Zaandam is geen grijze industriestad meer

Gezien worden in Grozny aan de Zaan

Zaandam was het schoolvoorbeeld van een verpauperde provinciestad: grauw, grijs, vies. Nu het zijn verleden heeft opgegraven lopen er plots toeristen langs de nieuwe gracht en stijgen de huizenprijzen.

Large hh 50713069
Het vernieuwde centrum van Zaandam, 2015 © Berlinda van Dam / HH

Waar döner kebab-zaken en belwinkels ooit het straatbeeld bepaalden, stroomt nu water door de Gedempte Gracht. Op deze kunstmatige gracht en in de steegjes en straten eromheen rookten we onze eerste sigaretten, dronken er biertjes en rolden er jointjes. Behalve de trein naar Amsterdam (twaalf minuten) was het verdere vertier in de grauwe industriestad waar wij opgroeiden summier. Zeker nadat de politie had besloten het uitgaansgebied van Zaandam niet langer de hele nacht te bewaken omdat het te kostbaar zou zijn. Zonder die beveiliging zou de al behoorlijk criminele stad nog gevaarlijker worden, dus lieten de clubs en bars vanaf toen om drie uur ’s nachts niemand meer binnen.

Nu, we schrijven tien, vijftien jaar later, is de stad onherkenbaar veranderd. Behalve het water zijn er terrassen en modeketens gekomen, veel winkelend publiek en een luxueuze bioscoop die het rommelige filmhuis Het Saentje doet verbleken. De grauwe naoorlogse blokken hebben ruimte gemaakt voor spectaculaire Zaanse huizen, soms zo groot dat nieuwkomers zich in een soort Disneyland wanen. Wat is gebleven is de stank van de cacaofabrieken. Wie aankomt in Zaandam ruikt dat hij thuis is.

De grote aantallen gastarbeiders en hun kinderen die de stad altijd heeft gehuisvest zijn er nog steeds, maar delen de straten nu met toeristen en jonge gezinnen die Amsterdam zijn ontvlucht. Al zit de reden waarvoor zij vluchtten, hoge huizenprijzen en drukte, ze op de hielen. Net als in de hoofdstad slaat ook in Zaandam de gekte op de woningmarkt toe, het bevindt zich plots in de kopgroep van regio’s waar huizenprijzen de pan uitrijzen. De grote vraag voor de gemeente is nu niet waar ze haar bewoners vandaan haalt, maar hoe ze voorkomt dat nieuwkomers de stad gaan ontwrichten via Airbnb. Zaandam is zelfverzekerd geworden en lijkt met succes zijn drie grootste problemen te overwinnen: lelijkheid, onveiligheid en armoede.

‘Ben ik hier in Zaandam of in Grozny na de oorlog?’ wierp architect en ‘stedendokter’ Sjoerd Soeters de Zaanse gemeenteraad toe toen hij die in 2000 voor het eerst toesprak. Op verzoek van toenmalig burgemeester Ruud Vreeman was hij door de stad gaan wandelen en hij was zich ‘rot geschrokken’. Voormalig vakbondsleider Vreeman moet eenzelfde ervaring hebben gehad toen hij drie jaar eerder de stad was binnengestapt en opmerkte: ‘Jullie zijn een industriestad, maar waar is die industrie dan?’ Onder zijn arm droeg hij de boeken van de Amerikaanse socioloog Richard Florida, die in zijn thuisland verpauperde steden een spiegel had voorgehouden: als je relevant wil zijn in de toekomst moet je investeren in de creatieve klasse. ‘In dat kader was er gelukkig één lichtpuntje’, herinnert Soeters zich als hij terugblikt op die periode: ‘Zaandam lag er zo slecht bij dat er wel iets móest gebeuren.’

Hij kreeg carte blanche bij het herinrichten van de stad. Dat gaat volgens hem het makkelijkst door te appelleren aan unieke en authentieke verhalen – het recept waar wat we nu hipsters noemen op af komen. Het Zaanse huisje, het water, de molens en de industrie moesten niet ontkend maar gevierd worden: ingepast in een hippe en creatieve stad. Zaandam omtoveren in een aantrekkelijke stad waar weer water door de gracht stroomt en waar toeristen en creatievelingen graag komen was niet goedkoop. Ruim achthonderd miljoen euro ging project Inverdan kosten. Wie rapporten van de Rekenkamer Metropool Amsterdam erop naslaat, moet het bestempelen als waaghalzerij. Onder de kop ‘Ambities en risico’s’ beschreven de rekenmeesters het plan als veel te optimistisch en ‘met veel onzekerheden en open einden’: de kosten werden te laag ingeschat en het tempo van uitvoering te hoog. Bewust is er vanaf het begin van het project fors geïnvesteerd in grond waarop gebouwd moest worden, waardoor terugkrabbelen in alle gevallen te pijnlijk en kostbaar zou zijn.

