Ghemaect by Cornelis Everaert

Nu er een nieuwe uitgave is verschenen van de toneelstukken van Cornelis Everaert kan een ruimer publiek kennismaken met de hard werkende ambachtsman, toegewijd aan het toneel en bekommerd om de toenemende onverdraagzaamheid. Opnieuw uitgegeven, van inleidingen, annotaties en woordverklaringen voorzien door dr. W.N.M. Hüsken De Spelen van Cornelis Everaert Verloren, 1040 blz. (twee delen), € 90,-

Hij schreef meer toneelstukken dan Vondel. Toch kent vrijwel niemand zijn naam. Cornelis Everaert, waarschijnlijk tussen 1480 en 1485 geboren in Brugge als zoon van Cornelis en daar overleden op 14 november 1556. Hij verdiende de kost als lakenvolder en -verver en verwierf zich een belangrijke positie in de beroepsvereniging van die sector. Bovendien trad hij op als secretaris van het Sint Sebastiaansgilde, geen folkloristische schuttersclub, maar een onderdeel van de stedelijke militaire macht. Maar dat hij het waard is nog gememoreerd te worden, dankt hij aan zijn 35 toneelspelen, bijwerk in een druk bestaan, bewaard gebleven in een papieren handschrift dat hij eigenhandig schreef.
Hoe anders moet het literaire leven geweest zijn in de zestiende eeuw, is de gedachte die je bekruipt wanneer je als lezer uit onze tijd begint met het eerste spel uit die omvangrijke verzameling, Tspel van Maria Hoedeken, over een geestelijke die Maria trouw diende. Religieus, dat alleen al, en allegorisch, wat inhoudt dat er geen normaal mens in voorkomt. De personages heten Cleen Achterdyncken, Sober Regement, Quaet Beleedt, Goet Gheselscip. En het hoogtepunt wordt gevormd door een toog: een tableau vivant dat aan het publiek zichtbaar wordt gemaakt door gordijnen weg te trekken, terwijl ondertussen een tamelijk lang gebed wordt uitgesproken: «Princesse, Maria, Gods moeder ghepresen, Ghenesen wilt myn siele van deeuweghe doot», en zo verder. De handeling wordt stilgezet. Wie gewend is aan het visuele bombardement van de hedendaagse beeldcultuur en aan snelgemonteerde films denkt wel te begrijpen waarom dit werk nooit meer gespeeld wordt. Maar doen we recht aan dit oeuvre als we het zo snel veroordelen? Niet meer gespeeld worden is tenslotte maar een relatief criterium. Talloze kunstwerken uit het verleden functioneren niet meer op de wijze waarop ze bedoeld zijn, en zijn niettemin de moeite waard. Dat geldt om meer dan één reden ook voor deze verzameling.
Het papieren handschrift met het toneelwerk van Cornelis Everaert wordt sinds 1837 bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het bevat 35 toneelstukken. Als eerste, voorafgaand aan zijn eigen werk, noteerde Everaert in 1527 hierin een spel van Anthonis de Roovere (Brugge, ca. 1430-1482), die een voorbeeld moet zijn geweest voor Everaert, zoals hij het gedurende de zestiende eeuw voor vele dichters was. In de loop van datzelfde jaar, waarschijnlijk vrijwel direct, voegde Everaert daar drie spelen aan toe die tot zijn vroegste werk behoren. Het hiervoor al genoemde Maria Hoedeken dateert uit 1509 en zal zijn debuut als toneelschrijver zijn geweest. Tspel van Een sanders Welvaren uit 1511 «was myn eerste waghenspel», aldus de auteur. En het Esbatement van tWesen uit 1512 was nog in datzelfde jaar goed voor de hoofdprijs tijdens een toneelwedstrijd in Nieuwpoort. Cornelis Everaert nam uit dat sinds 1600 zo roemruchte stadje een kostbare zilveren schaal mee naar huis. Zestiende-eeuws toneel werd vaak in wedstrijdverband opgevoerd tijdens een van de vele rederijkerswedstrijden en het was niet zelden een openbare aangelegenheid: wagenspelen, spelen op grote stellages op de markt en vertoningen tijdens processies vormden feestelijke hoogtepunten in het leven van de stadsbewoner.
