Fotografie - Theo Baart en de ongrijpbare werkelijkheid

Gezicht op Hoofddorp

In 1975 kocht Theo Baart een plastic fototoestel uit de DDR en maakte daarmee zijn allereerste foto’s, van zijn woonplaats Hoofddorp. In krap een halve eeuw groeide Hoofddorp uit van dorp tot… ja, wat eigenlijk?

Medium beukenhorst 2c 20uit 20serie 20 20werklust 20 c2 a9 20theo 20baart

Een traditionele stad kun je deze verstedelijkte polder niet noemen. De term ‘tussenstad’ die de Duitse architect en stedenbouwkundige Thomas Sieverts in de jaren negentig bedacht voor de nieuwe, niet volgens de traditionele categorieën van stad, dorp en land in te delen bebouwde gebieden, is misschien nog het beste van toepassing. Je zou het conglomeraat Hoofddorp-Schiphol ook het erf van Amsterdam kunnen noemen, aangezien een boerenerf ook vaak praktisch en (vaak letterlijk) voor de hand liggend is ingericht, en tegelijkertijd nogal achteloos. Voor een fotograaf die het wil zien is dat een goudmijn. Theo Baart is die fotograaf.

Geboren is hij er niet, maar Baart is wel getogen in zijn voornaamste onderwerp. Hij verhuisde in 1960, toen hij drie jaar oud was, met zijn ouders naar Hoofddorp. Op z’n twintigste verhuisde hij terug naar Amsterdam, zijn geboorteplaats, om daar aan de Rietveld Academie fotografie te studeren. Als scholier was hij al begonnen in en rond Hoofddorp te fotograferen en tijdens zijn studie bleek het een steeds interessanter onderwerp. Naast andere projecten bleef Baart trouw Hoofddorp fotograferen, wat in 1999 resulteerde in het prachtige boek Bouwlust, fraai vernoemd naar een oude boerderij uit de Haarlemmermeer. Vijf jaar later verhuisde Baart zelfs weer terug Hoofddorp, naar de nieuwste nieuwbouwwijk, een vinexwijk. Daarover maakte hij het boek Eiland 7. Recent verscheen het vervolg op Bouwlust, een fotoboek genoemd naar een andere oude boerderij uit de Haarlemmermeer: Werklust.

Baart is niet, zoals je zou verwachten, een nostalgicus die wanhopig probeert die goede oude tijd, dat ‘tuinpad van zijn vader’, vast te leggen vóór de vooruitgang zijn verwoestende werk doet. Baarts foto’s zijn ook geen verheerlijking of leedvermaak, hij richt zich noch op de mooie, goedbedoelde plannen, noch op hoe die in duigen vielen. Baart fotografeert hoe mensen gebruikmaken van mogelijkheden. Werklust is, zoals de ondertitel treffend zegt, een ‘Biografie van een gebruikslandschap’.

Zoals meestal bij de foto’s van Baart het geval is, is het op veel foto’s in Werklust wat je noemt een lekker weertje. Geen spectaculair goed weer, geen strak blauwe luchten boven zonovergoten landerijen, maar er zijn ook geen donkere dreigende wolken of regenbuien te bekennen. Baart fotografeert bij voorkeur bij ‘Hollands weer’: een lichtblauwe hemel met hier en daar een vlaag melkachtig wit en wat wolken.

Toen ik eens vroeg aan Baart waarom hij toch altijd met lekker weer fotografeert, verwachtte ik een technisch of formeel verhaal over lichtinval en scherptediepte enzovoort. Maar het bleek een inhoudelijke overweging: Baart wil geen architectuurfotograaf zijn. Hij fotografeert geen nieuwe, pas opgeleverde gebouwen, maar de alledaagse leefomgeving. Aangezien die meestal nogal gewoontjes is, zou het er, als hij die bij slecht weer zou fotograferen, al snel sneu uitzien en zou de foto zomaar een aanklacht kunnen zijn of ironisch worden: ‘Ach, kijk die mensen nou eens wonen.’ Baart bedrijft ook geen propaganda, zoals veel fotografen die in de jaren vijftig en zestig de wederopbouw fotografeerden: daar liggen nieuwbouwwijken er altijd zonovergoten en beloftevol bij, met kuierende vrouwen met kinderwagens en mannen met hoed die zich naar hun werk snellen.

Om de alledaagse werkelijkheid te tonen, zonder die te ironiseren, te bespotten of mooier voor te stellen, moet je voorzichtig en terughoudend te werk gaan… Je moet je pretenties opgeven, zonder pretentieloos te worden. En dat laatste is Baart mijn inziens zeker niet. Ik moet tenminste, als ik naar zijn foto’s kijk, vaak denken aan de Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein. Om precies te zijn aan de eerste en de laatste stelling van dat geschrift: ‘De wereld is alles wat het geval is’, en: ‘Waarover men niet kan spreken moet men zwijgen.’ Een foto van Baart toont wat het geval is – wat zou je er verder nog over kunnen zeggen?

Nou, misschien nog dit: Baart is objectief doordat hij zo betrokken is. Hij fotografeert immers zijn eigen woonomgeving en kan daardoor uitgebreid de tijd nemen, wat resulteert in bedachtzame een vooral ook milde foto’s die geen snelle oordelen of veroordelingen zijn, zoals meestal het geval is bij fotografen die onze alledaagse leefwereld willen ophemelen of belachelijk proberen te maken.