Het was een alles-of-niets-scenario, beaamt wethouder Dennis Straat, die sinds 2009 verantwoordelijk is voor de stadsvernieuwing van Zaandam. Toen hij aantrad was de stad een bouwput in crisistijd waarin constant het gevaar op de loer lag dat de stadsontwikkeling zou worden stopgezet of afgeremd. ‘Dat is gelukkig niet gebeurd. Dit plan kon alleen maar slagen als het volledig zou worden uitgevoerd.’

Het was rond dezelfde tijd dat wij als pubers de argusogen van bewoners leerden kennen. Zij volgden de plannen van de gemeenteraad, maar zagen er weinig in. Ze hadden zich al lang verzoend met het leven in een stad in de marge. ‘Amsterdam ligt om de hoek en Zaandam is toch gewoon Zaandam’, hoorde je toen. ‘Dit gevoel is wat ik het “veni vidi vici” van Zaandam noem: het is niets, het was niets en het wordt niets. Het is de dominante opvatting die heerste in deze streek’, zegt Hans Luiten, historicus en oud-wethouder. Daar deden collega-politici overigens graag aan mee: een locoburgemeester had de stad een aantal jaar eerder treffend omschreven als ‘mooi van lelijkheid’.

De lelijkheid die Zaandam kenmerkte vindt haar oorsprong in het rijke industriële verleden van de stad en de gehele Zaanstreek. Als eerste industriegebied van Europa is het de wieg van de houtzaagmolen, innovatieve scheepsbouw en een veelvoud van mechanische processen. Luiten: ‘In Amsterdam hebben ze een beeld van Spinoza, hier hebben we het beeld de Houtwerker.’ Rond 1730 draaiden er constant maar liefst zeshonderd molens, het gebied telde er toen meer dan duizend. Door de drassige veengrond waren de Zaankanters tot dan gedoemd tot visserij, veeteelt en armoede; gewassen verbouwen of grote boerenbedrijven runnen zat er niet in. Juist in dat gebied, waar creativiteit noodzaak was, ontstonden molens en scheepswerven die profiteerden van het grootste handelscentrum van Europa: de rijke buurman Amsterdam. Het leeuwendeel van de investeringen in het gebied kwam rechtstreeks daarvandaan. Zaandam werd zo het Silicon Valley van de zeventiende eeuw, schreef hoogleraar Karel Davids ooit.

De moleneigenaren van toen werden later de fabriekseigenaren. Verkade, Duyvis, Honig, Bruynzeel, Albert Heijn en vele andere ondernemers gingen de dienst uitmaken. ‘Zij vormden de structuur van deze stad’, zegt Arnold Blanson Henkemans. In de jaren zestig werd hij assistent in de Verkade-fabriek aan de Zaan, waar hij al snel opklom tot een van de drie bedrijfsleiders. En met het stijgen in rang steeg hij ook in de sociale orde van de stad.

‘De fabrieken zorgden hier voor alles: de kinderopvang en zelfs je woning. De grote bazen zaten in het verenigingsleven, maar hadden het ook voor het zeggen bij de woningbouwcorporaties’, zegt Blanson Henkemans zittend in zijn woning aan de rand van de Zaandamse wijk Poelenburg, een huis dat hij ook kreeg toegewezen via de fabriek. De boekenkast is rijkelijk gevuld met historische werken over de Zaanstreek. Aan het dikste geschiedenisboek in de kast werkte oud-wethouder Luiten als historicus mee. Hij beschrijft erin hoe de oude moleneigenaren de eerste bestuurlijke en culturele elite van de streek vormden en vrijwel in alles de leiding hadden. ‘Je had hier nauwelijks een middenklasse. Er was een grote groep arbeiders en een heel kleine bovenlaag.’

