Doemdenken over de democratie

Gezonde gebreken

Beleeft de democratie een diepe crisis? Of is ons doemdenken ongepast? Volgens de Vlaamse journalist Joël De Ceulaer vertoont ons systeem zes fundamentele gebreken die onoverkomelijk zijn.

Boris Johnson in het Britse parlement, 4 september © UK Parliament / Jess Taylor

Bij de aanvang van alweer een essay over de democratie bestaat de kans dat u eens terdege met de ogen rolt en denkt: daar gaan we weer! Een begrijpelijke reactie. Er staat al enige tijd geen rem meer op de onheilstijdingen over dat prachtige systeem dat wij hebben geërfd om onszelf te besturen. Er leeft een breed gedragen gevoel dat de democratie en de politici die haar bevolken, aan het ontsporen zijn. Niet alleen in de Verenigde Staten, waar redelijke mensen hun adem inhouden tot het rijk van Donald Trump voorbij is, maar ook in Europa, in België en Nederland.

Op zich is dat niet vreemd. Doemdenken is aantrekkelijk. De klimatoloog waarschuwt ons voor de vernieling van de planeet, de viroloog voor een wereldwijde pandemie, de econoom voor een recessie die nog harder zal toeslaan dan de vorige. En de experts inzake democratie waarschuwen ons, vanzelfsprekend, aldoor voor de crisis van de democratie.

Maar hebben ze gelijk? Bevindt de democratie zich in een diepe crisis? Op zoek naar een antwoord op die vraag dook ik de voorbije twee jaar de bibliotheek in en stuitte op zes tekortkomingen van ons systeem, die er volgens mij toe leiden dat de democratie haast permanent, en onvermijdelijk, in de problemen zit. Dat neemt niet weg dat er – de fameuze quote van Winston Churchill indachtig – alsnog geen beter systeem bestaat om mensen, ondanks de vele verschillen, vreedzaam met elkaar te laten samenleven. Wij moeten de democratie in al haar onvolmaakte glorie opnieuw leren omarmen.

Om begripsverwarring te vermijden begin ik met een definitie. Wat we meestal bedoelen als we het kortweg over ‘democratie’ hebben, bestaat eigenlijk uit twee componenten: wij leven in een ‘democratische rechtsstaat’. Dat systeem is ‘democratisch’ omdat het volk zichzelf bestuurt, en het is een ‘rechtsstaat’ omdat de rechten van ieder individu worden beschermd. Die twee componenten – de stem van het volk en de rechten van het individu – kunnen met elkaar botsen: een democratische meerderheid kan ongenadig zijn voor minderheid en individu. Daarom is het goed om ze van elkaar te onderscheiden. Een vitale democratie kan gevaarlijk zijn voor de rechtsstaat; een liberale constructie die zich buiten het bereik van de kiezer bevindt, is dan weer slecht nieuws voor de democratie.

De democratische rechtsstaat, oftewel de liberale democratie, bevindt zich niet zozeer in een uitzonderlijke crisis, maar op een moment van herverkaveling en heronderhandeling. Het politieke landschap, de representatieve democratie, wordt door de kiezer herverkaveld. De aard van de rechtsstaat, de relatie van meerderheid en individu, wordt heronderhandeld. Men kan dat betreuren, maar het is niet anders. Het is een vaststelling. We naderen geen eindpunt, we maken een verklaarbare evolutie door.

In Hoera! De democratie is niet perfect licht ik zes gebreken van het systeem toe – meer bepaald van de democratische component ervan – die geen bugs of mankementjes zijn die kunnen worden gefikst, maar features of eigenschappen die er onlosmakelijk bij horen.

1. De democratie is onbevredigend

Alexis de Tocqueville zag dat bijna twee eeuwen geleden al. Toen de Franse aristocraat na een reis door de Verenigde Staten Over de democratie in Amerika (1835-1840) publiceerde, voorspelde hij dat de drang naar gelijkheid onvermijdelijk zou overwaaien naar Europa. Maar hij waarschuwde meteen voor een cruciaal neveneffect: ‘Men moet beseffen dat democratische instellingen het gevoel van afgunst in het menselijk hart tot zeer grote ontwikkeling brengen’, schreef hij. ‘Dat is niet zo omdat zij aan eenieder de middelen bieden om anderen te evenaren, maar omdat deze middelen voortdurend tekortschieten. Democratische instellingen wekken de hartstocht voor gelijkheid op en wakkeren die aan, zonder hem ooit volledig te kunnen bevredigen.’

