Gezworen vrienden

Netanyahu belemmert de aanleg van een haven in Gaza door Nederlanders. En er is meer waardoor Nederland steeds kritischer wordt tegenover Israel. Een uiting van liefdevolle betrokkenheid of het einde van de vriendschap? ..LE GAZA-STAD, 18 januari 1996. Het regent pijpestelen. Wim Kok, Hans van Mierlo en een groep Nederlandse journalisten schuilen onder het dak van Arafats residentie. Doorweekte Palestijnse agenten worstelen met een rode loper, een doedelzakkapel produceert verdronken piepjes. De Nederlanders zijn gekomen voor de opening van de haven van Gaza, een project waarmee 60 miljoen dollar internationale steun gemoeid is. Nederland is met 25 miljoen dollar de belangrijkste financier.

Het wachten is op de president van de Palestijnse Autonomie, die vijf uur te laat arriveert. Dan begeeft het gezelschap zich naar het strand en legt de eerste steen. Tijdens een aansluitende ontvangst in Tel Aviv prijst Simon Peres de Nederlandse bijdrage aan de wederopbouw van Gaza. Hij looft ook de Nederlandse diplomatieke initiatieven richting Syri‰, die zo kort na de Oslo-akkoorden en de moord op zijn voorganger Rabin bijzonder welkom zijn. Door te bemiddelen tussen Israel enerzijds en Palestijnen en Syri‰rs anderzijds speelt Nederland een belangrijke rol in het vredesproces, aldus de Israelische premier.
GAZA, TWEE JAAR later. De eerste steen ligt opgebaard in een verlaten kantoortje van Ballast Nedam. Het strand is onheilspellend leeg en daar is welbeschouwd maar ÇÇn reden voor: Benjamin Netanyahu, die door velen in en buiten Israel verantwoordelijk wordt gesteld voor het klimaat waarin Rabin is vermoord, voor het doodlopen van de vredesonderhandelingen en het stagneren van de Palestijnse wederopbouw. De 25 miljoen dollar staan nog steeds op rekening bij Ontwikkelingssamenwerking in Den Haag. Jan Pronk gaat deze week tijdens een bezoek aan Gaza en Jeruzalem aandringen op hervatting van het project. ‘De Israeli’s vertragen de bouw. Ze willen absolute zekerheid dat de haven geen veiligheidsrisico’s oplevert’, aldus Pronk voor zijn vertrek. Maar volgens Walid A. Siam, directeur-generaal Planning en Internationale Samenwerking in Gaza, steekt de vork anders in de steel. Siam: 'Zodra de veiligheid ter tafel komt, worden de Israeli’s volstrekt onredelijk. Ze willen bijvoorbeeld ieder schip op zee inspecteren. Dus liggen de schepen lang voor anker en dat kost handenvol geld. En denk eens aan de Palestijnse citrusvruchten die naar Europa zouden worden ge‰xporteerd, maar door Israelische pesterijen al verrot waren voor ze in Rotterdam aankwamen. Dat economische aspect is misschien wel de belangrijkste drijfveer, want Gaza Haven zal veel goedkoper worden dan de havens van Ashdod en Ashkelon.’
Volgens Siam behandelt Israel Gaza als wingewest: 'Telkens als Gaza wordt afgesloten, mogen wij alleen levensmiddelen en goederen kopen in Israel, niet in Egypte of Jordani‰. De Europese subsidie vloeit naar Israel, dat toch al jaarlijks een internationale steun van 2500 dollar per hoofd van de bevolking opstrijkt, tegen 400 dollar voor de Palestijnse Autonomie.’
DE GESTAGNEERDE havenbouw staat in meer dan ÇÇn opzicht symbool voor de Nederlands-Israelische betrekkingen. Netanyahu ligt uitgesproken slecht in Den Haag. Tijdens zijn staatsbezoek vorig jaar verzekerde hij Wim Kok nog dat het goed zou komen met de haven. Er werden veelbelovende rapporten gestuurd naar de Nederlandse ambassade in Tel Aviv. Uiteindelijk gebeurde er niets, wat Kok binnenskamers in een voor zijn doen ongekende woede deed ontsteken. Sindsdien wordt de Nederlandse irritatie steeds vaker geaccentueerd door acties zoals het offici‰le bezoek van minister Van Mierlo aan het Palestijnse Orient House, een optreden dat v¢¢r de ondertekening van de Oslo-akkoorden in 1993 ondenkbaar zou zijn.