Grootse plannen waren er altijd al voor Zaandam. In 1966 zou het samen met zes dorpen een industriële megastad moeten worden met uiteindelijk driehonderdduizend inwoners. Twee dorpen en een buurtschap zouden worden geofferd ten behoeve van een haven, terwijl de uitgestrekte weilanden gevuld zouden worden met huizen. Om dat te bewerkstelligen moesten de zeven buurgemeenten nog wel fuseren. ‘Daar is al sinds 1795 over geruzied’, zegt Luiten. ‘In de regio is het verzet daartegen altijd zo groot geweest dat het zelfs de nazi’s niet is gelukt.’

‘Dit gevoel is wat ik het “veni vidi vici” van Zaandam noem: het is niets, het was niets en het wordt niets’

Maar de belofte van een futuristische megastad deed al het verzet staken en de gemeenten werden na tweehonderd jaar strijd eindelijk één. ‘De timing had niet slechter gekund. Net nadat dit eindelijk was gebeurd verkruimelde het vertrouwen in de industrie in zo’n hoog tempo dat binnen twee jaar fabriekseigenaren liever uitweken naar Polen. Ondertussen had de Club van Rome de gevolgen van de industrie voor het milieu op de kaart gezet en veranderde ons beeld van industrie drastisch’, aldus Luiten.

Nog voor de jaren zeventig aanbraken lagen de plannen in de prullenbak, maar was wel een gigantische gemeente ontstaan: zonder stadshart, zonder een duidelijke richting voor de toekomst en met torenhoge schulden door het gezamenlijk aankopen van grond en reeds in gang gezette plannen. Wie zich afvraagt waarom er tot op de dag van vandaag in de gemeente Zaanstad middelbare scholen midden in weilanden staan en er opvallend veel opritten naar de snelweg zijn, vindt hier de verklaring: ze waren de afslagen naar een megastad die er nooit kwam.

Terwijl de industrie stilletjes naar de uitgang zocht of haar fabrieken automatiseerde, bekommerde niemand zich meer om Zaandam, de grootste stad van de fusiegemeente. Het was bestuurlijk een kluwen geworden. Als de stad een skatebaan kreeg, wilden alle dorpen er ook een. Als iemand voor een zwembad pleitte, moest overal in de gemeente een zwembad komen. Luiten: ‘De dorpen bleven de dorpen terwijl Zaandam langzaam begon te lijken op Den Helder en Drachten: kleurloze steden waar niets is.’

Onderwijl liep de stad eerst vol met boeren uit Noord-Holland en Friesland, vervolgens met armen uit Amsterdam-Noord, Spanjaarden, Italianen en later vooral Turken, zegt Blanson Henkemans wijzend naar de rest van zijn wijk, die een grote populatie arbeidsmigranten kent. ‘Je zag Zaandam veranderen door de aanwas van buitenaf. Dat had als gevolg dat een groot deel van de sturende bovenlaag de stad verliet en verhuisde naar kustplaatsen als Bloemendaal, Heemstede en Castricum.’ Later sloten of verkochten ze ook de fabrieken. ‘De gemêleerde onderlaag was er nog wel, maar de structuur niet meer. Ook de goede winkels verdwenen en de buurten verloederden.’ Tot op de dag van vandaag kent Zaandam, toch tachtigduizend inwoners, behalve de Bruna geen boekwinkel. Zie daar het Zaandam dat wij kennen. De rode arbeidersstad bleef zonder fabrieken verweesd, grauw en arm achter.

Het water dat weer door de binnenstad stroomt is er niet louter omdat het gezellig is of van oudsher bij de stad hoort (tsaar Peter leerde in Zaandam boten bouwen en het gebied werd rijk door de maritieme aanvoerroutes). Nee, het belangrijkste idee achter een nieuw grachtje is volgens Sjoerd Soeters dat het voor een veiliger gevoel zorgt en de gigantisch brede winkelstraat handig in twee trottoirs van elk vijf meter breed splitst. ‘De ideale breedte voor een winkelstraat’, aldus de architect. ‘Mensen komen niet meer naar de stad voor een paar sneakers. Ze komen voor gezelligheid, voor schouder-aan-schouder door de stad sjokken en om gezien te worden.’

