Kunst: Hockney

Gezichtspunten

David Hockney, Nog meer gevelde bomen langs Woldgate, 2008. Olieverf op twintig doeken © David Hockney / foto Richard Schmidt

De Hockney-Van Gogh-tentoonstelling in Amsterdam is met veel lof ontvangen, en dat lijkt mij niet onterecht: het is een bont spektakel, om te beginnen, maar vooral een slim ingedeelde combinatie van hele grote werken van de levende Brit en wat minder grote van de beroemde Brabander, waardoor een actieve vergelijking met ’t oog mogelijk wordt. Dat is niet zo heel makkelijk, overigens, want Hockney’s werken zijn niet alleen enorm in afmeting, maar ook in de power van hun kleuren, hun ‘electric green’, ‘hot pink’, ‘royal blue’ en ‘yolky yellow’. Hockney gaat daarin een stuk verder dan Van Gogh, die er ook niet voor terugschrok citroengelen en kopergroenen naast elkaar te zetten.

Hockney herhaalde bij de introductie van de tentoonstelling dat hij als kunststudent op zijn zestiende van Bradford naar Manchester reisde om werk van Van Gogh te zien: ‘Het was de kleur die ik me herinner; ik had eigenlijk nog nooit zulke schilderijen gezien. Iedereen op de academie maakte grijze schilderijen, zwart als Bradford. Ik dacht in eerste instantie waarschijnlijk dat hij zijn kleuren had overdreven, maar dat weet ik nu niet meer zo zeker.’

De overeenkomst in dat kleurgebruik zal iedereen opvallen, maar ik denk dat de samenhang nog sterker is op het onderliggend niveau, dat van de tekening; in de vergelijking van Hockney’s tekeningen met die van Van Gogh blijkt dat lijn voor beiden misschien wel essentiëler is dan kleur. Kleur is vluchtig, iedereen ziet kleur anders; lijn is veel minder vluchtig. Nog sterker is de overeenkomst in de constructie van schilderkunstige ruimte: beide kunstenaars streven naar een vereenvoudiging, een ‘grafische’ helderheid, en Hockney verzet zich daarbij al jaren tegen de ‘tirannie van de ene lens’, het enkele gezichtspunt. Zijn grote landschappen toont hij versneden: het beeld wordt opgebouwd uit losse rechthoeken, die op elkaar aansluiten, maar niet naadloos: ze hebben niet noodzakelijkerwijs hetzelfde gezichtspunt. Het effect is dat je van segment tot segment verschuift door het landschap, zoals dat in werkelijkheid ook gebeurt; voor de grote video-installatie The Four Seasons, Woldgate Woods monteerde Hockney negen camera’s op een auto, om de gang door het bos met meervoudige gezichtspunten op te nemen. Dat kon Van Gogh nou weer niet. Bij hem is de versimpeling van de schilderkunstige ruimte vooral ingegeven door zijn belangstelling voor de manier waarop Japanse kunstenaars dat deden. Boomstammen kunnen dan zonder begin of eind over een beeldvlak vallen, en lineair perspectief doet er helemaal niet zo veel toe.

Het is misschien onvermijdelijk dat in zo’n omvangrijke tentoonstelling ook wordt gehengeld naar een meer persoonlijke relatie, een ‘spiritueel-artistieke’ connectie door de eeuwen heen, maar áls iemand als Hockney zoiets al zou voelen, dan is ’t voor zo’n tentoonstelling toch bijzaak: dit gaat over twee beeldmakers, die met lijn, en daarna kleur, penseel en iPad, het probleem van de zichtbare ruimte, en hoe die te interpreteren, te lijf gingen.


Hockney – Van Gogh: The Joy of Nature. Van Goghmuseum, Amsterdam, t/m 26 mei; vangoghmuseum.nl