Hoofdcommentaar

Gezinsminister

Wil ‘Den Haag’ eigenlijk wel een aparte minister voor Jeugd en Gezin? Die vraag dringt zich opnieuw op nu André Rouvoet van de ChristenUnie, de eerste minister die deze ‘titel’ draagt, deze week eindelijk zijn langverwachte Gezinsnota het licht heeft laten zien.
Dat uitgerekend de ChristenUnie de nieuwe ministerspost bemant, lijkt op het eerste gezicht mogelijk logischer dan het is. Rouvoet koestert vanuit zijn christelijke achtergrond weliswaar het traditionele gezin, maar diezelfde christelijke achtergrond maakt ook dat hij huiverig is voor overheidbemoeienis met dat gezin.
Soevereiniteit in eigen kring, en dus ook in eigen gezin, is voor de ChristenUnie een groot goed. Daardoor kan de ChristenUnie vanuit een totaal andere invalshoek hetzelfde standpunt innemen als bijvoorbeeld D66, dat vindt dat de overheid leefvormneutraal moet denken.
Eigenlijk symboliseert de persoon Rouvoet daarmee wat deze nieuwe ministerspost al op voorhand ingewikkeld maakt: in hoeverre mag de overheid zich bemoeien met het gezin, het laatste stukje privé-domein van de burger? Waarbij op deze plek in dit commentaar dan het gezin in zijn meest brede variant wordt bedoeld, dus niet alleen inclusief eenoudergezinnen of homoparen met kinderen, zoals Rouvoet in zijn nota doet, maar ook inclusief alleenstaanden (jong of oud) en samenwonenden zonder kinderen.
Niet dat die bemoeienis met het gezin er pas is nu er een aparte minister voor bestaat. Via de kostwinnerstoeslagen van vroeger bemoeide de overheid zich ook met het gezin, omdat die toeslagen het niet buitenshuis werken van de vrouw, en dus het huisvrouwenbestaan, financieel aantrekkelijk maakten. Ook de kinderbijslag, door iedereen heel gewoon gevonden, is in feite overheidsbemoeienis. Hetgeen ook geldt voor de al jarenlang bestaande consultatiebureaus waar ouders met jonge kinderen naartoe gaan, zodat in de gaten gehouden kan worden of de kinderen zich goed ontwikkelen.
Dat het gezin, hier weer bedoeld als een huishouden waarin kinderen opgroeien, nu zo in de politieke belangstelling staat, is een gevolg van een trits aan maatschappelijke ontwikkelingen en schokkende gebeurtenissen. Dat varieert van de toename van het buitenshuis werken van jonge moeders, het comazuipen van jongeren en het dikker worden van de jeugd tot de ontdekking dat kindermishandeling vaker blijkt voor te komen dan werd gedacht en dat er kinderen worden vermoord door de eigen ouders terwijl hulpverleners geacht werden die kinderen te beschermen.
Bij veel van die ontwikkelingen of problemen wordt vanuit de samenleving naar de overheid gekeken voor een oplossing. Het niet-mee-bemoeien was daardoor al aan het veranderen in bemoeizorg tot achter de voordeur, met alle terechte discussies daarover van dien. Dat is niet de verdienste dan wel de schuld van een minister met een christelijke achtergrond. Je zou kunnen zeggen dat het in het leven roepen van de nieuwe ministerspost eerder het gevolg is van die trend dan dat deze die trend in het leven heeft geroepen.
Nu ligt er dan sinds begin deze week de Gezinsnota van de minister die als eerste die post bekleedt. Die nota is niet alleen geschreven vanuit de hierboven beschreven huiverigheid, maar is ook doordrenkt van het probleem dat daarmee samenhangt. Rouvoet zelf verwoordde dat probleem op zijn persconferentie als volgt: als het om het gezin gaat is de rol van de overheid niet op voorhand meteen duidelijk.
Want wat is de rol van de overheid als blijkt dat er veel kinderen zijn die lijden onder de echtscheiding van hun ouders? Als steeds meer vrouwen pas na hun dertigste aan hun eerste kind gaan denken, hetgeen medische problemen of kinderloosheid tot gevolg kan hebben? Als werkgevers niet inzien dat andere werktijden het hun werknemers makkelijker maken om werk, huishouden en opvoeding te combineren, hetgeen uiteindelijk ook in het belang van die werkgevers is?
Die directe rol voor de overheid is er niet. Ingrijpen kan, terecht, niet. Dus kan Rouvoet in zijn Gezinsnota niets anders doen dan ruzie makende ouders wijzen op de mogelijkheid een cursus conflicthantering te volgen. Aandacht vragen voor wat eerst ook al heette ‘een slimme meid krijgt haar kind op tijd’. En werkgevers ertoe verleiden hun werktijden aan te passen.
Maar dat soort overheidsoptreden is niet nieuw. Dat gebeurde in het verleden bij andere maatschappelijke ontwikkelingen of problemen ook. Daarvoor had deze ministerspost niet te hoeven worden opgetuigd.
De meerwaarde van een aparte minister voor Jeugd en Gezin zou nog kunnen zijn dat allerlei gezinsproblematiek in samenhang wordt bekeken. Om zo als overheid toch met behulp van een beter gecoördineerd beleid een antwoord te vinden op de roep vanuit de samenleving om hulp bij de opvoeding van kinderen. Maar die meerwaarde is er niet.
Rouvoet slaat met zijn Gezinsnota als het ware slechts een nietje door allerlei en veelsoortig beleid dat er toch wel gekomen zou zijn en waar andere ministers over gaan. Zo is er voor dikke of dronken kinderen al een minister van Volksgezondheid. Is voor het creëren van een kindvriendelijker woonomgeving de minister van Wonen en Wijken verantwoordelijk. En is het de taak van de bewindspersonen op Sociale Zaken om met de werkgevers te onderhandelen over werktijden en verlofregelingen. Rouvoet loopt aan tegen de schotten tussen de departementen en heeft formele noch informele macht om daar doorheen te breken.
Oorzaak daarvan is dat niemand graag macht en invloed afstaat. Maar de tamelijk machteloze positie van de nieuwe minister is ook niet los te zien van de, gelukkig nog steeds bestaande, principiële huiverigheid bij politici – van links tot rechts – om de overheid zich te laten bemoeien met het gezin, ook al worstelen velen met het vinden van een nieuw evenwicht tussen afstand bewaren en ingrijpen.
Laat ‘Den Haag’ zich daarom realiseren dat het helemaal geen aparte minister voor het gezin wil en focussen op het vinden van een goed evenwicht tussen hulp bieden en de eigen verantwoordelijkheid van ouders.