Een van de grootste problemen waar het centrum mee kampte is dat de weidse straten, grauwe gebouwen die het zicht ontnamen en dominantie van auto’s zorgden voor een gevoel van onveiligheid. Een blik op statistieken van het cbs leert dat dit beeld nu gekanteld is: de werkelijke criminaliteit daalde in lijn met de rest van Nederland, maar het ‘gevoel van veiligheid’ is sinds de opening van het nieuwe centrum flink gestegen.

Boven de winkelende massa torenen inmiddels grote Zaanse huizen uit. Dat wil zeggen: torens waar de herkenbare ‘Zaanse huisjes’ tegenaan geplakt zijn. Buitenstaanders vinden dat soms kitsch, maar de Zaankanter glimlacht. Soeters: ‘Je kunt hier wel een glazen toren neerzetten, maar dat kan overal, ik wilde iets onderscheidends met de traditie doen.’ Architectuurcriticus Jaap Huisman beschreef in 2011 in De Groene Amsterdammer de nieuwe binnenstad van Zaandam als ‘lach-of-ik-schiet-architectuur’ en vergeleek het met Las Vegas. ‘Sommigen noemen mij een populist’, zegt Soeters over de kritische reacties op zijn werk in Zaandam. ‘So be it. Architectuur moet er voor de mensen zijn en niet voor een klein clubje avant-gardisten.’

Het opmerkelijke is, zo zegt iedereen die we voor dit verhaal spreken, dat na jaren van bescheidenheid en zelfontkenning de trots terug lijkt te zijn in Zaandam. Dat trekt niet alleen toeristen aan maar lokt ook bedrijven terug. De stad kreeg in 2004 nog een tik te verduren toen het bekendste bedrijf uit de streek, Ahold, verhuisde naar Amsterdam. ‘Wij hadden net een zwaar jaar achter de rug door de boekhoudfraude en wilden een nieuwe start maken met het hoofdkantoor’, zegt de huidige ceo Dick Boer van Ahold Delhaize in een telefoongesprek. Nu kijkt de ceo uit over het nieuwe centrum van de stad die het bedrijf ooit verliet; onder Boers leiding verhuisde het in 2013 terug. ‘Een stad als Zaandam past uiteindelijk veel beter bij ons imago dan het dure Amsterdam.’ Toch moest daar wel het een en ander voor veranderen. ‘Als hier eind jaren negentig zakenrelaties langskwamen, sliepen ze in het toen onooglijke Inntel Hotel; dat wilde je echt niet.’

Dat hotel is inmiddels tegen de vlakte. Buitenlandse gasten verblijven nu in het bonte hotel met de talloze gestapelde Zaanse huisjes dat mensen direct zien als ze de stad met de trein binnenrijden. Het bouwwerk stond in Japan in designbladen en leidde onder meer tot een foto-expositie in het prestigieuze Louisiana Museum in Denemarken. ‘Natuurlijk is het cosmetisch enorm opgeknapt, maar de vraag is welke prijs we hiervoor hebben betaald’, zegt Juliëtte Rot, gemeenteraadslid van Democratisch Zaanstad. ‘Zaanstad heeft zich ongelooflijk diep in de schulden gestoken en er zijn al weer allemaal nieuwe, grote plannen die weer veel geld kosten.’

Mede door de grote ambities van de stad, zo zei de verantwoordelijk wethouder deze zomer nog tegen het Noordhollands Dagblad, is de schuld opgelopen tot meer dan een half miljard euro. Zaanstad is daarmee een van de gemeenten met de allerhoogste schuld per inwoner. Ook Rot ziet dat ‘het tochtige gat dat Zaandam ooit was’ allure én toeristen heeft gekregen. Maar ze pleit er ook voor om de hand op de knip te houden en reserves op te bouwen. In dezelfde stijl als het nieuwe stadhuis en de rest van de binnenstad moet er nu, ondanks luid verzet, een cultuurcentrum komen dat inmiddels 42 miljoen euro gaat kosten. ‘Terwijl veel organisaties in aftandse gebouwen zitten, die voor veel minder geld opgeknapt kunnen worden. Zij blijven daar ook liever zitten. En ik moet nog maar zien of we dit allemaal terugverdienen.’

