Gezwinde mathematicus

De belangrijkste tentoonstellingen zijn niet steeds de mooiste. Notoir moeilijk gezicht te geven zijn architectuurtentoonstellingen. Gedwongen door de flink toegenomen publieke belangstelling voor bouwkunst grazen samenstellers en vormgevers de meest verscholen weitjes af in het Alptraumlandschaft van de fantasie om een expositie, bij ontstentenis van de objecten zelf, te laten uitstijgen boven een wand foto’s en bouwtekeningen.

De maquette is een sine qua non, in populariteit al gepasseerd door reconstructies op ware grootte van kamers en andere kleine binnenruimten. Ook de ruimte waarin tentoongesteld wordt, voegt waarde toe. Dat Jacob van Campen wordt toegelicht in de galerijen van zijn eigen stadhuis van Amsterdam (1648- 1665), geeft zowel de expositie als het gebouw zelf een stoot opwaarts. Dank zij de erg laag en dun gehouden tentoonstellingswandjes krijgen Burgerzaal en galerijen een onverwacht monumentaal effect, waarmee ze ver boven de menselijke maat lijken uit te stijgen.
Die menselijke maat werd daarentegen juist nagestreefd door Van Campen en zijn medeclassicisten in de Nederlanden. In navolging van Italiaanse interpretaties van Vitruvius’ tien boeken over de bouwkunst pasten zij de klassieke bouworden toe in een maatvoering gebaseerd op de proporties van het menselijk lichaam. De mens was immers de belangrijkste schepping van God, en het lichaam dus de duidelijkste openbaring van het goddelijke metrum waar de hele Schepping op danste.
Kunsten en wetenschappen vonden elkaar in deze periode in de gemeenschappelijke opgave Gods schepping te doorgronden. Het was evident dat zulk een belangrijke taak niet langer kon worden toevertrouwd aan de steenhouwers en timmerlieden die tot dan toe de Nederlanden hadden volgebouwd. Aan Vitruvius’ vereiste dat een architect wel over wat praktische kennis moest beschikken maar in de eerste plaats een man van vele intellectuele vaardigheden moest zijn, werd rond 1620 tegemoetgekomen. De belangrijkste architecten van het zogenaamde Hollands classicisme - Van Campen, Salomon de Bray, Philip Vingboons en Pieter Post - hadden allen een opleiding tot kunstschilder genoten. Vooral de faam van Van Campen verbreidde zich snel; geprezen als ‘geswinde mathematicus’ hield hij zich vooral met grote lijnen bezig en liet hij het maken van gedetailleerde tekeningen over aan anderen. Zelf dwarrelde hij graag rond in het subcultuurtje van Constantijn Huygens en Maria Tesselschade, waar classicisme niet alleen een bouwstijl maar ook een levensstijl was. De eer van de architect, zo nam men graag Vitruvius’ oordeel over, stond boven het platte financieel gewin. Omdat Van Campen een vermogend man was kon hij voor deze en gene gratis ontwerpschetsen maken. Zowel zijn uitgevoerde als onuitgevoerde onderwerpen bewijzen dat hij een visionair architect was.
Een maand lang loopt de Jacob van Campen-tentoonstelling parallel aan de Oma-expositie in het Nederlands Architectuurinstituut. Referentie: Oma - De sublieme start van een architectengeneratie brengt zestien architecten in beeld die verbonden zijn geweest aan het Rotterdamse Office for Metropolitan Architecture. Dit door Rem Koolhaas opgezette architectuurlaboratorium bekokstoofde in de jaren tachtig allerlei stedebouwkundige en architectonische 'vondsten’ aan de Maas, sterk geinspireerd door het Newyorkse Manhattan. Na een lange periode van functioneel bouwen door vakmensen die betontekeningen konden dromen, kwam in Nederland een brede visie bovendrijven, die dringend genieen behoefde.
Ook de tentoonstelling rond de uit Oma voortgekomen architecten wordt gehouden in een toepasselijk decor: het Architectuurmuseum van Jo Coenen. De architectuur is hier alleen niet afgeleid van de menselijke maat, maar van de geschiedenis van de bouwkunst. Wat Van Campen en Oma betreft zelfs van de overstijging van het ambacht, die van bouwkunde bouwkunst maakt.