Truman Capote, Uit het Engels (In Cold Blood, 1966)

Gezicht van een wisselkind

Truman Capote

In koelen bloede

Uit het Engels (In Cold Blood, 1966) vertaald door Thérèse Cornips met nawoord van Maarten ’t Hart

De Arbeiderspers, 365 blz., e 12,50

Precies veertig jaar geleden verscheen Truman Capote’s In Cold Blood, een zogenaamde non-fictieroman over een viervoudige moord gepleegd in de nacht van zaterdag 14 op zondag 15 november 1959 bij het gehucht Holcomb in West-Kansas. De moordenaars, Perry Smith en Dick Hickock, werden op de vlucht in Las Vegas gepakt, veroordeeld en na jarenlange juridische touwtrekkerij in april 1965 naar de galg gebracht. Truman Capote (1925-1984) schreef met behulp van romaneske technieken niet alleen een nauwgezette reconstructie van de noodlottige gebeurtenissen die tot die moord leidden, zijn relaas over het leven in een dodencel en de zin of onzin van de doodstraf is minstens zo aangrijpend. Het was flauw van jaloerse journalisten in 1966 om te zeggen dat Capote twee miljoen dollar opstreek en dat zijn helden Smith en Hickock alleen de galg kregen. In een van zijn vele brieven aan Capote schreef Perry Smith iets om over te blijven na denken: «Rijke mensen hangen niet. Alleen de armen en zij die geen vrienden hebben.» Maar zo simpel is het zelden: het Amerikaanse rechtssysteem kan niet afgedaan worden met twee woorden: klassenjustitie en corruptie. Wie In Cold Blood achter elkaar uitleest (Capote weet door de zorgvuldige dosering van details en een geraffineerde, regelmatige perspectiefwisseling tussen slacht offers en daders de spanning hoog op te voeren, ook al kent de lezer het onontkoombare einde) is ervan doordrongen dat de rechtsgang in de VS veel zorgvuldiger is dan de hardnekkige voor oordelen suggereren.

Capote’s ballade over de vier beest achtig vermoorde leden van de streng gelovige boerenfamilie Clutter en de twee gehangenen is het verhaal van wat de Ver enigde Staten zijn. In Cold Blood is een Amerikaanse tragedie over twee soorten mensen die op noodlottige wijze op elkaar botsen: de brave en oplettende burgers die het met hard werken en wilskracht voor elkaar hebben, die hun schaapjes op het droge houden, gesetteld zijn en stevig geworteld blijven in (christelijke) familietradities; daartegenover bevinden zich de ontwortelden of de zwervers, zij die on the road zijn en op de vlucht voor hun belaste en beladen verleden in de vorm van uiteengevallen gezinnen en ontsporingen.

Beide moordenaars kwamen uit kans arme gezinnen of gestrande huwelijken (Hickock) en kregen niet die opleiding die ze hadden gewild, met alle frustraties van dien. Hickock werd automonteur en Smith ging het leger in. Beide moordenaars liepen als gevolg van een ongeluk hersen letsel op. De halfbloed en Koreaveteraan Perry Smith (vader een zwalkende Ier, alcoholische moeder een Cherokee) kwam uit een gezin met vier kinderen. De oudste broer pleegde zelfmoord, een zusje viel dood uit een raam. Perry’s overgebleven zus schreef hem in de gevangenis een lange brief waarin ze haar broer het Amerikaanse individualisme en de persoonlijke verantwoordelijkheid als een spiegel voorhoudt: «Ik ben er oprecht van overtuigd dat we geen van allen wie dan ook verantwoordelijk kunnen stellen voor wát we ook doen met ons eigen leven. Het is bewezen dat de meeste mensen vanaf hun zevende voor rede vatbaar zijn – dat wil zeggen dat we vanaf die leeftijd wel degelijk begrijpen en weten wat het verschil is tussen goed & kwaad. Natuurlijk speelt de omgeving een ontzettend belangrijke rol in ons leven…»

De eigen wil om iets te bereiken zou belangrijker moeten zijn dan de menselijke zwakheden die we soms niet kunnen beheersen. Haar broer Perry, die vol zelf beklag zit en de anderen steevast aanwijst als de schuldigen voor wat hij heeft aangericht, lijdt aan een defect in de ik-vorming waardoor hij op cruciale ogenblikken geen controle meer heeft op zijn aandriften en plotselinge agressie. Hij kijkt als een buitenstaander of toeschouwer naar de moorddadige handeling die hijzelf verricht. Hij lijdt aan psychopathische haat jegens de samenleving die hem onrecht zou hebben aangedaan. De voorbeeldige boer Herb Clutter uit het christelijke dorp Holcomb in Finney County (West-Kansas) wordt bij toeval het slachtoffer van zijn haat en van zijn verlangen tegenover praatjesmaker Dick Hickock te tonen dat hij geen lafbek is: «Ik wou die man niks doen. Ik vond het een heel aardige heer. Heel goeiig. Dat vond ik tot op het moment dat ik hem de strot afsneed.» Waarna het hele gezin eraan moet geloven.

Truman Capote noemde Perry Smith’ gezicht dat van een wisselkind omdat het op commando van aanzien kon veranderen: van zachtmoedig naar verwilderd, van kwetsbaar naar bloeddorstig.

Norman Mailer vond In Cold Blood «a hell of a damned good book», maar ook te beha vioristisch. Voor hem was Capote’s nauwgezette reconstructie slechts een beschrijving van buitenaf van twee moordenaars van wie je toch niet genoeg wist. Te snel had Capote volgens hem naar het erfelijkheidsargument gegrepen. In de genen van de moordenaars zou de doem al hebben gezeten.