Medium 2128518
Het centrum van Zaandam, 1991 © Collectie Gemeentearchief Zaanstad
‘Je hoort wel eens dat Zaandam nu een Disneypark is. Maar je twijfelt geen moment aan waar je bent’

Zaandam is altijd het lelijke zusje van Amsterdam geweest, het ligt letterlijk onder de rook van het Westelijk Havengebied. Waar de hoofdstad overgaat in zware industrie begint Zaandam. Vlak bij het punt waar de stadsgrenzen elkaar raken, loopt wethouder Straat tussen de oude wapenfabrieken die liggen verscholen tussen de bomen. Zojuist heeft hij een hippe eetgelegenheid op het desolate Hembrugterrein verlaten die eerder dit jaar haar deuren opende. ‘Nu is dit nog ons rafelrandje, maar over tien jaar wonen hier mensen’, zegt Straat kijkend naar de havenstrook van Amsterdam die aan de andere kant van het Noordzeekanaal ligt.

Amsterdam heeft recentelijk aangekondigd daar zeventigduizend huizen neer te zetten en het gebied om te dopen tot Haven-Stad. Dat de wethouder graag hier wil afspreken is niet verwonderlijk, het sluit naadloos aan bij het pleidooi dat hij al jaren voert: de stad moet onderdeel worden van de metropool Amsterdam. Dat de wandeling met vlagen leidt langs kale plekken en hoopjes zand is omdat hier tot voor kort nog werd gegraven naar flesjes mosterdgas, een van de oorlogsmiddelen die in het geheim werden geproduceerd in Zaandam. ‘Nu vinden we deze plek charmant’, zegt hij te midden van oude bakstenen fabrieken waar een debatcentrum moet komen en waar nu al kunsthallen huizen. Een Amsterdammer die even later de eetgelegenheid verlaat die op het Hembrugterrein ligt, merkt terloops op: ‘Grappig, het is hier net zoals het Westerpark twintig jaar geleden was.’

Behalve vanzelfsprekend is de relatie tussen Zaandam en Amsterdam altijd een punt van verhit debat geweest. Als wethouder Straat roept de metrolijn door te trekken naar zijn stad, of – zoals in het verleden wel eens gebeurde – een politicus voorstelt het netnummer te veranderen naar 020, klinkt er steevast gemor. De Zaankanter is niet echt trots maar wel eigenwijs. ‘Terwijl Zaandam er zonder Amsterdam nooit was geweest. En andersom ook niet’, zegt Luiten. ‘Ze bestaan bij de gratie van elkaar.’

‘We wonen wel aan de rand van het getto, hoor’, zegt de vrouw van ex-Verkade-man Blanson Henkemans grappend als we een afspraak met het echtpaar maken. Hun fraaie hoekwoning is allesbehalve ‘getto’, maar staat wel in Poelenburg, in de Zaanse volksmond ook wel bekend als Turkenburg. Op weg naar de afspraak passeren we verwaarloosde flatwoningen die door corporaties flink onder handen worden genomen. Op de verlaten grasvelden, waar grijze woontorens op uitkijken, liggen bankstellen en vuilniszakken die achteloos naar beneden moeten zijn gegooid. Op de straten slingert meer troep. De officieuze voertaal in de wijk is Turks.

Dit is het werkelijke rafelrandje, en niet het Hembrugterrein, zegt raadslid Juliëtte Rot. Zij verhuisde in 2005 naar de wijk, twee jaar voor die werd uitgeroepen tot een van de twintig grootste probleembuurten van het land. ‘Het is fantastisch om er te wonen, omdat het een enorme mengelmoes is van mensen en culturen. Maar het is natuurlijk geen geuzennaam als je wordt bestempeld als Vogelaarwijk’, zegt Rot. Al jarenlang probeert ze de problemen in Poelenburg op de agenda te krijgen, maar dat werd in de gemeenteraad altijd weggehoond. Hoe erg kon het zijn als de bewoners zelf amper klaagden? Dat er wel degelijk problemen zijn weet Rot als geen ander. In de zomer van 2016 werd ze landelijk bekend als het raadslid dat het opnam tegen de plaatselijke hangjongeren, die door vlogger Ismail Ilgun een podium kregen. Heel Nederland keek plots naar de wijk, zeker toen premier Rutte repte over ‘tuig van de richel’.

Rot werd tegen wil en dank het gezicht van de strijd tegen de hangjongeren, maar daar was het haar nooit om te doen geweest. Zij zag ook wel dat het hun manier was om aandacht te vragen voor de problemen in de wijk. ‘Zij zijn een product van hun omgeving, slachtoffers van inconsistent beleid.’