Everaert moet in 1527 de bedoeling hebben gehad zijn spelen te bewaren en beschikte kennelijk over wat oud werk waaraan hij nog gehecht was. Direct daarna noteerde hij spelen uit 1525 en 1526. Hij heeft vanaf dat moment zijn verzameling gestaag aangevuld, vooral met recent werk, maar af en toe ook met oudere stukken. In 1531 bijvoorbeeld moet hij nog een paar vroege spelen uit 1511 en 1512 zijn tegengekomen, die hij dan ook meteen toevoegde. De laatste bijdrage dateert uit 1538.

Hoe compleet het beeld is dat we van Everaerts oeuvre hebben, valt met geen mogelijkheid te schatten – en ook de vraag of hij na 1538 nog schreef is niet te beantwoorden – maar de inhoudelijke diversiteit is groot. De 35 spelen vertegenwoordigen allerlei genres: wereldlijk en geestelijk, serieus en komisch, straattoneel en spelen die binnenskamers opgevoerd dienden te worden. Vaak is bekend voor welke gelegenheid een spel is geschreven en opgevoerd omdat Everaert dit bij de teksten zelf, maar vaker nog in de inhoudsopgave, noteerde. Een voorbeeld: «Tspel vanden Hooghen Wynt ende Zoeten Reyn ghemaect by Cornelis Everaert ter eeren van Kaerle onsen Keyser als den conync van Vranckerycke ghevanghen wiert voor Pavyen anno 1525 ende verscreven by my Cornelis anno 1528.» Het betreft een allegorisch spel waarin Karel V als de zoete regen optreedt, terwijl de Franse koning als harde wind figureert, gemaakt naar aanleiding van de slag bij Pavia in februari 1525 waar de troepen van Karel V de Franse legers versloegen. Uit een latere notitie van Everaert – «Hiermede was ghewonnen den uppren prys van de stede up ghestelt ende was een selveren scale» – weten we zelfs nog iets meer over de achtergronden. Op 8 maart schreef de stad Brugge een wedstrijd uit om de overwinning van zijn keizer te vieren. Drie dagen later vond de toneelwedstrijd plaats, en in die drie dagen moet Everaert zijn spel van 517 verzen, waarmee hij opnieuw een zilveren schaal in de wacht sleepte, hebben geschreven. Dit voorbeeld zegt veel over de snelheid waarmee dichters hun werk produceerden. En het maakt ook duidelijk dat Cornelis Everaert geen voltijds dichter hoeft te zijn geweest om een omvangrijk oeuvre te hebben geschreven. Toneel was bijzaak, maar niet zonder belang.
We leren uit deze spelen veel over de plaats van het toneel in de samenleving, over de manier waarop een tamelijk succesvolle auteur als Everaert te werk ging – hoe hij zijn kritiek reserveerde voor gelegenheden die dat toelieten, en hoffelijkheid toonde als dat vereist was, hoeveel tijd hij nodig had voor het schrijven van een spel, en over de rol van literatuur in een roerige samenleving. Everaert leefde immers in de tijd van de opkomende Reformatie.
Juist in dit licht is zijn positie uiterst boeiend. Hij was geen militant in godsdienstige zaken, maar was desondanks niet mals in zijn kritiek op de geestelijkheid. Juist in het spel ter verwelkoming van de Dominicanen die in 1523 hun provinciaal kapittel in Brugge hielden, geeft Everaert zijn personages alle ruimte hun kritiek te spuien. Ofjunstich Bemerck (Jaloerse Beschouwing) weet over de broeders te melden: «Alsse yeuwers een sermoen ghaen preken, Van alderhande ghebreken es huerlieder cout.» Oftewel: hun preken zijn louter kletspraatjes. Hij legde kritiek in de mond van zotte personages en legde met komisch meesterschap de vinger op zere plekken.
Dat hij willens en wetens de grenzen opzocht van wat toegestaan was, blijkt ook uit twee spelen die verboden werden. Eén ervan, aldus Everaert, «om dat ic te veil de waerheyt in noopte».