Honderd jaar na Tocqueville schreef auteur Menno ter Braak, die zelfmoord pleegde toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen, een klassiek essay over boosheid en rancune, dat een vergelijkbare stelling bevat. Met Het nationaal-socialisme als rancuneleer (1937) wilde Ter Braak waarschuwen voor de opkomst van het nationaal-socialisme in Nederland. Het centrale kenmerk van dat nationaal-socialisme was volgens Ter Braak de rancune. De nsb-kiezer was een wrokkige kiezer, een raté, iemand die zich verongelijkt en gefrustreerd voelde. Maar Ter Braak vond dat minder verrassend dan men op het eerste gezicht zou denken. Niet alleen de nsb-kiezer, iederéén is volgens Ter Braak vatbaar voor rancune. ‘De rancune behoort tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur’, schrijft hij. ‘Zij is er onverbrekelijk aan verbonden. Zij is alomtegenwoordig.’

De rancune maakt niet alleen deel uit van onze democratie, aldus Ter Braak, zij wordt zelfs ‘aangemoedigd als een mensenrecht’. En dat maakt de democratie diep onbevredigend. In een democratie is gelijkheid immers een theoretisch ideaal, dat praktisch totaal onhaalbaar is. Mensen leven in de overtuiging dat ze gelijke rechten hebben, maar zien dat daar niets van terechtkomt. Het gevolg daarvan is onvermijdelijk: rancune. Het nationaal-socialisme verheft die rancune alleen maar tot officiële leer. Het is, schrijft Ter Braak, de rancune ‘van allen tegen allen, van de rijken tegen de armen, van de armen tegen de rijken’.

Het aanpakken van misstanden zal de rancune nooit uit de wereld helpen, omdat er altijd nieuwe misstanden opduiken. Ook neerkijken op de rancuneuzen is voor Ter Braak uit den boze: ‘Een dergelijke strijd zal een geheel nieuwe tactiek eisen. Men zal bijvoorbeeld moeten beginnen met minder geringschattend te spreken over “het troepje ratés”, want de omvang van de reservoirs van latente rancune kan men nooit overschatten.’

Ook vandaag is het vooral de rechtse boosheid die nogal snel wordt weggezet als treurige ‘rancune’ – denk aan hoe Hillary Clinton in 2016 supporters van Donald Trump ‘deplorables’ noemde – terwijl linkse boosheid doorgaans ‘verontwaardiging’ heet. Rechtse boosheid is rancuneus, linkse boosheid is rebels. Dat zijn twee maten en gewichten die Sjaak Koenis, hoogleraar sociale filosofie aan de Universiteit Maastricht, toelicht in De januskop van de democratie. Het onderscheid vindt hij weinig vruchtbaar. Boosheid is boosheid. En ook als die uit populistische hoek komt, vormt ze voor Koenis geen bedreiging van de democratie, maar wijst ze op een revitalisering ervan. De democratie hoeft dan ook niet gered te worden met loting of deliberatie of welke nieuwe modieuze ideeën dan ook, nee: we moeten gewoon aanvaarden dat boosheid erbij hoort. ‘Ook als de raderen van de democratie wrijvingsloos in elkaar grijpen, zal de democratie boosheid voortbrengen’, schrijft Koenis.

Dat lijkt mij correct. Boosheid is de brandstof van het systeem. Als iedereen tevreden was, hoefden we geen verkiezingen meer te organiseren.

