Gezond als meiregen

Weerbarstig zijn de antipoëticale krachten in onze maatschappij. Zal de Kinderboekenweek (1 t/m 11 oktober) met het thema ‘poëzie’ de dichtkunst voor kinderen nieuw leven in blazen?

‘Zagen zagen, wiedewiedewagen…’ Volgens Annie M.G. Schmidt, nestor van de naoorlogse Nederlandse kinderpoëzie, is dit het begin van alle literatuur, ‘het onontbeerlijke begin’. Zij beschouwde de oude bakerrijmpjes als ‘pure poëzie’. ‘Ze dansen en zingen vanzelf en ze hebben een eigen logica, ook al bevatten ze louter nonsens’, schreef ze in haar befaamde essay Van schuitje varen tot Van Schendel (1954).
Behalve Schmidt pleitte ook de in juni overleden literatuurcriticus en essayist Kees Fens voor het opheffen van een onderscheid tussen ‘versje’ en ‘gedicht’. In zijn bloemlezing Goedemorgen, welterusten: Gedichten voor kinderen en andere volwassenen (1975) stelt hij dat ook dichters (voor volwassenen) hun lezers willen plezieren en daartoe met woorden spelen. En dat het verzinnen van een goed ‘spel’ nooit gemakkelijk is. Schmidt en Fens hadden en hebben natuurlijk gelijk.
Lees de gedichten van Schmidt, die met Han G. Hoekstra (1906-1988) tot de zogenoemde Parool-generatie behoorde en kort na de Tweede Wereldoorlog binnen de tot dan toe sentimentele, licht moralistische wereld van de kinderpoëzie met haar anarchistische houding (zowel ten aanzien van taal als van onderwerpkeuze) een ware revolutie ontketende. Of Waarom, daarom (1967) van Hans Andreus, die als gerenommeerd dichter voor volwassenen voor onafhankelijkheid durfde kiezen en zich niet ‘te goed’ voelde ook voor kinderen te dichten. Of pak Willem Wilmink erbij, die naar eigen zeggen beïnvloed is door de initiator van de kinderpoëzie Hieronymus van Alphen (1746-1803).
Gedichten van bovengenoemde grootheden weerspiegelen in onderwerpkeuze en benadering weliswaar de wereld van het kind, maar tegelijkertijd verraden ze dezelfde volwaardige kenmerken als die waarmee gedichten voor volwassenen zich onderscheiden. Toch leidt de poëzie voor de jeugd – zo klinkt het althans in kinderboekenland – een kwijnend bestaan, ondanks ideële stichtingen als Stichting Kinderen en Poëzie (www.skep.nl) en de Amsterdamse School der Poëzie (www.schoolderpoezie.nl). Een overproductie kinder- en jeugdboeken en de jacht op bestsellers drukken de kinderpoëzie in het kinderboekenverdomhoekje. Daarnaast faalt het onderwijs. Taalonderwijs moet vooral functioneel zijn. Aandacht voor poëzie is er derhalve niet.
Dat is kwalijk. Want vinden kinderen zonder dat ‘onontbeerlijke begin’ nog wel de weg naar literatuur? Alle lof daarom voor Aad Nuis die vorig jaar als voorzitter van de Griffel-jury een aparte ‘poëziegriffel’ in het leven heeft geroepen omdat ‘poëzie voor kinderen net zo wezenlijk voor de groei is als meiregen’. Alle lof ook voor boekenpropagandaclub CPNB, die dit jaar koos voor een mooi en echt inspirerend Kinderboekenweek-thema: poëzie. De stichting heeft het aangedurfd alle dichtkunst voor kinderen onomwonden in dat ene woord (poëzie) te vangen, onder het door taalkunstenaar Joke van Leeuwen bedachte veelzeggende motto ‘zinnenverzinzin’, afkomstig uit het begeleidende gedicht: ‘Soms kun je zinnenverzinzin hebben’. En zinnenverzinzin hadden ze, onze kinderboekenauteurs, getuige de stapels en stapels poëziebundels die in de boekenwinkels liggen.
