Profiel van filosoof Giorgio Agamben

Gids door de hel

Hoe onrustiger de wereld, hoe meer aandacht het Westen besteedt aan het definiëren van zijn grenzen. Wie horen erbij en wie niet? Filosoof Giorgio Agamben onderzoekt waar de drang tot in- en uitsluiting vandaan komt.

Medium agamben2

Politici bakenen hun problemen graag af. Pas als je een probleem scherp voor ogen hebt, kun je er immers een oplossing voor bedenken. Maar hoe bepalend is een afbakening eigenlijk? En hoe verhoudt een oplossing zich tot de weerbarstige werkelijkheid? Iedereen zal het verijdelen van terroristische aanslagen toejuichen. Maar hoe staat terrorismebestrijding in verhouding tot afluister- en martelpraktijken van geheime diensten? En iedereen vindt stervende bootvluchtelingen verschrikkelijk. Maar heeft de tragische reis vooral iets te maken met gammele bootjes van mensensmokkelaars, of ook met de hermetisch gesloten grenzen van Europa? De afbakening van een probleem schept, kortom, niet alleen maar orde in het hoofd, maar ook in de samenleving. Een orde waarbinnen niet voor iedereen dezelfde plek is.

Volgens filosoof Giorgio Agamben is de buitenstaander inherent aan de huidige politiek-economische wereldorde. Machthebbers gaan steeds creatiever om met het formuleren van problemen en roepen crisis na crisis uit om beslissingen te legitimeren die in een normale situatie nooit zouden worden geaccepteerd. Wanneer de politieke nood hoog lijkt, is het makkelijker om dat wat niet binnen het systeem past buitenspel te zetten. Het maakte wetteloze plekken als Guantánamo Bay mogelijk, maar ook de afkalving van Griekenlands autonomie of de politieke desinteresse voor uitgeprocedeerde asielzoekers.

In een tijd waarin westerse politici steeds harder op zoek moeten naar een verhaal, en waarin de Europese grensbewaking lijkt op die van een kat in het nauw, is Agamben een van de meest prikkelende commentatoren die je kunt treffen. Eind jaren negentig breekt de Italiaan met Homo sacer internationaal door. Hierin presenteert hij een volledig originele analyse van de westerse politiek – vergezeld van het nodige schokeffect: moderne politiek is een aaneenschakeling van uitzonderingstoestanden en uitsluitingsmechanismen en kent dezelfde juridische structuur als het concentratiekamp. Zijn analyse is niets ontziend: een construct, dat zorgvuldig is weggestopt op de zwartste bladzijden van de geschiedenis, staat ineens model voor moderne democratieën.

Het leidt tot verhitte discussies – hoe durft hij zo’n gevoelig onderwerp buiten zijn context aan te snijden? – maar Agamben berooft de westerse rechtsorde definitief van haar onschuld. Hij laat zien dat vluchtelingen, comapatiënten en bewoners van stedelijke periferieën vaak buiten de wet vallen en dan zijn overgeleverd aan de toevallige gratie van hulpverleners, artsen of politieagenten. Modern bestuur gaat altijd samen met wetteloosheid: het gebeurt wanneer machthebbers een rechtsvacuüm laten ontstaan, zoals bij uitgeprocedeerde asielzoekers, wanneer ze de grenzen van zelfbeschikking niet vastleggen, zoals bij comapatiënten of wanneer ze de prioriteit naar beneden bijstellen, zoals bij bewoners van stedelijke periferieën.

Agambens aanpak is radicaal. Omdat hij extreme standpunten inneemt, maar veel meer nog omdat hij in zijn analyses op zoek gaat naar de radix, de wortel van het probleem. De huidige politieke, economische en juridische orde heeft een ontstaansgeschiedenis die je volgens de 73-jarige denker niet kunt negeren. Zo voert illegaliteit terug naar de banneling uit het Romeinse recht, en is de onverbiddelijke schuld van Griekenland een gevolg van het kapitalisme, dat zich gedraagt als het christendom, maar dan zonder verlossing. De wortels van onze samenleving kronkelen de hele geschiedenis door: van religie tot recht, van kapitalisme tot pornografie, van Auschwitz tot een Franciscaner klooster. Met speels gemak vindt Agamben op de onwaarschijnlijkste plekken aanknopingspunten voor harde diagnoses van onze hedendaagse cultuur.