Het is te simpel om het achterafverhaal van de Kansas-moord In Cold Blood af te doen met de term behaviorisme, dat wil zeggen de psychologische benadering van mens en dier via waarneembare gedragingen. Ook de dromen en nachtmerries komen aan bod. En als Capote – die zichzelf uit de vertelling heeft weggeschreven maar stilistisch in elke zin aanwezig is – met In Cold Blood slechts een pleidooi voor beha viorisme had willen schrijven, had hij het anders aan moeten pakken. Nu heeft hij enkele psychiatrische analyses verwerkt die ingaan op de onthechtingsverschijnselen bij beide moordenaars, maar de maatschappelijke en biologische factoren zijn slechts een onderdeel van het grote mozaïek dat hij aanbiedt en zelfs die zijn niet uitputtend behandeld. Want wat bijvoorbeeld te zeggen van het feit dat Perry Smith een Korea veteraan is? Uit In Cold Blood komt de lezer te weten dat bedplasser Smith in Korea heeft gevochten en zijn vader maandelijks dertig dollar stuurde. Die oorlog was meer dan frustrerend. «Ik heb genoeg gepresteerd in het leger, evenveel als een ander; ik heb de Bronzen Ster gekregen. Maar ik ben nooit bevorderd. Na vier jaar, en vechten, de hele godvergeten Koreaanse oorlog door, hadden ze me ten minste korporaal horen te maken. Maar dat ben ik nooit geworden. Weet je waarom? Omdat de sergeant die we hadden een kwaaie was. Omdat ik het niet met hem wou doen.» Als Capote per se van In Cold Blood louter een behavioristische studie had willen maken, zou hij uit Perry’s oorlogsverleden een tragisch PTSS-geval (posttraumatisch stresssyndroom) en trammelantverhaal hebben gehaald. Maar hij heeft niets gedaan met dit belangwekkende feit, zelfs niet toen Perry op verzoek van een psychiater zijn korte biografie schreef en over zijn legertijd vanaf 1948 schreef dat hij verbitterd raakte door het besef dat hij zo weinig opleiding had genoten: «Ik werd een vechtjas. Ik heb een Japanse politieagent van een brug af het water in gegooid. (…) Ik heb dikwijls woede-uitbarstingen gehad in de tijd dat ik in Japan en Korea in dienst was. Ik heb 15 maanden in Korea gezeten, toen was ik aan de beurt om te worden teruggestuurd naar de States – ik kreeg een speciale ontvangst omdat ik de eerste Koreastrijder was die in Alaska terugkwam.»

Capote kwam op het idee voor In Cold Blood toen hij in The New York Times een klein berichtje las over de moordpartij op het Bible Belt-platteland van West-Kansas. En zo ontstond zijn non-fictieroman, een genre dat hij overigens niet heeft uitgevonden. Onder anderen Rebecca West (The Meaning of Treason) en Lillian Ross (artikelen in The New Yorker) gingen hem voor. Zij combineerden grondige research, pure journalistiek (interviews) en romaneske verteltechnieken en gaven daarmee de journalistiek, waar door literaire schrijvers op werd neergekeken, meer prestige.

Maar is In Cold Blood wel een feitenroman? En wat is dat dan precies? Gerald Clarke – de Capote-biograaf die onlangs ook zijn brieven heeft bezorgd: Too Brief a Treat: The Letters of Truman Capote – acht de term non-fictieroman «onzinnig» en schrijft heel nuchter: «Een roman is volgens de definitie van het woordenboek een denkbeeldig relaas in proza van behoorlijke lengte. Als een relaas niet denkbeeldig is, is het dus geen roman, als het een roman is kan het geen non-fictie zijn.»

Deze argumentatie is mij te nuchter. De schrijfwerkelijkheid of het scheppingsproces is veel ingewikkelder, want tijdens dat nooit puur rationele proces schurken feit en fictie regelmatig tegen elkaar aan, wordt het ene feit uitvergroot en het andere verzwegen, jongleert de auteur met tijden en plaatsen (In Cold Blood wordt de laatste dag van de Clutters én de tocht van Hickock en Smith afwisselend verteld alsof het gaat om filmscènes in woorden) en verzint hij wel degelijk. De slotscène bijvoorbeeld, waarin de hartsvriendin van de vermoorde Nancy Clutter, Sue Kidwell, aan het graf van de Clutters staat, komt uit de duim van Capote. Het is niet de werkelijkheid die Capote in In Cold Blood heeft beschreven, maar zijn versie ervan, een van de vele mogelijkheden. Noem dat maar gewoon een roman gebaseerd op bestaande figuren.

Voor mij zijn Capote’s faulkneriaanse debuut Other Voices, Other Rooms (1948) en In Cold Blood de twee beste romans – gothic novels – die hij heeft geschreven. Beide boeken gaan over hetzelfde: kapotte gezinnen waaruit kinderen voortkomen die het maar moeten zien te redden in Amerika. Of dat Amerika nu het Diepe Zuiden is rond het onooglijke gehucht Noon City (Monroe ville) in Alabama (in Other Voices, Other Rooms gaat zoon Joel Knox op zoek naar een verdwenen vader, komt terecht in een huis met een stiefmoeder en geheimen en ontdekt zijn eigen homoseksualiteit) of ergens op het moorddadige platteland van Kansas vol uitgestrekte tarwevelden, maakt niet zo’n verschil. Welke ruimten of welke stemmen ook: «De hersens mogen dan wel advies aanvaarden, niet het hart; en de liefde, die onbekend is met geografie, kent geen grenzen». Deze woorden uit Other Voices, Other Rooms staan op Capote’s herdenkingssteen in Bridgehampton, Long Island.