***

2. De democratie is ongrijpbaar

In een ziekenhuis zouden we het niet aanvaarden, in de politieke wetenschappen is het blijkbaar mogelijk: een patiënt tegelijk doodziek én kerngezond verklaren. Van elke onheilspellende diagnose kan evengoed het tegendeel worden beweerd. Neem nu wat mijn landgenoot David Van Reybrouck in zijn boek Tegen verkiezingen (2013) het ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’ noemt. De vier centrale symptomen zijn: de dalende opkomst bij verkiezingen, de leegloop van politieke partijen, de volatiliteit of wispelturigheid van de kiezer en de permanente verkiezingskoorts. Dat deze symptomen waarneembaar zijn, is duidelijk. Politieke partijen hebben steeds meer moeite om leden te werven. De kiezer is wispelturiger dan vroeger. En jawel, politici leven met permanente verkiezingskoorts.

‘Ook als de raderen van de democratie wrijvingsloos in elkaar grijpen, zal ze boosheid voortbrengen’

Maar beleven we daarom een crisis van de democratie? Volgens mij kun je dat net zo goed anders bekijken. Dat minder mensen lid worden van een politieke partij is wellicht gezond. Wie lid wordt van een partij, identificeert zich met een club en zal bij het volgende bezoek aan de stembus minder dan ooit een keuze maken op strikt rationele gronden, en meer dan ooit om zijn gehechtheid aan de club uit te drukken – my team, wrong or right. Leden zijn geen kiezers meer, maar eigenlijk militanten, en de vraag is of we dat nodig hebben voor een gezonde democratie. Wie is het beste in staat om te oordelen over de kwaliteit van Feyenoord en Ajax? De supporters, die hun respectieve teams steunen in goede en kwade dagen? Of de neutrale waarnemer, die met geen van beide teams een band heeft?

Dat de kiezer wispelturiger is dan vroeger, lijkt mij ook niet per se een groot probleem. Toen hij nog lid was van de partij, en van wieg tot graf binnen de grenzen van de eigen zuil leefde – nee, toen was de kiezer niet volatiel. Zoals het koningschap van generatie op generatie wordt overgegeven, zo werd ook stemgedrag lang van generatie op generatie overgeërfd. Vandaag is de kiezer dan wel wispelturig, maar ook eerlijk en ontvoogd.

Wie de dalende opkomst als een probleem wil zien, moet nu zijn pessimisme staken. De neerwaartse trend, waar Van Reybrouck zich zorgen over maakt, is aan het keren. Zowel bij de laatste landelijke verkiezingen in Nederland, Spanje en Duitsland als bij de laatste Europese verkiezingen lag de opkomst hoger dan bij de daaraan voorafgaande stembusgangen. Zelfs wie de thesis van Van Reybrouck volgt, moet hier tot de conclusie komen dat de democratie erop vooruitgaat.

Permanente verkiezingskoorts lijkt mij dan weer ondubbelzinnig gezond. Vroeger konden grote partijen besturen met de voeten op tafel en de handen achter het hoofd. Behoudens een paar procentjes verlies en de occasionele oppositiekuur kon hun weinig gebeuren. Vandaag moeten de traditionele partijen, de machtspartijen van weleer, vechten om te overleven. De wispelturige kiezer heeft andere partijen groot gemaakt, van links tot rechts. In Vlaanderen: van Groen tot n-va en Vlaams Belang. In Nederland: van GroenLinks tot Forum voor Democratie. Nieuwe breuklijnen in de samenleving, van identitair tot ecologisch, werden door de wispelturige kiezer vertaald naar een herschikking van het partijlandschap.

Dat is ook logisch, gezien het feit dat de basisbeloftes van de drie traditionele ideologieën in onze West-Europese democratieën grotendeels zijn waargemaakt. De verschillen tussen liberalen, sociaaldemocraten en christendemocraten zijn flinterdun. Heel anders is dat met partijen die inspelen op de nieuwe uitdagingen: globalisering, migratie, diversiteit, klimaat – op die onderwerpen heeft zich een nieuwe politieke as gevormd, waarop de klassieke partijen niet altijd even duidelijk positie kiezen.

In het licht van de nieuwe uitdagingen wordt het ideologische landschap momenteel dus heraangelegd door de kiezer. Maar is de democratie dan ziek? Of juist springlevend? Lijkt mij opnieuw een retorische vraag. Het nieuwe politieke landschap weerspiegelt een nieuwe realiteit, met dank aan die goede oude representatieve democratie.

