Gezongen wanhoop

Adembenemend en beeldschoon is de voorstelling die De Nationale Opera nu heeft gemaakt van de Gurre-Lieder van Arnold Schönberg (1874-1951).

Medium large gurrelieder018222
© Ruth Walz

In de publiciteit voor de eerste geënsceneerde voorstelling van dit muziekstuk in honderd jaar lag de nadruk erg op de monumentaliteit, de massaliteit, de overweldigende klank. Ook al zouden er bij dno nog maar 235 zangers en musici meedoen en geen 757 zoals op de première in 1913. Het is ook een tragisch en zwaar-romantisch verhaal, dat de in het Duits vertaalde gedichten van de Deen Jens Peter Jacobsen waar de liederen op zijn gebaseerd vertellen: de middeleeuwse Deense koning Waldemar IV wordt gek als zijn geliefde Tove in opdracht van de echtgenote wordt vermoord, hij vervloekt God en gaat zelf aan het door hem ontketende geweld ten onder.

Het verbazingwekkende was dat chef-dirigent Marc Albrecht van het Nederlands Philharmonisch Orkest het enorme orkest eerder liet klinken als een kamermuziekensemble, waarbij elk instrument helder te horen was en dat Schönbergs muziek zo subtiel en geschakeerd klonk, eerder Debussy dan Wagner. Van Schönberg is bekend dat hij geïrriteerd was door het grote succes van de uitgestelde première in Wenen in 1913, het grootste succes dat hij ooit had gekend of ooit zou kennen; hij was intussen met zijn denken al weer verder in de richting van de atonale muziek, die zijn kenmerk werd.

Het was ook het idee van dirigent Marc Albrecht, die het stuk al enige malen heeft uitgevoerd, dat het heel goed als opera geënsceneerd zou kunnen worden uitgevoerd. Zelf ziet hij er altijd veel beelden bij en hij veronderstelt dat het publiek dat ook zou doen: beelden van een ridder op een paard, een kasteel in een dorpje, een gigantische jachtpartij. Gelukkig heeft Pierre Audi dat als regisseur heel anders aangepakt. Hij laat ons een schitterende ruimte zien, misschien een vervallen kasteelzaal, misschien een kapot gebombardeerde fabriek (decor: Christof Hetzer), dat er bij veranderde belichting steeds anders uitziet (licht: Jean Kalman) met geheimzinnige projecties (video: Martin Eidenberger), waardoor je vaak niet goed weet waar je naar zit te kijken. Waar komen die witte schaduwen op de muren vandaan? Hoe kan een echt boompje zomaar zijn bladeren verliezen?

Maar in dit vreemde universum zien we, zoals Audi dat kan, heel gewone, herkenbare mensen. Waldemar (Burkhard Fritz) kan ook een kantoorchef zijn, als hij samen met Tove (Emily Magee) wakker wordt in hun overspelig bed. Wat ze prachtig zingen is niet helemaal in overeenstemming met de situatie. Misschien roepen ze in de ochtend de vorige avond en nacht in herinnering terug. Misschien beleven ze na de dood samen hun liefde nog eens. We horen nu pas dat de witte militair (Wolfgang Ablinger-Sperrhacke) de hofnar is, maar tegelijk is hij de geest van een soldaat uit de Eerste Wereldoorlog. Er komt een Woudduif (Anna Larson) de dood van Tove aankondigen, zij kan ook een wraakengel zijn of de in het zwart geklede koningin.

Audi geeft ons beelden, zet ons aan het denken en associëren, maar beslist niet wat we ervan moeten vinden. Daardoor wordt de wanhoop van Waldemar zeer invoelbaar. Aan het einde ligt hij te creperen op zijn bed en verschijnt Tove ongeschonden tussen het koor dat de opkomst van de zon bezingt. Misschien is niet zij, maar Waldemar stervende of: is niet soms degene die doorleeft doder dan degene die gestorven is? Ik vond deze Gurre-Lieder overweldigend, nu al het hoogtepunt van dit operaseizoen.


Gurre-Lieder van Schönberg; t/m 5 mei 2018 in de Stopera, Amsterdam.