Vaak gaan die diagnoses gepaard met provocatie. Het zou in de loop der jaren zijn handelsmerk worden. Op zijn 26ste, tijdens een zomerschool aan Harvard, onderbrak Agamben een college van Henry Kissinger en riep dat deze niets van politiek begreep. Kissinger zou een maand later minister van Buitenlandse Zaken van Amerika worden. Toen was het misschien een terloopse uitroep van een rebelse, zelfverzekerde student, tegenwoordig lijken zijn provocaties, in de vorm van publiek commentaar van een gearriveerde intellectueel, eerder op conclusies.

Toch is dat nu het laatste waar Agamben op uit is. Problemen die hij aan de kaak stelt zijn nooit geïsoleerd, altijd borrelen ze op uit een gemankeerd verleden. Wanneer hij de Patriot Act bekritiseert, gaat het hem niet alleen om president Bush die een stigmatiserende antiterrorismewet uitrolde. Het gaat hem om alles wat het ontstaan van zo’n wet mogelijk maakt: taal, beeldcultuur en zelfs metafysica. Als een probleem van zo diep komt – en de analyse ervan nog werk in uitvoering is – zijn overhaaste oplossingen niet op hun plaats. Dan komt het erop aan het westerse denken zo goed mogelijk te bestuderen, en waar het kan voorzichtig op zoek te gaan naar een nieuw denken.

Betekent dit dan dat de filosoof, totdat hij het perfecte recept tegen de kwalen van onze tijd heeft gevonden, vanaf de zijlijn moet toekijken? Dat we de machthebbers hun gang moeten laten gaan met het afbakenen van politieke problemen en het vergroten van de maatschappelijke marges? Integendeel. Agamben zet een nieuwe vorm van denken alvast in de steigers wanneer hij moderne politieke retoriek bekritiseert. Machthebbers gebruiken economische of sociale crises om zichzelf als voortvarende bestuurders af te schilderen en negeren ingewikkelde thema’s het liefst zo lang het kan.

Zo zijn vluchtelingen de ene keer lijdend voorwerp van een discussie over binnendringende terroristen en de andere keer van een plan om mensensmokkelaars te bombarderen. Het zijn steeds de crises waarover wij ons zorgen moeten maken, niet de vluchtelingen zelf. Zo dansen politici om de ware problemen heen. Als de discussie wegebt, en er maatregelen zijn genomen, is niemand er een haar beter op geworden. Maar, kunnen ze zeggen, er is een crisis verholpen. Het zijn deze shortcuts naar politiek succes die Agamben probeert te ontmantelen.

De schuld van Griekenland is een gevolg van het kapitalisme, dat zich gedraagt als het christendom, maar dan zonder verlossing

Giorgio Agamben werd geboren in Rome in 1942. Het jaar waarin het fascistische regime zijn twintigjarige bestaan zou vieren met een megalomane wereldtentoonstelling, maar daar vanwege de oorlog niet aan toekwam. De val van Mussolini, een jaar later, was voor de intellectuele Agambens een bevrijding. Een nieuwe cultuur, vrij van propaganda, kon worden opgebouwd. Zijn vader was eigenaar van een bioscoop en zag hoe met het neorealisme een gouden periode voor de Italiaanse cinema aanbrak. Het stelde het leven niet mooier voor dan het was en verbeeldde de dagelijkse wanhoop van de onderklasse. Agamben is een kind van die films, van een nieuw sociaal bewustzijn. De nieuwe tijd gaf de familie ook ruimte voor politiek engagement. Een tante werd politica en richtte de Italiaanse emigratiestichting op waarmee ze geëmigreerde Italianen en immigranten hielp integreren. Dat moest de familie Agamben ooit zelf ook doen, toen ze uit Armenië naar Italië kwam.