***

3. De democratie is onrechtvaardig

Er is één probleem waarover zowat iedereen het eens is: de democratie kampt met uitholling. Dat lagere ledenaantal, die grotere wispelturigheid, die teloorgang van de zuilen – tot daaraan toe. Een echte bedreiging voor de democratie is de evacuatie van cruciale thema’s naar niveaus waar die democratie geen vat op heeft.

Het is een van de belangrijkste vraagstukken van deze tijd, waar heel wat politieke discussies uit voortvloeien. Onze nationale democratieën hebben veel soevereiniteit overgedragen – aan de Europese Unie, maar ook aan andere supranationale en internationale instellingen. Universele mensenrechten, Europese begrotingsdiscipline, handelsakkoorden, enzovoort: onze lokale volksvertegenwoordigers hebben daar nog maar weinig greep op. De democratie is zo in hoge mate uitbesteed geraakt aan een anonieme technocratie. Dat is ongezond.

De populistische golf die sinds de Brexit, de verkiezing van Donald Trump en de opmars van EU- en migratiekritische partijen over het Westen rolt, heeft in de grond te maken met de strijd tussen het nationalisme van de soevereine volkeren en het kosmopolitische beleid van de Europese Unie en andere internationale instellingen. De botsing die daaruit voortvloeit, kan leiden tot onrechtvaardigheid – wie een blik werpt op het Europese migratiebeleid van de voorbije jaren hoeft daarvan allicht niet overtuigd te worden. Wat niemand een paar jaar geleden nog voor mogelijk hield, gebeurt vandaag volop: mensenrechten en bijbehorende internationale conventies worden openlijk ter discussie gesteld.

De spanning die wij gadeslaan, is die tussen het soevereine volk, dat op democratische wijze het eigen lot in handen wil houden, en de liberale traditie die te allen tijde grondrechten wil beschermen. Het is de spanning tussen de macht van de meerderheid en de vrijheid van de minderheid en het individu. Van die spanning denken velen dat ze finaal is opgeheven in de democratische rechtsstaat, maar dat blijkt niet zo te zijn. Terwijl het politieke landschap wordt herverkaveld, wordt de relatie tussen de twee componenten van ons systeem volop heronderhandeld. Aan de ene kant van de onderhandelingstafel zitten nationalisten en populisten. Zij aanvaarden niet dat rechters zich beroepen op internationale verdragen om, bijvoorbeeld, vormen van nationaal migratiebeleid in te perken. Aan de andere kant van de tafel zitten de liberale, kosmopolitische denkers die een wereld beogen waarin iedereen dezelfde rechten heeft.

Het verzet tegen het kosmopolitische liberalisme kan een linkse en een rechtse vertaling krijgen. Rechts wil minder migratie en minder mensenrechten, links wil minder neoliberalisme en minder begrotingsdiscipline. In Italië kwamen die twee stromingen even samen in de ondertussen opgedoekte coalitie van Lega en de Vijfsterrenbeweging. Links en rechts vonden elkaar op een van de nieuwe breuklijnen: natiestaat versus EU.

Als ik ergens voor op mijn hoede ben, is het ón­verdeeld­heid, consensus, totale eens­gezindheid

Het is de Nederlandse politicoloog Cas Mudde, verbonden aan de universiteit van Georgia (VS), die deze botsing scherp heeft geanalyseerd – de botsing tussen het ‘ondemocratische liberalisme’ van instellingen als de EU, en de ‘illiberale democratie’ van leiders als de Hongaarse premier Viktor Orbán, die daar een gevolg van is. ‘Ondemocratisch liberalisme is niet de oplossing voor de illiberale democratie, het is er de belangrijkste oorzaak van’, aldus Mudde vorig jaar in The Guardian. Daarom, schreef hij nog, ‘moeten we belangrijke thema’s opnieuw politiseren, en de ideologie opnieuw introduceren in de politiek’. Zijn Amerikaanse collega Yascha Mounk maakt in The People vs. Democracy (2018) hetzelfde punt: Mounk vindt dat populisten ‘diep democratisch’ zijn, maar tegelijk ‘diep illiberaal’.

