halen. Hij doet alsof hij hem niet lang durft aan te kijken, terwijl hij dat best durft. Hij speelt tegenzin bij het inzetten. En dan zeggen ze dat turnen perfecte spierbeheersing is.