Thuis stond een grote boekenkast met genoeg leesvoer om Giorgio’s verdere nieuwsgierigheid mee te voeden. Op de middelbare school wist hij al dat hij wilde schrijven, maar als er zoveel interessants is, waarover dan precies? Om dat uit te zoeken sloeg hij een onverwachte weg in. Hij koos voor de droge studie rechten en studeerde af op het werk van filosofe en politiek activiste Simone Weil. Ondertussen bleef de cultuur hem omringen, met dichters en schrijvers als zijn vrienden. Eén van die vrienden was de twintig jaar oudere regisseur Pier Paolo Pasolini. In 1964 speelde Agamben zelfs nog de rol van apostel Filippus in Pasolini’s film Il Vangelo secondo Matteo.

Inspiratie genoeg, in Rome. Toch vertrok de hongerige Italiaan in 1966 naar de Provence, om masterclasses van Martin Heidegger, de spannendste filosoof van zijn tijd, bij te wonen. Een zomermaand lang was de 24-jarige Agamben in intiem gezelschap van filosofische zwaargewichten. Tijdens de maaltijden was hij – autodidact in filosofie – zo bijdehand de Duitse filosoof het hemd van het lijf te vragen. Het was het startschot van een eigenzinnige carrière; zijn wil tot schrijven had nu een duidelijk onderwerp.

In Agambens linkse vriendengroep was Heidegger niet onomstreden, onder meer vanwege zijn lidmaatschap van de nsdap. Toch zou hij in 1968 – met alle studentenprotesten het referentiejaar van zijn generatie – nog eens een sessie van Heidegger meemaken. De politiek van het eigen gelijk, die hij onder linkse medeprotestanten proefde, stond hem tegen. Iedereen werd in die tijd geacht Marx te lezen. Geen probleem voor Agamben. Maar waarom werden denkers als Heidegger en Hannah Arendt in de ban gedaan? Tegen die achtergrond debuteerde hij in 1970 met L’uomo senza contenuto (‘De mens zonder inhoud’), een esthetisch werk waarin Marx , Heidegger én Arendt een plek vinden.

Toen hij in 1975 na een verblijf in Londen en Parijs terugkwam in Italië zeiden ze op de universiteit dat hij welkom was als hij voorgedragen wilde worden door iemand van de communistische partij. Agamben kende nog genoeg mensen in Rome, maar maakte rechtsomkeert. Partijpolitiek had alle cultuur verdreven. Terug in Parijs stortte hij zich op de vertaling van de werken van Walter Benjamin. Hij ontdekte nieuwe manuscripten in een Parijse bibliotheek en alles viel op zijn plek. Voor Agamben was de cultuurkritische Benjamin als tegengif voor de zwaar metafysische Heidegger, die hij nog altijd als zijn meester zag. Bovendien vond hij een punt waarop beide filosofen aan elkaar raakten: allebei zochten ze naar een historische oorsprong. Dit historische bewustzijn is een essentieel element van Agambens filosofie. In zijn werk houdt hij steeds weer een geschiedenis of een traditie onder een vergrootglas, en vraagt zich dan af hoe we daarmee grip kunnen krijgen op het heden.

Pas wanneer Agamben in 1991 voor het eerst sinds zijn scriptie expliciet over politiek schrijft, wordt zijn werk in meerdere talen vertaald en breekt hij academisch door. In dit doorbraakwerk, La comunità che viene, (‘De komende gemeenschap’) onderzoekt hij de verhouding tussen de gemeenschap en de staat en geeft hij een eerste aanzet voor een radicale kritiek op ‘biopolitiek’, een begrip dat in de jaren zeventig werd gemunt door Michel Foucault, maar rond de eeuwwisseling pas in de handen van Agamben uitgroeide tot het buzzwoord van de politieke filosofie.