Ook dit fundamentele gebrek van de democratie ontwaarde Tocqueville trouwens al in de prille Verenigde Staten. Een massa met macht kan gevaarlijk zijn, wist hij – Tocqueville had het over de ‘tirannie van de meerderheid’. Dat maakt democratie, in de smalle betekenis van het woord, ten diepste onrechtvaardig.

***
Lodewijk Asscher, Jesse Klaver en Rob Jetten (v.l.n.r.) tijdens de eerste dag van de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer, 18 september © Phil Nijhuis / HH

4. De democratie is onverzoenlijk

Het is iets waarover ik mij kan blijven verbazen. Hoe zwaar journalisten tillen aan politieke verdeeldheid. Sla er de krantenkoppen van de voorbije jaren maar eens op na en u zult zien: over welk land u de berichtgeving ook volgt, de verdeeldheid is er groter dan ooit. Neem het Verenigd Koninkrijk: dat noemt u, sinds de Brexit, maar beter het Verdeeld Koninkrijk. Of neem de Verenigde Staten: die zijn, sinds de verkiezing van Donald Trump, uiteraard enorm diep, misschien wel hopeloos verdeeld. Ook in landen waar minder schokkende referenda of verkiezingen hebben plaatsgegrepen, neemt de verdeeldheid toe.

Ik slaag er niet in om deze wurgende bezorgdheid van veel van mijn collega’s te delen. Als politieke verdeeldheid wordt opgeheven bestaat de democratie niet meer. In China of Noord-Korea zullen kranten er zelden de aandacht op vestigen dat de natie verdeeld is over deze of gene beleidsmaatregel. Als ik ergens voor op mijn hoede ben, is het ónverdeeldheid, consensus, totale – ik schreef bijna: totalitaire – eensgezindheid.

Dat inzicht dank ik aan de sociale psychologie – waarover dadelijk meer – en aan mijn landgenote, politiek filosoof Chantal Mouffe. Verdeeldheid is eigen aan wat zij ‘het politieke’ noemt, de politieke dimensie van het bestaan. Het politieke, en bijgevolg ook de democratie, impliceert volgens haar conflicten die niet rationeel kunnen worden opgelost. De visie van Mouffe botst met die van twee andere reuzen van de politieke filosofie: wijlen John Rawls en de nu negentigjarige Jürgen Habermas. Zowel Rawls als Habermas zocht een procedure die ons met rationele en morele argumenten naar een consensus zou kunnen leiden. Voor Chantal Mouffe is dat niet mogelijk. De politieke strijd staat los van ratio en moraliteit – hij is een dimensie op zich.

In een democratie staat volgens Mouffe niet de consensus centraal als na te streven ideaal, maar het conflict, als realistisch uitgangspunt. Toen ik haar in 2009 ontmoette, zei ze daarover: ‘Zonder conflict zouden we geen politiek nodig hebben, dan konden we al onze problemen uitbesteden aan experts en technocraten.’ Eerder dit jaar, bij onze tweede ontmoeting, ging ze daarop door. In een democratie, legde ze nog eens uit, woedt altijd een politieke strijd die niet rationeel kan worden beslecht. ‘Die vorm van verdeeldheid zullen we nooit overstijgen. Dat is onmogelijk.’

Een van de functies van de democratie is volgens Mouffe het wegnemen van potentiële gewelddadigheid. Door het conflict weliswaar intens te beleven, in het volle besef dat het nooit in een consensus zal uitmonden, maar op vreedzame wijze.

Die visie van Mouffe verraadt een donker mensbeeld, en het lijkt mij verstandig om daarvan uit te gaan. ‘Als mensen engelen waren’, schreef de Amerikaanse founding father James Madison in The Federalist Papers, ‘dan zou een overheid niet nodig zijn.’