Haast zou ook fataal zijn, want niets is zo vluchtig en ongrijpbaar als het alledaagse. Het gewone laat zich vreemd genoeg maar moeilijk betrappen. Of, om alweer Wittgenstein te citeren, deze keer zijn Filosofische onderzoekingen: ‘Je merkt het niet op, – omdat je het de hele tijd voor ogen hebt.’ Het alledaagse is verborgen in het volle zicht en om het te betrappen is veel geduld en oplettendheid nodig.

Ik moet, als ik naar Baarts foto’s kijk, vaak denken aan Wittgenstein: ‘De wereld is alles wat het geval is’

Het boek Werklust vraagt van de lezer/kijker precies hetzelfde geduld als waarmee het gemaakt is. Het boek op schoot nemen en er doorheen ‘zappen’ volstaat niet en is trouwens ook onmogelijk: het boek heeft het formaat en gewicht van een flinke stoeptegel. Toch is het bepaald geen koffietafelboek, zo’n onhandelbaar boek dat je alleen maar voor de sier hebt. Werklust vraagt om een studieuze aanpak – om werklust.

Er zit weinig anders op dan het boek op tafel te leggen en er op een stoel bij aan te schuiven. En dan maar kijken. Eindeloos heen en weer bladeren en soms eindeloos naar een foto kijken. Omdat het boek om zo’n studieuze houding vraagt, is het bijna onvermijdelijk dat je de foto’s als een soort wetenschapper gaat bestuderen: alsof dit boek een anatomische les is waarin Hoofddorp – en daarmee een hedendaags Nederlands ‘landschap’ – ontleed wordt.

Je hebt de neiging bij het bestuderen van het boek een witte doktersjas aan te trekken en al bladerend op zoek te gaan naar een diagnose. Aan welke ziekte leidt Hoofddorp? Het antwoord op die vraag luidt, grofweg: globalisering en economisering. Hoofddorp is namelijk overwoekerd door Schiphol, het is een ‘luchthavenstad’ geworden. En als zodanig zou het moeten concurreren met bijvoorbeeld Frankfurt en Dubai. Sterker nog, Hoofddorp-Schiphol moet die strijd niet alleen aangaan, maar moet die strijd vooral winnen. Dat doel heiligt blijkbaar alle middelen.

Zo ongeveer zou, vermoed ik, iemand als Adriaan Geuze naar Werklust kijken. Afgelopen zomer was deze landschapsarchitect een van de zomergasten bij het gelijknamige tv-programma. Hij baarde daar veel opzien met een – overigens al vaak door hem aangeheven – klaagzang over de verrommeling van het landschap langs de A4 bij Schiphol (bij Leiderdorp, om precies te zijn). Hij liet zelfgemaakte foto’s zien van het allegaartje dat daar langs de snelweg staat: een kakelbont gezelschap van schreeuwlelijkerds. ‘Heb jij dat besteld?’ vroeg hij retorisch-wanhopig aan de presentator Wilfried de Jong, die zich met deze uitbarsting eigenlijk geen raad wist.

Kort samengevat kwam het betoog dat Geuze die lange zomeravond hield erop neer dat de mooie Hollandse traditie van ingenieurskunst teloor was gegaan en dat er niets, een gapende leegte, voor in de plaats was gekomen. We moeten volgens Geuze weer terug naar figuren als Cornelis Lely, die verder, veel verder durfde te kijken dan zijn neus lang was en grote plannen maakte, maar daarbij nuchter en praktisch bleef. Net zoals bij de Zuiderzeewerken en de Deltawerken moet Nederland zich niet spiegelen aan het buitenland, maar het goede voorbeeld geven.

Wellicht had en heeft Geuze niet eens ongelijk, maar zo’n visie op Werklust zou het boek tekortdoen. Het zou werkelijk zonde zijn de foto’s alleen maar als bewijsmateriaal te zien en Hoofddorp als een ‘plaats delict’. Wie het boek beschouwt als raadsel dat hij moet oplossen doet ook zichzelf te kort. ‘Dit is Nederland, dit is zoals wij het doen. Maar waarom wij het zo doen, dat is het raadsel’, schreef fotograaf Hans van der Meer in zijn fotoboek Nederland: Uit voorraad leverbaar (2012), een met Werklust goed vergelijkbaar fotoboek. Het zijn fotoboeken waaruit soms een bezorgdheid spreekt, maar vooral veel mildheid. En verbazing, want daar gaat het uiteindelijk om, en niet om verbijstering. Laat staan verontwaardiging. Deze fotoboeken zijn, net als de klassiekers Hollandse taferelen (1989) en Aarsmans Amsterdam (1993) van (ex-)fotograaf Hans Aarsman, lessen in verwondering.

Werklust is kortom geen anatomische les – er vallen geen lessen te trekken. Het is misschien nog het best te vergelijken met Vermeers Gezicht op Delft, welbeschouwd toch een onbegrijpelijk schilderij – omdat er niets te begrijpen valt. Zowel Vermeer als Baart slaagt er op onnavolgbare manier in de even zichtbare als ongrijpbare werkelijkheid vast te leggen. Dat is natuurlijk een illusie, maar wel een die werkt: hoe langer je ernaar kijkt, hoe wonderlijker het wordt.

Theo Baart, Werklust: Biografie van een gebruikerslandschap verscheen bij uitgeverij Nai010 en is tot en met 17 januari als tentoonstelling in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam te bezoeken


Beeld: Theo Baart / Nederlands fotomuseum. Foto Theo Baart, Beukenhorst, uit de serie Werklust