Misschien legt de Italiaanse denker de werking van biopolitiek wel het best uit wanneer hij in 2004 weigert de Verenigde Staten te betreden nadat hij door New York University is uitgenodigd voor een gasthoogleraarschap. Na de aanslagen van 11 september heeft de Amerikaanse overheid strenge veiligheidsmaatregelen genomen. Reizigers die de VS binnenkomen moeten irisscans en vingerafdrukken afgeven. Voor Agamben is dit het toppunt van biopolitiek: de staat denkt in potentiële vijanden, controleert streng en dringt ver het menselijke lichaam binnen. De uitzonderingstoestand in actie.

Het inspireert Agamben wederom tot een provocerende vergelijking: waar een getatoeëerd nummer gedeporteerde personen in Auschwitz registreerde, is nu het menselijke lichaam zelf een registreerbare tatoeage. Agamben meet zijn verzet breed uit met commentaarstukken in de Franse en Italiaanse media, en roept medeprofessoren op hetzelfde te doen als hij. Hij laat zien waar de prioriteit van zijn denken ligt: niet bij de academie, maar bij de realiteit.

Medium agamben1
‘Voor Agamben is wanhoop juist een moment van mogelijke verandering, en daardoor een reden voor hoop’

Agambens werk gaat over onze hedendaagse conditie. Om die te begrijpen kijkt hij naar de donkerste bladzijden van de moderne geschiedenis, maar neemt hij ook dagelijkse fenomenen als politiek, pornografie en massatoerisme serieus. Tegelijkertijd stelt hij theoretische vragen die langs cultuurkritiek en taalfilosofie diep de metafysica in gaan. Hoe combineert hij een cultuuranalyse van politici en pornosterren met zware filosofische thema’s?

Leland de la Durantaye, schrijver van Giorgio Agamben: A Critical Introduction, stelt dat die vraag misschien beter andersom zou kunnen worden gesteld. ‘Hoe zou je onze dagelijkse werkelijkheid kunnen begrijpen zonder metafysische vragen?’ schrijft hij per e-mail. ‘Het leidt ons naar een van Agambens belangrijkste filosofische aannames: geen enkel ding, geen enkele institutie kan op een directe manier worden begrepen zonder een geschiedenis van onze concepten. Praktische vragen kunnen niet worden gescheiden van metafysische.’

In Profanaties, het hoofdessay van de gelijknamige bundel die onlangs in het Nederlands verscheen, schetst Agamben de contouren van het vastgeroeste westerse denkkader. Het probleem van dat denken – en de taal die ermee gepaard gaat – is dat het gebruik maakt van tegenstellingen die per definitie leiden tot uitsluiting – wie geen burger is, is illegaal. Dit klinkt ergens legitiem, hoe zou je anders de term burger definiëren? Hoe maak je anders onderscheid? Toch valt het schijnbaar universeel geldende en het voor ons logische karakter van dit soort indelingen te bekritiseren. Wanneer we scheidingen en voorwaarden voor lief nemen, gaan andere mogelijke opties zonder dat we het door hebben aan ons voorbij.

Stel je voor dat vrijheid zou bestaan uit honderd keuzes. Wanneer je één van die keuzes maakt, maar de maatschappij waarin je leeft maar vier soorten keuzes herkent, is er dan nog sprake van een echt vrije keuze? En als alle keuzes altijd maar op vier manieren worden beschreven, hoe lang duurt het dan voordat jouw eigen keuzepalet ook maar vier smaken kent? Het westerse denkkader helpt ons de wereld om ons heen in kaart te brengen, maar doet dat wel met een selectie van categorieën. En dat is van invloed op onze vrijheid.

Hoe groot is die selectie, en hoe vanzelfsprekend? En welke andere mogelijke manieren om naar de wereld te kijken gaan daardoor aan ons voorbij? Om die vragen te beantwoorden kijkt Agamben juist naar de plekken en personen buiten het systeem. De wetteloze gevangenis, de asielzoeker maar ook het spelende kind dat de regels van het volwassen spel nog niet toepast. Enerzijds zijn ze onderdeel van de structuur van het westerse denken. Er bestaat namelijk alleen maar een binnen door een buiten. Je definieert een burger door te definiëren wat geen burger is. Anderzijds kan dat wat buiten het systeem staat een interessant perspectief opleveren. De la Durantaye zegt hierover: ‘Agamben was het eens met Benjamins opmerking dat historici vaak de marginale mensen van de geschiedenis vergeten, en dat dat doodzonde is. In onze samenleving ontstaan juist in de marge – in verwrongen of parodiërende vorm – de mooiste dingen.’