Om te begrijpen waar onze politieke verdeeldheid vandaan komt, moeten we ons wenden tot de sociale psychologie. Volgens de Amerikaanse hoogleraar Jonathan Haidt, auteur van The Righteous Mind, heeft onze politieke oriëntatie veel te maken met de ongelijke verdeling van morele intuïtie. Haidt vergelijkt onze morele gevoeligheid met onze smaakpapillen, waarvan we er allemaal vijf hebben. Onze morele papillen kunnen geen vijf maar zes smaken onderscheiden. En net zoals we niet allemaal van hetzelfde voedsel houden – vanwege persoonlijke of culturele verschillen – zo kunnen we ook morele kwesties verschillend beoordelen. De zes dimensies waarbinnen we morele kwesties bekijken, zijn: zorg versus schade, eerlijkheid versus bedrog, loyaliteit versus verraad, autoriteit versus ongehoorzaamheid, heiligheid versus ontering en vrijheid versus onderdrukking.

We proeven dezelfde werkelijkheid, maar onze smaakpapillen zijn anders afgesteld. Vandaar de vaak oeverloze meningsverschillen. Zelfs met identieke morele gevoeligheden komen we er vaak niet uit. Denk aan een van de belangrijkste debatten van vandaag: de progressieve kiezer vindt de bescherming van vluchtelingen essentieel, de conservatieve kiezer vindt de bescherming van de eigen gemeenschap essentieel. Als we geen vluchtelingen opvangen, wordt de een boos; als we wél vluchtelingen opvangen, ontsteekt de ander in toorn. Wie zo’n debat wil winnen, moet de macht grijpen door zoveel mogelijk mensen tot een stem te verleiden. Want met een rationele dialoog à la Habermas gaat het niet lukken. Mensen zullen altijd verdeeld blijven over hoe de publieke zaak het best wordt bestuurd.

***

5. De democratie is onverstandig

De wellust waarmee sommigen de crisis of het einde van de democratie afkondigen, is niet onschuldig, maar doet de waardering voor het systeem slinken. De politicoloog Daniel A. Bell schrijft in The China Model dat er in het Westen ‘een normatieve opening’ ontstaat om het eens over alternatieven te hebben. In zijn boek bepleit hij de Chinese meritocratie, waarbij leiders niet worden verkozen maar worden aangeduid op basis van bekwaamheid en verdiensten.

Nog los van de vraag of de Chinese dictatuur wel zo meritocratisch is (spoiler: niet echt), heeft Bell met die ‘normatieve opening’ een punt. In het klimaatdebat, bijvoorbeeld, vertolken steeds meer stemmen de overtuiging dat de democratie niet bij machte is om iets aan dat probleem te doen. Pieter Leroy, emeritus hoogleraar aan de Radboud Universiteit, zei onlangs in het Vlaamse weekblad Knack: ‘Je moet constateren dat een aantal kenmerken van onze democratie – gericht op de korte termijn, particratisch en nationaal georganiseerd – incompatibel zijn met de wereldwijde langetermijnaanpak die nodig is.’

Misschien, zo betoog ik in mijn boek, is de échte crisis van de democratie wel dat zo veel intellectuelen er niet meer in geloven. Zelfs Plato, de Griekse wijsgeer die gruwde van zelfbestuur, maakt een comeback. In Against Democracy pleit de Amerikaanse politieke wetenschapper Jason Brennan voor de invoering van de epistocratie – waarin niet het volk (‘demos’) zichzelf bestuurt, maar de slimmeriken met de meeste kennis (‘epistèmè’).

Niemand zal ontkennen dat elke volwassen democratie vaak belabberde beslissingen neemt, die op wetenschappelijke grond of op basis van voorbije ervaringen eigenlijk onverantwoord zijn. Het is de rode draad door mijn betoog: ons systeem is onbevredigend, onrechtvaardig, onverzoenlijk. En onverstandig. De wetenschap is een methode die ons in staat stelt om de waarheid steeds dichter te benaderen, de democratie is een methode om geweldloos samen te leven ondanks grote verschillen. De wetenschap brengt kennis, de democratie vrede.

