Gids in de speurtocht naar ordelijke vrijheid

L’Ancien régime en de revolutie van Alexis de Tocqueville leert dat je altijd kritisch moet staan tegenover het verhaal dat revoluties over zichzelf vertellen.

Jacques-Louis David, De kroning van Napoleon, 1805-1807. Olie op canvas, 62,1 cm x 97,9 cm © Louvre Museum

De revolutiegolf in de Arabische wereld leek ongekende kansen te bieden. Een liberale democratie in het decennia achtereen door militairen geregeerde Egypte? ‘Waarom niet?’ dacht de seculiere jeugd. Een islamitische staat? ‘Dit is ons moment’, meenden de salafisten. Maar militairen die veertig procent van de economie in handen hebben, geven hun belangen niet zomaar op. Het verleden laat zich nu eenmaal niet zo gemakkelijk aan de kant duwen. Zelden is een revolutie de abrupte breuk met het verleden die de revolutionairen erin zien.

Hierover gaat l’Ancien régime en de revolutie (1856) van de Franse reiziger, denker en politicus Alexis de Tocqueville (1805-1859). Zijn klassieke studie over wat voorafging aan de Franse Revolutie verscheen onlangs in het Nederlands in een zeer leesbare vertaling van Berend en Bram Sommer. Hun vader, Volkskrant-columnist Martin Sommer, wijst in zijn uitvoerige voorwoord op een tweede fundamenteel inzicht dat Tocqueville bood in het fenomeen revolutie: revoluties ontstaan niet alleen vanuit ongelijkheid, maar vooral vanuit de als onrecht ervaren gevolgen ervan en de hoop dat die toestand kan veranderen.

In de tweede helft van de achttiende eeuw was de Franse economie alleen maar gegroeid, wat de middenklasse relatief welvarend had gemaakt. Op economisch gebied, maar ook in cultureel opzicht was er nog maar weinig dat de bourgeoisie in de steden deed verschillen van de adel. De afschaffing van de standenstaat leek nog slechts een formaliteit. Maar waarom was daar in Frankrijk een allesverslindende revolutie voor nodig?

Opmerkelijk is dat L’Ancien régime en de revolutie nauwelijks over de eigenlijke Revolutie gaat. Tocqueville overleed voordat hij het tweede deel kon schrijven. Aanvankelijk was hij zoiets niet eens van plan: Tocqueville beoogde een studie te maken naar het keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Hij hoopte te doorgronden hoe dit het Frankrijk van de negentiende eeuw had beïnvloed, en vooral: antwoord te krijgen op de vraag waarom het steeds maar niet wilde lukken stabiele politieke instituties te vestigen in post-revolutionair Frankrijk. Hij voltooide twee hoofdstukken, maar liep vervolgens vast in wat hij de ‘oceaan van de Revolutie’ noemde – de periode 1789-1794. Wat nu?

In de stad Tours, waar de aan tuberculose lijdende Tocqueville een kuur deed, besloot hij een blik te werpen in de archieven van de généralités, de belangrijkste bestuurseenheden in de tijd van de absolute monarchie. Het Ancien régime gold als een verloren gegane wereld, dankzij de Revolutie voor altijd van het heden afgesneden. Maar in Tours kwam Tocqueville tot de ontdekking dat het in veel opzichten nog springlevend was. Wanneer hij het moderne Frankrijk wilde doorgronden, zou hij bij het oude moeten beginnen.

Tocqueville geldt als een van de grote theoretici van de moderne democratie. Dit vooral dankzij de twee delen van De la démocratie en Amérique (1835, 1840), het verslag van een rondreis van negen maanden door de Verenigde Staten van president Andrew Jackson. Hierin wees hij op gevaren die de vrijheid in een democratie bedreigen, zoals de ‘tirannie van de meerderheid’, maar ook de neiging tot conformisme. Hij wees op het belang van lokale autonomie en de moeurs – de zeden en gewoonten. De la démocratie en Amérique is wel ‘het beste boek over Amerika door een niet-Amerikaan’ genoemd. En nog steeds laat geen tafelredenaar in Washington een gelegenheid voorbijgaan om met een citaat van Tocqueville te strooien. ‘There is no bore like a Tocquevillian bore’, schreef de publicist Adam Gopnik ooit in The New Yorker, ‘no game quite so easy to play as the game of saying that Tocqueville saw it all before it happened.’