Onder het Nederlandse corps diplomatique in het Midden-Oosten en in het bijzonder in Israel overheerst al langere tijd een gereserveerdheid die vooral binnenskamers tot uiting kwam. Kenmerkend was de rel vorig jaar rond de diplomaten Michel Rentenaar en Ferdinand Smit, beiden werkzaam in Palestijns gebied. Op een feestje bij een Israelische vriend zeiden zij dat Israel zich conform de resoluties van de Veiligheidsraad moest terugtrekken uit Zuid-Libanon en dat er best over de Golan viel te onderhandelen met de Syrische president Hafez al Assad. Voor Israelische begrippen is dit allemaal niet schokkend. De Israelische onderhandelaar met Syri‰, Itamar Rabinowitch, had een week eerder in een lezing gelijkluidende uitspraken gedaan. Smit zei ook nog dat Netanyahu de Oslo-akkoorden schond - een conclusie die kort tevoren was getrokken door de Israelische onderhandelaar met de Palestijnen, Uri Savir, in een openbaar debat. De uitlatingen van Smit en Rentenaar werden echter opgepikt door een andere feestganger en afgedrukt in het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW). Er volgden kamervragen en in Israel werd een publicitaire heksenjacht op het tweetal geopend.
De opwinding beperkt zich in beide landen echter tot een bepaald circuit. Aan Israelische kant zijn het de regeringspartijen en de regeringsgetrouwe pers die de trom roeren, terwijl de linkse oppositie alle begrip toont. Kenmerkend voor het veranderend klimaat ter linkerzijde is de publicatie in april vorig jaar van gesprekken die Mosje Dajan in 1997 voerde met een journalist. Daarin maakte de gewezen opperbevelhebber en minister van Defensie korte metten met de 'David-en-Goliath-mythe’, volgens welke Israel het altijd moest opnemen tegen oppermachtige buren. Niet het slechtbewapende Syri‰, maar Israel had de oorlog van 1967 geprovoceerd, zei Dajan. Hij noemde de bezetting van de Golanhoogte en het toestaan van de joodse kolonisering van Hebron de twee grootste fouten van zijn leven.
IN NEDERLAND gooit het ministerie van Buitenlandse Zaken in voorkomende gevallen olie op de golven, vooral als het VVD-kamerlid Weisglas weer op zijn achterste benen gaat staan. Off the record onderschrijven heel wat Nederlandse diplomaten en militairen echter de opvatting die vorig jaar in Trouw werd geventileerd door J.C. MÅhren, voormalig VN-waarnemer en defensieattachÇ in het Midden-Oosten. Hij hamerde nog eens op de onjuistheid van de David-en-Goliath-mythe en schreef dat Syri‰ nu eindelijk serieus moet worden genomen als onderhandelingspartner. MÅhren besloot met de woorden: 'Lange tijd werd gezegd dat de sleutel voor een algehele vrede in het Midden-Oosten in Damascus lag. Hij ligt nu goed opgeborgen in de la van Netanyahu.’
Voor de militairen waren vooral de ervaringen met Unifil in Zuid-Libanon een teleurstelling. In een boek van Parool-journalist Frans Peeters zegt de toenmalige sous-chef Operati‰n, luitenant-generaal b.d. Berkhof: 'We stuurden elk jaar achthonderd pro-Israelische Nederlanders naar Libanon en er kwamen achthonderd anti-Israelgezinden terug. In oktober 1985 gingen we weg omdat we ons mandaat niet langer meer konden uitvoeren.’ (Gezworen vrienden, 1997) Een belangrijke aanleiding was het 'lijkenincident’ van december 1980. De Unifillers zagen hoe Israelische soldaten vijf Palestijnse commando’s in Libanon doodschoten. De Nederlanders wilden het Rode Kruis laten komen, maar dit werd verhinderd door de Israeli’s die de vijf lijken opbliezen. Een Nederlandse Unifiller maakte foto’s, maar het fotorolletje verdween op mysterieuze wijze - een opmerkelijk precedent voor de 'overbelichting’ van fotorolletjes uit Srebrenica. De lezing van de Nederlandse militairen ging in de doofpot en Nederland bood zijn excuses aan in Tel Aviv.