Gek genoeg is de mediarel rond de vloggers een zege geweest voor Poelenburg. Dat bevestigen twee ambtenaren in een gesprek dat we voeren in buurthuis De Poelenburcht. ‘Zonder Ismail en zijn camera hadden we hier niet gestaan’, geeft Remy Justus onomwonden toe. Vier maanden na de gebeurtenissen werd hij samen met zijn collega aangesteld om met bewoners uit de wijk een actieplan op te stellen. Ondermijnende criminaliteit, de gigantische taalachterstand, hoge schooluitval, zwerfvuil, werkloosheid en gebrekkige communicatie met de overheid moeten worden aangepakt. Dat er zo’n plan ligt is niet voor het eerst, geven de ambtenaren toe. Deze wijk is wel vaker beloofd dat er dingen zouden veranderen. ‘Het belangrijkste is daarom dat we dit helemaal uitvoeren, anders verliest de wijk opnieuw het vertrouwen in de overheid.’

Poelenburg blijft het afvoerputje van de stad. Toen de gemeente in 2015 besloot vluchtelingen op te vangen, werden ze in Poelenburg ‘gedumpt’. Hoewel het plan was om vervolgens statushouders over de hele gemeente (150.000 inwoners) te verspreiden, kwam een derde in Poelenburg (8500 inwoners) en het aangrenzende Peldersveld (6000) terecht. Ook Amsterdammers die uit hun sociale huurwoning moeten en onderdak krijgen in de buurgemeente, totaal zo’n vijftien tot twintig procent van de nieuwe aanwas, komen veelal in Poelenburg terecht.

‘Er is een soort parallelle samenleving ontstaan waar de straat de baas is en niet de staat’, aldus Rot. Haar wijk drijft steeds verder af van de rest van de stad. Of die kloof niet nog groter wordt nu wethouder Straat met zijn collega’s zo vlijtig de binnenstad verbouwt? ‘Ik denk het niet’, zegt hij resoluut. ‘We moeten inderdaad goed kijken naar hoe we Poelenburg beter bij de stad betrekken, voorkomen dat het een eiland blijft. Binnenkort gaan we daar de Rotterdamwet toepassen, waarmee we woningen kunnen ontzeggen aan criminelen en overlastplegers.’

Een kilometer of drie verderop, aan de overkant van de Zaan en dicht bij het stadscentrum, is het een drukte van jewelste in De Verskade, hoewel het een doordeweekse middag is. Tussen de hippe sapbarren, ambachtelijke slager en delicatessenkraampjes die het pand biedt, lopen jonge mannen met baarden en laptops rond, druk overleggend. De posters die tegen de met gele tegels beklede muur zijn geplakt verraden dat deze foodmarket de oude Verkade-fabriek is. Een verdieping hoger huist de bibliotheek. Blanson Henkemans kan het nog steeds uittekenen: waar nu een rij met Engelse literatuur staat, stonden jarenlang zes toffeetwistmachines en op de plek waar chocoladerepen van de lopende band rolden, staan nu kinderboeken. Soms fietst hij er nog langs. ‘Ik vind het mooi hoor, begrijp me goed, maar het is niet hetzelfde als vroeger. Ach ja, als het fabrieksgebouw maar bewaard en nuttig blijft.’

Dat Zaandam het imago van grijze industriestad heeft afgeschud is ook elders opgevallen. Groepjes ambtenaren uit andere steden ondernemen excursies om te horen wat het geheim is. ‘Zij hebben natuurlijk een fantastisch verhaal te vertellen – de molens, fabrieken en de Zaanse huisjes – dat lange tijd verborgen is geweest’, zegt Tom van Dijk, projectleider stadsmarketing van Amstelveen. Hij is net terug van een bezoek aan de stad. ‘Ook wij moeten maar eens nadenken over wat ons unieke verhaal is.’

Toch zeggen de verschillende betrokkenen bij de omwenteling van Zaandam: een echte blauwdruk bestaat niet. Sterker nog, zegt wethouder Straat, het idee dat je verschillende Nederlandse steden op dezelfde manier kunt benaderen heeft er in het verleden voor gezorgd dat ze allemaal inwisselbaar en sfeerloos werden. ‘Je hoort wel eens dat Zaandam nu een Disneypark is’, zegt Van Dijk. ‘Maar je twijfelt geen moment aan waar je bent.’