Prachtig zijn bijvoorbeeld de paginagrote kleurrijke collages van beschilderd zijdepapier van de Amerikaan Eric Carle (van het wereldberoemde Rupsje Nooitgenoeg), die hij voor Dichter bij de dieren (Gottmer) maakte, ter begeleiding (of is het andersom?) van dertien speelse diergedichten van verschillende dichters. Een lust voor het oog zijn ook de paginaoverschrijdende humorvolle kleurenillustraties van Sieb Posthuma in Boven in een groene linde zat een moddervette haan (Gottmer), waarin Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen 75 dierfabels (Aesopos en Jean de La Fontaine) op rijm hebben gezet. Even noemenswaardig is de voortreffelijke cd Verdriet is drie sokken (Lemniscaat), behorend bij de gelijknamige poëziebundel van Koos Meinderts (tekst) en Annette Fienig (illustraties), met verrassend knappe arrangementen van Thijs Borsten. Afwisselende ritmes, melodieën, muziekstijlen en toonsoorten roepen, dankzij de onderscheidende akoestische instrumenten en stemmen van Fay Lovsky en Harry Jekkers, verschillende gemoedsstemmingen op.
Opmerkelijk experimenteel is het boekje Opa laat zijn tenen zien (Querido) met daarin de eerste ‘stripgedichten’ ooit: fantasierijke gedachten verwoord en verbeeld door middel van sprekende humorvolle strips van Floor de Goede en blokjes poëtische tekst van Edward van de Vendel, die overigens ook met zijn nieuwe – inmiddels derde – Superguppie-bundel (Querido) verrast en getuigt van onbevangen speelse dichtkunst. Kortom: het wordt genieten, deze Kinderboekenweek. Poëzie zal weerklinken in klaslokalen en op schoolpleinen.
Maar wat daarna? Zal al die kinderpoëzie blijvend weerklinken? Als het aan Ted van Lieshout ligt wel. Uniek en inspirerend is zijn presentatie van Querido’s Poëziespektakel 1 Kwam dat zien! Kwam dat zien!, een op het circus geïnspireerd boektijdschrift waarin vijftig dichters (van Frank Adam tot Joost Zwagerman) – bekend en onbekend, jong en oud – hun vrolijke, spannende, clowneske, droevige, hoogstaande dichtkunsten vertonen. Kunsten die per onderwerp (zwemmen, dromen, dood) aantrekkelijk worden ‘opgevoerd’ dankzij afwisselende illustraties in oranje, grijs en zwart, van 23 tekenaars.
Van Lieshouts poëziespektakel is meer dan een gewone bloemlezing. Speels, helder en instructief zijn de levendige tussenhoofdstukken waarin Van Lieshout ‘zijn’ dichters aan gewaagde vragen onderwerpt als ‘hoe schrijf je een gedicht’, ‘moet een gedicht rijmen’ en ‘wat te doen als je een gedicht niet begrijpt’. De antwoorden klinken als poëzie in de oren.
Maar is dit lovenswaardige initiatief, dit Poëziespektakel dat jaarlijks moet terugkeren, voldoende om de Nederlandse kinderpoëzie nieuw leven in te blazen?
Je kunt het je afvragen. Weerbarstig zijn de antipoëticale krachten in onze maatschappij. Psalmen en kerkliederen kent niemand nog uit zijn hoofd. Het poëziealbum is ingeruild voor het populaire vriendenboekje met suffe invuloefeningen (leeftijd, hobby’s, lievelingseten…). En het muziekonderwijs op basisscholen is teloorgegaan. Liedjes worden alleen nog tijdens het sinterklaas- en Kerstfeest gezongen. Laten we hopen dat Van Lieshout niet als een Don Quichot tegenover deze krachten komt te staan.