Jongstleden september publiceerde ook Robert Bosch, ambassaderaad te Wenen, in NRC Handelsblad een fel betoog tegen de regering-Netanyahu. Zelden uitte een Nederlandse diplomaat zulke harde kritiek. Volgens Bosch verkeert het vredesproces in doodsnood en oefenen de Verenigde Staten veel te weinig druk uit op Israel, dat onder Netanyahu afglijdt naar een 'religieus-extremistische staat’. Als Israels belangrijkste handelspartner moet de EU haar economische macht inzetten, bijvoorbeeld door de vrijhandelsovereenkomst op te schorten tot Netanyahu zijn nederzettingenpolitiek en de 'etnische reiniging’ van Jeruzalem stopzet, aldus Bosch, die zo'n politiek een 'morele plicht’ noemde: 'Nederland zou bij deze acties, als traditionele vriend van Israel, in het belang van datzelfde Israel het voortouw kunnen nemen.’
VVD en CDA stelden kamervragen en minister Van Mierlo nam onmiddellijk afstand van het artikel, dat volgens hem niet het standpunt van de regering weergaf en zonder zijn toestemming was gepubliceerd. Commentaar van Weisglas: 'Het is niet de eerste keer dat een ambtenaar van Buitenlandse Zaken zich publiekelijk afzet tegen het Nederlandse beleid. Het verheugt ons dat de onduidelijkheid zo snel uit de wereld is geholpen door de minister.’
TOCH KUNNEN dergelijke interventies, gevoed door het aloude 'wij staan achter Israel’-gevoel, niet verbloemen dat er een verschuiving in de betrekkingen optreedt. Vorig jaar publiceerde Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld voor het eerst een beleidsdocument over het Midden-Oosten waarin wordt vastgesteld dat in Israel met offici‰le goedkeuring gemarteld wordt en dat Arabieren er worden gediscrimineerd.
Deze uitdrukkelijke aandacht van Den Haag voor de mensenrechten in Israel kwam tot uiting in alweer een incident. De Nederlandse ambassadeur Como van Hellenberg Hubar bezocht onlangs het Palestijnse dorp Ein Hod, waarvan de bewoners tijdens de Israelische Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 waren verjaagd. Omdat ze pas weer konden terugkeren nadat Ein Hod joods was geworden, vestigden ze zich in de nabije omgeving. Er zijn tientallen nederzettingen als deze, die niet mogen beschikken over faciliteiten als telefoon, riolering of elektriciteit omdat de regering ze niet erkent. Hoewel de inwoners Israelische staatsburgers zijn, wil de regering geen precedent scheppen voor de terugkeer van nog meer vluchtelingen en erkenning van hun recht op financi‰le vergoeding.
Van Hellenberg Hubar verklaarde dat de mensenrechten in Israel niet het exclusieve domein van de regering zijn, maar de hele wereld aangaan. Deze uitspraak werd dezelfde avond uitgezonden door het Israelische tv-journaal. De commotie was kortstondig maar enorm. De minister van Toerisme, Mosje Katsav, veroordeelde zelfs het gedrag van de bewoners van Ein Hod: zij mochten zich, als ze zich onheus behandeld voelden, niet tot buitenlandse diplomaten richten. Van Hellenberg Hubar werd om opheldering gevraagd en de zaak werd aangekaart in Den Haag. Er volgde echter geen officieel beklag, misschien omdat Tel Aviv eindelijk beseft dat Nederland niet langer een uitzonderingspositie inneemt binnen de Europese Unie.
Ook in Brussel groeien de frustraties over het vastgelopen vredesproces. In een recent stuk van de Europese Commissie worden harde noten gekraakt, met name over de Israelische sabotage van de Europese ontwikkelingssteun. Uit wraak probeert het Israelische ministerie van Buitenlandse Zaken nu te verhinderen dat Miguel Marin, vice-president van de Europese Commissie, een eredoctoraat ontvangt van de Universiteit van Haifa.