Deze verleiding kan ook Martin Sommer, in zijn verder inzichtrijke voorwoord, niet weerstaan. Tocqueville’s analyse van het Ancien régime doet hem denken aan de Europese Unie en de weerstand daartegen. En ook maakt hij Tocqueville tot gids in het huidige populismedebat. Maar voor zover Tocqueville inzicht in onze tijd verschaft, zegt het toch vooral iets over de degenen die hem aanhalen.

De Tocqueville’s populariteit in Nederland is van betrekkelijk recente datum. Tegenwoordig beroept zowel premier Rutte als voormalig cda-lijsttrekker Sybrand Buma en FvD-voorman Thierry Baudet zich op hem. Dat laatste verbaast enigszins, omdat Tocqueville op geen enkele manier de klok wil terugdraaien, zoals Baudet wenst. Een weg terug was er niet. Hoe kon het streven naar gelijkheid dat Tocqueville overal ontwaarde worden gevangen in instituties die een ordelijke vrijheid garandeerden? Dat was dé grote vraag die Tocqueville voortdreef.

De Revolutie had korte metten gemaakt met de standensamenleving, maar sindsdien bewoog Frankrijk zich tussen chaos en despotisme. Het Amerikaanse voorbeeld leerde dat gelijkheid kón samengaan met duurzame en vrije instituties. Maar dat kwam toch vooral doordat het Amerikaanse volk ‘het meest Verlichte’ was, wiens ‘praktische politieke opvoeding het verst gevorderd’ was. Een uniek onderwijssysteem, de protestantse godsdienst en de lokale autonome bestuursinstellingen hadden dit mogelijk gemaakt.

Het Amerikaanse model was misschien niet één op één te importeren, toch bood het volgens Tocqueville de belofte dat het met Frankrijk uiteindelijk goed zou komen. Maar tegen de tijd dat hij zich aan l’Ancien régime en de revolutie zette, was hij daar niet meer zo zeker van.

De populariteit van Tocqueville bij conservatieven als Baudet verbaast. Want hij wilde juist níet de klok terugdraaien

De Julimonarchie was in 1848 roemloos ten onder gegaan in de zoveelste revolutie. In 1851 volgde de staatsgreep van ‘prins president’ Louis Napoleon, die Tocqueville, sinds eind jaren dertig actief als politicus, tot innerlijke emigratie zou veroordelen. Vervolgens kwam het Tweede Keizerrijk. Tocqueville’s ideaal van een ordelijke vrijheid was daarmee verder weg dan ooit. Dat stemde hem droef, maar wekte tevens het idee dat er meer aan de hand was. Om dat begrijpen besloot hij tot een tweede reis, eentje terug in de tijd, naar de wereld waar Frankrijk mee dacht te hebben gebroken.

Hoe zag die Franse achttiende eeuw eruit? Wat pre-revolutionair Frankrijk deed verschillen van andere Europese landen was dat de adel tot een parasitaire klasse was verworden. De aristocraten vervulden nauwelijks nog bestuurlijke functies, keken niet om naar het onderhoud van wegen en bruggen en sprongen niet bij in het geval van misoogsten en rampen. Ook waren ze vrijgesteld van de taille, de belasting waaraan de bourgeoisie was onderworpen die de Franse koning die eeuw systematisch had verhoogd. Het contrast tussen de adel en de rest van de bevolking was er steeds pijnlijker door geworden.

Verantwoordelijk voor deze situatie was volgens Tocqueville de centralisatie, een proces van eeuwen waarbij de Franse koningen geleidelijk steeds meer macht naar zich toetrokken. Oude feodale instituties als de Staten-Generaal of de lokale parlementen bleven in naam bestaan, maar werden van hun werkelijke macht beroofd.