In interviews krijgt Agamben vaak de vraag voorgelegd of zijn filosofie niet wat pessimistisch is. Als de juridische structuur van de concentratiekampen nog steeds in onze cultuur voortleeft, is onze geschiedenis dan niet een opeenstapeling van schuldigheid? En als je zegt dat alleen in de marges van onze taal en onze maatschappij iets moois kan ontstaan, is dat dan niet nihilistisch? Als antwoord daarop citeert hij vaak Karl Marx: ‘De hopeloze conditie van onze maatschappij vervult mij van hoop.’ Wanneer een denker een echt verschil wil maken, stelt Agamben in een interview met het Franse Télérama, dan moet hij een extreme positie innemen. Aan valse hoop of symptoombestrijding heeft hij niets. ‘Denken is daarom voor mij de moed te wanhopen, en is dat niet het toppunt van optimisme?’

Academici die de tussenstanden van Agambens werk bijhouden, en het academische debat erover aanjagen, vervallen dan ook nooit in een uitzichtloze cultuurkritiek. De la Durantaye stelt bijvoorbeeld dat Agambens wanhoop een call to action is. ‘Als er niks kan worden gedaan aan dat wat schadelijk, pijnlijk en negatief is, dan heeft het weinig zin om het erover te hebben, maar voor Agamben is wanhoop juist een moment van mogelijke verandering, en daardoor een reden voor hoop.’

‘Er is geen Vergilius om ons door deze hel te gidsen.’ Agamben zag deze tekst, geschreven in agressieve graffitiletters, op een dag tijdens een wandeling in de buurt van zijn huis in Venetië, aan de Corte dell’anatomia, een hofje, weggestopt tussen de grachten en stegen van Venetië. Toen de letters vervaagden vroeg hij een vriend om ze over te schilderen, zodat de kreet niet zou verstillen. Midden in het toeristische park dat Venetië is, was die straatkunst misschien wel het meest interessante stuk cultuur.

Het is een goede stelling om in je achterhoofd te houden bij het lezen van Agamben. Vergilius is de Romeinse dichter die Dante in La divina commedia door de hel gidst. Als onze hedendaagse situatie zo veel lijkt op een inferno, is er dan nog wel iemand die ons de weg wijst? Zeker is in elk geval dat dat niet de wereldleiders van vandaag zijn. Zij houden hun parapluutjes op, leiden ons naar de touringcar en tonen de wereld als een effectief werkende attractie met slagvaardige beheerders. Wellicht interessant om het taalspel van politici van dichtbij te zien, en de prijzenkast van opgeloste crises te bestuderen, maar niet om begrip van onze tijd te krijgen.

Daarvoor kunnen we volgens Agamben beter kijken naar de vele figuranten van de westerse geschiedenis en cultuur. De grote omweg die Agamben aflegt is noodzakelijk. Alleen wanneer we ons ervan bewust zijn hoe diepgeworteld de problemen van onze tijd zijn, wordt het mogelijk om een nieuw denken te ontwikkelen dat de huidige politieke, juridische en taalfilosofische status-quo doorbreekt. Hoewel hij zelf hier en daar aanzetten geeft, is dat nieuwe denken volgens Agamben een taak voor de komende generatie. Tot die tijd valt er genoeg te leren over de hopeloze conditie van onze tijd met een guided tour van Giorgio Agamben.


Beeld: (1) De Italiaanse marine redt duizend vluchtelingen uit de Middellandse Zee bij Sicilië, 2015 (Fabrizio Villa / Polaris Images / HH); (2) Giorgio Agamben, 2001 (Ulf Andersen / Getty Images).