Als de burger Jan verkiest boven Bart, en Bart boven Gert, dan verkiest hij niet per se Jan boven Gert

Volgens Jason Brennan moet dat beter kunnen. Als we de slimste en best geïnformeerde burgers beslissingen laten nemen. Want de kiezer heeft macht over leven en dood van alle andere burgers. En die kiezer is al te vaak onwetend, ongeïnteresseerd, misleid of ronduit kwaadaardig. Dat kunnen we, vindt Brennan, toch niet blijven verdedigen. Hij geeft toe dat de vreedzame machtsoverdracht een mooie verworvenheid is, net als het feit dat democratieën geen hongersnoden of massamoorden kennen. Toch deugt het beleid vaak niet, vindt hij, en dat is te wijten aan de kiezer. Het recht om te stemmen, aldus Brennan, zou zoiets moeten worden als het recht om met de auto te rijden, of het recht om de geneeskunde uit te oefenen.

Weg met de democratie, dus. Brennan wil minder politiek – laat dat maar aan de slimmeriken over, en lig er verder niet te veel van wakker. Hij is tegen politiek conflict. We kunnen hem niet in het kamp van Rawls plaatsen, hij past niet in de traditie van Habermas, en toch streeft ook Brennan naar een procedure om de angel uit onze politieke conflicten te halen: laat de mensen met de meeste kennis beslissen. Dat staat vooral haaks op de visie van Chantal Mouffe, die conflict wenselijk en onvermijdelijk vindt.

Brennan wil minder passie en politiek, omdat we elkaar anders te lijf zouden gaan. Mouffe wil meer passie en politiek, omdat we elkaar anders te lijf zouden gaan. Brennan wil de verdeeldheid onder de mat vegen en vervolgens de slimsten laten beslissen, Mouffe wil de verdeeldheid aan het licht brengen, zodat we onze conflicten politiseren en dus vreedzaam beleven, met woorden en politiek theater, maar zonder geweld.

Voor Brennan is de epistocratie geen gedachte-experiment maar een bloedernstige zaak. Politieke macht is macht over het lichaam van andere mensen en dus kan die macht niet zomaar aan iedereen in gelijke mate worden toebedeeld. Maar gelijkheid is de essentie van de democratie. Dat Brennan wel de vrijheid blijft verdedigen – hij wil free speech en een liberale rechtsorde voor iedereen – doet niets af aan zijn fatale vergissing.

Gelijkheid opdoeken is onwenselijk. Ik ben het op dit punt eens met wijlen de Amerikaanse filosoof Robert Nozick: ‘We stemmen gedeeltelijk als een uitdrukking en symbolische bevestiging van onze status als autonome en zelfsturende wezens, wier overwogen oordelen of zelfs opinies hetzelfde gewicht moet worden gegeven als die van anderen.’

***

6. De democratie is onmogelijk

In de week na de verkiezing van Donald Trump maakte een bizarre vorm van zelfkritiek zich meester van een aantal journalisten. Welke signalen hadden ze over het hoofd gezien? Was hun wereldbeeld te links, te smal, te progressief? In elk geval zouden ze voortaan meer acht moeten slaan op het ongenoegen van de populistische kiezer, waar dat ook vandaan kwam, want kennelijk waren die lui in staat om een halve gek op het schild te hijsen.

Maar die journalistieke zelfgeseling was nergens voor nodig, want Trump hééft Hillary Clinton in zekere zin niet verslagen. Clinton haalde bijna drie miljoen stemmen meer dan Trump – ongeveer 65 miljoen tegen ongeveer 62 miljoen. De popular vote, zoals die heet, had ze dus met vlag en wimpel gewonnen. Trump is niet verkozen omdat hij de populairste was, maar omdat het Amerikaanse systeem zo raar in elkaar zit: de president wordt verkozen via een zogeheten kiescollege, waarnaar elke staat een x-aantal kiesmannen afvaardigt, met een compensatie voor de kleine staten. Trump is wel president geworden maar je kunt niet zeggen dat hij de populairste kandidaat was, als ‘populairste’ betekent wat we daar doorgaans onder verstaan: die met de meeste stemmen van de bevolking.

Het is erg uitzonderlijk dat een kandidaat die de popular vote verliest president wordt. De vorige twee keren dat die merkwaardigheid zich voordeed was in 1888, toen Democraat Grover Cleveland verloor van Republikein Benjamin Harrison, en in 2000, toen Democraat Al Gore het moest afleggen tegen Republikein George W. Bush.