Het funeste gevolg daarvan was dat de kunst van onafhankelijk zelfbestuur in Frankrijk in de loop der eeuwen was verdwenen. En die autonomie, had Tocqueville eerder in de Verenigde Staten gezien, was dé voorwaarde voor een functionerende liberale democratie. Tegenover de macht van de vertegenwoordigers van de koning stond de publieke opinie die volledig werd beheerst door de hommes des lettres. Onbekend als zij waren met de complexe werkelijkheid van het openbare bestuur, hadden zij zich in toenemende mate gericht op abstracte vraagstukken. Een eenduidige politieke theorie was er niet.

Wel waren zij het erover eens dat de feodaliteit vervangen diende te worden door simpele, elementaire regels, afgeleid van de toepassing van de rede en het natuurrecht. Met deze ‘literaire politiek’ kanaliseerden de hommes de lettres de heersende onvrede, maar afgesneden als zij waren van de taaie bestuurspraktijk zagen zij niet welke enorme obstakels uit de weg geruimd moesten worden om ook maar de geringste hervorming te verwezenlijken.

De koninklijke Bourbons werden op brute wijze van het toneel getrokken, maar hun werk – de centralistische staat – bleef overeind, om later door Napoleon te worden vervolmaakt. De consequentie was volgens Tocqueville dat de Fransen in alle opstanden en revoluties die volgden waren gedoemd ‘het hoofd van de Vrijheid’ op een ‘onderdanig lichaam’ te plaatsen. Denk aan de almacht van president Emmanuel Macron en je beseft dat dit nog altijd een van de diepere inzichten in de Franse samenleving is.

Maar als het werk van de Revolutie – de gelijkheid en het centralisme – al vóór 1789 was verwezenlijkt, zoals Tocqueville beweerde, was de Revolutie dan wel noodzakelijk? Zelf meende hij van niet. Wat zij tot stand bracht zou ook zonder revolutie zijn gerealiseerd.

Het is de vraag of Tocqueville gelijk had. De Revolutie was een eerste en direct gedoemde poging om Rousseau’s notie van ‘macht aan het volk’ operationeel te maken. De periode 1789-1794 vormde het kruispunt waarop de egalitaire ideologie en het machtsstreven van de revolutionairen elkaar ontmoetten. Daarmee was zij niet minder dan de geboorte van de moderne democratische politiek.

Fraai zag dat er niet uit. Mirabeau, de constitutionele monarchisten van de Feuillants, en ten slotte Robespierre, de girondijnen en de jakobijnen – allemaal breidden ze de revolutie uit met de bedoeling tegenstanders uit te schakelen. Deze dynamiek eindigde in de Terreur (Tocqueville’s geliefde overgrootvader Chrétien-Guillaume de Lamoignon de Malesherbes zou hierbij op de guillotine het leven laten, en zijn ouders raakten zwaar getraumatiseerd). Tocqueville zelf slaagde er niet in om zijn vinger helemaal achter de periode te krijgen. Vooral de buitengewone vitaliteit van de egalitaire ideologie bleef voor hem iets onpeilbaar kwaadaardigs houden, een ‘virus van een nieuw en onbekend soort’.

Franse historici hebben wel gesuggereerd dat Tocqueville te veel de gevangene was van zijn eigen idee van continuïteit om het fundamenteel nieuwe van de Revolutie te kunnen zien. Maar de blijvende waarde van l’Ancien régime en de revolutie ligt ergens anders, namelijk in het besef dat je kritisch moet staan tegenover het verhaal dat revoluties over zichzelf plegen te vertellen.

Dit verklaart eveneens Tocqueville’s prominente plaats in het conservatieve pantheon. Conservatieven staan sceptisch tegenover het menselijk vermogen de wereld te herscheppen. Een zekere nederigheid ten opzichte van de taaiheid van de geschiedenis is geboden. Mensen maken die geschiedenis, maar, en dat legt L’Ancien régime en de revolutie haarfijn bloot, ze weten lang niet altijd wélke geschiedenis ze maken.