DE BIJZONDERE Nederlands-Israelische verhouding van vroeger bestaat niet meer, zo veel is duidelijk. Volgens Rob Simons, correspondent met twintig jaar ervaring in het Midden-Oosten, is het paarse kabinet een stuk zakelijker in zijn benadering van Israel. Simons: 'Van Mierlo’s voorganger Van den Broek had nog de vanouds bekende religieuze achterban, het gebroed op de Veluwe zal ik maar zeggen. Maar onder Van Mierlo neemt Nederland nog zelden een uitzonderingspositie in binnen de EU.’
Een verhelderende bijdrage werd geleverd door Nikolaas van Dam, nestor van de Nederlandse diplomatie in het Midden-Oosten en sinds 1996 ambassadeur in Ankara. In een vorige week uitgekomen boek dat hij samen met Volkskrant-journalist Jan van Keulen schreef, De vrede die niet kwam, uit hij op persoonlijke titel forse kritiek op de gebrekkige vredeswil van Israel sinds 1967, de nederzettingenpolitiek en de schendingen van de mensenrechten. Hij spreekt uiteraard niet namens regering of corps diplomatique, laat hij vanuit Ankara weten. Van Dam: 'Maar het zou me niet verbazen als mijn standpunt wordt gedeeld door zeer veel Nederlandse en niet-Nederlandse diplomaten in het Midden-Oosten.’
In zijn boek verklaart hij de veranderde Nederlandse houding uit de veranderde verhoudingen in het Midden-Oosten zelf: 'Behalve doordat de Arabische kant nu een vredeswil toont, komt dat vooral door de politieke ontwikkelingen in Israel. Het is nu gemakkelijker kritiek te hebben omdat in Israel zelf de tegenstellingen over het vredesproces hoog oplopen. De interne kritiek op Netanyahu liegt er niet om.’
Opmerkelijk genoeg komt zijn conclusie wezenlijk overeen met die van zowel Ronny Naftaniel als Radi Suudi (zie kaders), die beiden gedurende meer dan een decennium hebben getracht een Palestijns-joodse dialoog in en buiten Israel tot stand te brengen.
Van Dam: 'De betrekkingen met Israel zijn onveranderd goed, maar daarbinnen kan tegenwoordig veel meer gezegd worden.’
Felle reacties op zijn boek zijn tot nog toe uitgebleven. Verre van de zoveelste 'provocatie’ aan het adres van Tel Aviv te zijn, kon het boek weleens een belofte inhouden. Van Dam: 'Ik zou het interessant vinden om nog eens ambassadeur in Israel te worden. En het wordt helemaal interessant als Den Haag daarvoor te vinden zou zijn.’
Radi Suudi
De Nederlands-Israelische relatie is niet fundamenteel veranderd, maar wel heeft het vredesproces de joodse gemeenschap in Nederland sterk verdeeld. Vroeger stond men als ÇÇn man achter Israel. Nu loopt de scheiding tussen voor- en tegenstanders van de Oslo-akkoorden. Daardoor ontstaat ruimte voor een andere Nederlandse houding jegens Israel. Het paarse kabinet gebruikt die ruimte om te laten zien dat je het land kunt kritiseren zonder zijn bestaansrecht in twijfel te trekken of voor antisemiet te worden uitgemaakt. Dat was vijftien jaar geleden veel moeilijker. Zelfs pleiten voor onderhandelingen met de Palestijnen was not done.
Het onvermogen van de helft van de Israelische samenleving om tot duurzame vrede te komen, waarvan de regering-Netanyahu een exponent is, wordt ook voor Nederlanders steeds duidelijker. De invasie van 1982 in Libanon was een keerpunt, maar de Nederlandse reactie was erg defensief, gezien wat Israel daar aanrichtte - het bombardement van Beiroet was net zo misdadig als het bombardement van Sarajevo door Karadzic en Mladic. De David-en-Goliath-mythe hield stand. De verandering zette pas door dankzij de intifada, omdat de Israelische reactie daarop niet langer viel te verdedigen vanuit een oogpunt van nationale veiligheid.