Dat kiescollege is uniek voor de Verenigde Staten, maar de presidentsrace tussen Gore en Bush vertoonde nog een andere bijzonderheid die het resultaat sterk beïnvloedde, en die is niet uniek voor de VS. Gore werd niet alleen gedwarsboomd door dat rare systeem met het kiescollege, hij werd ook benadeeld doordat er geen twee maar drie kandidaten waren: hijzelf, Bush en ook nog de groene kandidaat Ralph Nader – die heeft Bush geholpen, omdat hij de progressieve stemmen verdeelde. Nader heeft het voor Gore verpest. Hij was, in het jargon, de spoiler. Zonder Nader had Gore wellicht gewonnen.

De vraag is nu: waarom laat het systeem zoiets toe? Schort er dan iets aan het systeem? En zo ja, kan dat hersteld worden? Het antwoord op de eerste vraag is ‘ja’, op de tweede ‘nee’. Welk systeem je ook kiest om de democratie te organiseren, er zal altijd iets aan schorten. Iets fundamenteels, dat onherstelbaar is. De democratie is in zekere zin logisch onmogelijk. Er bestaat geen eenduidige, coherente manier om de individuele voorkeuren van een populatie te vertalen naar een collectief beleid.

Zeker als er drie of meerdere keuzemogelijkheden voorliggen, is dat het geval. Dat werd bewezen door wijlen de Amerikaanse econoom Kenneth Arrow, die daar in 1972 de Nobelprijs voor kreeg. De ‘onmogelijkheidsstelling’ van Arrow toont aan dat er bij de keuze uit drie alternatieven een cirkel kan ontstaan. Iedereen herinnert zich het concept transitiviteit uit de wiskundeles: de relaties ‘rijker dan’ en ‘groter dan’ zijn transitief. Als u rijker bent dan uw buurman, en uw buurman is rijker dan uw bakker, dan bent u rijker dan uw bakker. En als Jan groter is dan Bart, en Bart is groter dan Gert, dan is Jan groter dan Gert. Intuïtief gaan de meesten onder ons ervan uit dat die transitiviteit ook in de democratie wel zal gelden. Als de burger Jan verkiest boven Bart, en Bart boven Gert, dan zal hij Jan boven Gert verkiezen.

Maar dat klopt dus niet. Het is perfect mogelijk dat de kiezer Jan prefereert boven Bart, Bart boven Gert, maar Gert dan toch weer boven Jan. De huis-tuin-en-keukenversie van deze paradox is het spel steen-schaar-papier: de steen slaat de schaar kapot, de schaar knipt het papier kapot, maar het papier kan op de steen gaan liggen. Dat kan ook gebeuren in het stemhokje, waardoor niemand een zinnig antwoord kan geven op de vraag wat de kiezer nu eigenlijk wil. De stelling van Arrow zette de democratie schaakmat.

Dat het geen theoretische discussie is, bewees de Brexit. Eind 2018 bleek dat de paradox van Arrow daarop van toepassing was, bij de keuze tussen de deal van Theresa May (a), No Deal (b) of geen Brexit ©. Het Lagerhuis verkoos (a) boven (b) boven © boven (a), enzovoort. Op de vraag wat die Britten nu eigenlijk écht willen, is geen antwoord mogelijk.

De handdoek moet in de ring, zo lijkt het wel. Er is geen enkel kiessysteem dat perfect is, dat geen potentiële valkuilen vertoont. De Amerikaanse schrijver Richard Poundstone, die met Gaming the Vote een prachtboek schreef over deze wiskundige flank van de democratie, ziet er zowel de ernst als de humor van in: ‘De belangrijke beslissingen in onze vrije samenleving vloeien voort uit de gezamenlijke vorm van oplichterij die wij stemmen noemen.’


Dit essay biedt een overzicht van de stellingen die Joël De Ceulaer, senior writer bij de krant De Morgen, belicht in zijn boek Hoera! De democratie is niet perfect. Verdediging van een onvolmaakt systeem, Lannoo, 272 blz., € 19,99