Maar ondanks de wel degelijk aanwezige kritische gezindheid is hem naderhand vaak verweten niet duidelijk partij te kiezen, en vast te houden aan achterhaalde, middeleeuws katholieke, opvattingen. Is dat terecht? Achteraf, als de uitkomst van een historisch proces bekend is, is het makkelijk oordelen dat iemand niet wist te kiezen tussen zwart en wit, daarbij diens positie tot grijs bestempelend. Maar was de tegenstelling wel zo duidelijk? En is de keuze van Everaert voor matigheid en verdraagzaamheid in een tijd van uitersten uiteindelijk niet minstens zo respectabel? In elk geval bevond hij zich met zijn opvattingen in het goede gezelschap van Erasmus, die zich uiteindelijk keerde tegen Luther, die in zijn ogen te weinig verdraagzaam was. Misschien hebben de twee elkaar ooit ontmoet. In elk geval bezocht Erasmus zijn vriend Thomas More tijdens diens verblijf te Brugge in 1515. Everaert had toen ten minste zeven toneelstukken geschreven.

Of Cornelis Everaert een groot dichter was, is moeilijk te beoordelen. Alles wat rederijkerstoneel aantrekkelijk maakt – spectaculaire togen, sprankelende taal, geraffineerde allegorieën, komische bijrollen – zie je bij hem. Maar de literatuuropvattingen van toen verschillen te veel van de onze, en we weten dat zijn werk nu niet meer gespeeld wordt. Toch zou het de moeite waard zijn eens te kijken hoe een paar van zijn beste komische spelen het zouden doen indien ze ten tonele werden gebracht door goede acteurs – want Everaerts komische talent is groot: in een paar woorden weet hij personages te typeren, in twee regels weet hij een overwegend serieus spel – het eerder genoemde spel na de slag bij Pavia – op humoristische wijze te openen: «Wel Menich, hoe staet?» «Als eyers die uutlooppen.» Hoe sta je ervoor? Als eieren die uitlopen…
Everaert heeft met zijn zelf geschreven verzameling een document nagelaten dat ongeëvenaard is. Zijn plaats in de literatuurgeschiedenis zou onomstreden moeten zijn. Terecht is er dan ook, 85 jaar na de eerste uitgave van dit werk, een nieuwe uitgave verschenen. Wim Hüsken, die zich jarenlang intensief met dit werk heeft beziggehouden, bundelt hierin veel van zijn kennis en maakt de spelen door middel van korte inleidingen toegankelijker dan ze waren. Het is een studie-uitgave voor specialisten geworden, en dat is spijtig. Juist dit werk zou voor een ruimer publiek toegankelijk moeten zijn. Of er zou in elk geval een leesbaar boek moeten zijn waarin we Cornelis Everaert tegenkomen als hard werkende ambachtsman, maar ook – wie weet hoe vaak – toegewijd aan het toneel. En bekommerd om de teloorgang van zijn geliefde Brugge, de om zich heen grijpende onverdraagzaamheid. Eigenlijk zoals hij kort getekend wordt in Schildersverdriet, de eerder dit jaar verschenen korte roman van Jacques Kruithof: «Nog dezelfde middag bracht hij een bezoek aan een oude vriend, de lakenverver en rederijker Cornelis Everaert, in wiens grote, geleidelijk leeg geraakte huis op de Oude Burg zij veelvuldig zorgelijke gesprekken hadden gevoerd. Everaert neigde tot de milde inzichten van Erasmus; echt in vuur en vlam raakte hij alleen wanneer het over de onophoudelijk bedreigde vrede ging, de onbeschaamde corruptie van de bedelorden, de dominicanen voorop, over de allerwegen heersende verwatenheid en wreedheid; onderwerpen die allengs gemeengoed geworden waren, en zijn scherpste hekelingen legde hij de zinnebeeldige figuren in zijn toneelstukken in de mond, zodat hij zich net als zijn leermeester achter de zotheid kon schuilhouden.» * Johan Oosterman is docent Nederlandse letterkunde aan de Radbouduniversiteit Nijmegen