De contacten in de jaren tachtig tussen Nederlandse diplomaten en gematigde Palestijnse vertegenwoordigers als Ashrawi en Hoesseini zijn erg belangrijk geweest. Ook de Palestijns-joodse dialoog in Nederland heeft effect gehad. In de tweede helft van de jaren tachtig schonken journalisten en joodse opiniemakers er veel aandacht aan. Wat wij als Palestijnen inbrachten, deed er misschien niet eens toe; onze kritiek was al 25 jaar dezelfde. Maar de Israelische vredesactivisten waren een stuk feller dan de joodse en niet-joodse critici in Nederland. Die vroegen: steun ons alsjeblieft door vanuit Nederland hardere kritiek te leveren.
Het echte keerpunt waren de Oslo-akkoorden, omdat de Palestijnen vanaf dat ogenblik niet meer konden worden beschouwd als een soort terroristische internationale. En door de moord op Rabin ontdekte Nederland nu ook de gewelddadige component in de Israelische politiek. De Palestijnen hadden die al heel lang ervaren, net als de opkomende Israelische vredesbeweging in de jaren tachtig. Nu sloeg het geweld als het ware naar binnen. Na de Palestijnen en de vredesactivisten werd de hoogste leider slachtoffer van het geweld. Of ik verbaasd was dat Israel deze drempel overschreed? Ja, eigenlijk toch wel.’ (ab)
Ronny Naftaniel directeur Centrum voor Informatie en Documentatie over Israel
'Ik denk niet dat de “bijzondere relatie” tussen Nederland en Israel nog bestaat. De zakelijke contacten zijn tegenwoordig uitstekend en er is nog altijd een identificatie van het christelijke volksdeel met bijbelse plaatsen als Jeruzalem of Betlehem. Ook op andere gebieden speelt de herkenbaarheid een rol. Israel heeft bijvoorbeeld een beetje dezelfde haat-liefdeverhouding met zijn Arabische buren als Nederland met Duitsland. En het land dwingt natuurlijk respect af als democratie te midden van dictaturen. Maar in hoofdzaak zijn de relaties tussen Nederlanders en Israeli’s heel normaal.
De betrekkingen tussen de regeringen worden daarentegen koeler. Er wordt vanuit Nederland steeds meer kritiek op de huidige Israelische coalitie uitgeoefend, ook door joden. De regering-Netanyahu beschouwt zulke uitlatingen als bewijs van een groeiende anti-Israelstemming, terwijl de kritiek vaak wordt ingegeven door bezorgdheid. De sympathie is er nog, maar men volgt niet meer vanzelfsprekend het regeringsbeleid. Toen Netanyahu hier vorig jaar op staatsbezoek kwam en de joodse gemeenschap toesprak, zat de zaal niet eens vol, hoewel er ook vertegenwoordigers uit Belgi‰ waren uitgenodigd.
De jongere generatie Nederlanders beoordeelt Israel realistischer dan voorgaande generaties, niet meer vanuit de mythevorming over de Jaffa’s, de kibboetsim en de mooie meisjes of vanuit de gedachte dat het land altijd uitsluitend slachtoffer is geweest. Israel houdt gebieden bezet en de invasie in Libanon heeft bewezen dat het ook vuile handen kan maken. De moord op Rabin heeft veel Nederlanders doordrongen van de diepe verdeeldheid in de Israelische samenleving. Tegelijk met de uitingen van rouw en verbondenheid die zijn dood hier losmaakte, was men geschokt door het feit dat een joodse vredestichter door een andere jood was vermoord.
Dat wil overigens niet zeggen dat Israel nu afglijdt in de richting van religieus extremisme. Het is een misverstand dat orthodoxie vanzelfsprekend leidt tot extremisme of politiek geweld. Sommige orthodox-joodse groeperingen laten zich helemaal niet in met politiek. Maar ik merk wel een groeiende tegenstelling tussen vrome en vrije geloofsopvattingen die de joodse gemeenschap in Nederland evengoed verdeelt als de Israeli’s. Nederlandse joden zijn vaak niet meer solidair met Israel als zodanig, maar met bepaalde politieke stromingen, bepaalde visies op de Israelische samenleving. Liberale joden kunnen moeilijk overweg met een regering waarin orthodoxe partijen zitten, terwijl orthodoxen liever geen coalitie zien met daarin de mensenrechtenpartij Meretz. Die tegenstelling stelt de diaspora momenteel zeer zwaar op de proef.’ (ab)