1991: De man van het midden - Wim Kok

Gids van het gidsland

Na de vakbond kwam voor Wim Kok de Partij van de Arbeid. In de jaren na Den Uyl wist hij als voorman de PvdA weer in het centrum van de macht te krijgen. Maar uiteindelijk wachtte hem, toen premier, het drama Srebrenica.

Gedurende de hete zomer van 1991 vraagt Wim Kok zich af of hij niet te ver voor de troepen uit is gelopen. Hij is akkoord gegaan met de bezuiniging op de wao en heeft daarmee de belofte aan zijn partij gebroken. Met een beperking van zowel de hoogte als de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering grijpt het kabinet-Lubbers III rigoureus in het oude beleid in. Het kabinet passeert de Sociaal-Economische Raad (ser) rechts, door verder te gaan dan werkgevers en werknemers hebben geadviseerd. Een opstand in de pvda is het gevolg. In de eerste dagen na het kabinetsbesluit, dat Kok in de nachtelijke uren van 14 juli nog ‘sociaal verdedigbaar’ heeft genoemd, spoelt een golf van verontwaardiging door de partij. De pvda begrijpt haar voorman, vice-premier en minister van Financiën onder Lubbers, niet meer.

Kok wordt persoonlijk overweldigd door het verzet: hij kan er niet meer van slapen. Hij zit helemaal stuk. Zijn gemoed zegt hem dat hij heeft gefaald en niet verder kan. Voor het eerst in zijn publieke bestaan heeft hij het gevoel dat hij niet vaak genoeg achterom heeft gekeken om te zien of zijn mensen hem wel volgen. In de loop van augustus wordt hij radeloos. Het meest dramatisch is dat hij merkt dat mensen in zijn naaste omgeving het wao-besluit niet kunnen begrijpen en dragen. De manier waarop mensen hem aankijken in de winkel, in de tram of waar dan ook, spreekt boekdelen. Hij overweegt het bijltje erbij neer te gooien.

De wao-crisis maakt hem een politicus. Rita Kok, zijn enige echte ‘maatje’, pvda-minister Jan Pronk en fractieleider Jacques Wallage spreken hem duchtig toe, zeggen hem vol te houden en opperen een speciaal congres om de achterban te overtuigen van de zinnigheid van zijn keuzes. Tijdens dat congres, in september in de Nijmeegse stadsschouwburg De Vereeniging, doet Kok een beroep op de partijgenoten hem alsnog te volgen. Hoewel daaruit nederigheid spreekt, speelt hij hoog spel door zijn lot aan de wao-ingreep te verbinden. Hij stelt zijn aanhang voor de keuze in te stemmen met de beperkingen van de wao, óf hem te offeren als partijleider. De overgrote meerderheid volgt hem.

Het Nijmeegse congres is een keerpunt in de geschiedenis van de pvda. Kok opent de partij de ogen voor de noodzaak de verzorgingsstaat op maat te brengen en een brug te slaan tussen de oude aanhang en de middengroepen. Hij verstevigt ook zijn gezag in de pvda, ofschoon hij daartoe wel zijn toevlucht moet nemen tot het zware drukmiddel van een mogelijk koningsoffer.

‘Nijmegen’ markeert bovendien de eerste keer dat de partij instemt met een inkrimping van de verzorgingsstaat. Eerdere pogingen tot zo’n koersverlegging zijn gestrand. In 1984, nog ten tijde van Den Uyl, pleiten Jo Ritzen, Thijs Wöltgens en Jos van Kemenade in Om een werkbare toekomst voor een minder vrijblijvende verzorgingsstaat, waarin tegenover het recht op een uitkering de plicht tot solliciteren of bijscholing staat. Het rapport valt in de pvda als zaad op een rotsige bodem. De teneur van de kritiek luidt dat links toch zeker niet voor de prestatiemaatschappij is. Joop den Uyl deelt Wöltgens in bij de ‘neorealisten’, wat hij niet positief bedoelt. Het besef van een crisis in de verzorgingsstaat is nog niet doorgedrongen.

Kok zet als minister van Financiën een recordbedrag aan bezuinigingen op zijn naam. De overheidsfinanciën zijn volgens hem ziek, wat niet in het belang is van de bevolking. Hij vindt de uitgaven die hij aan rente op staatsleningen moet voldoen zondegeld. Ook de bezuiniging op de wao doet hij uit overtuiging. Een uitkering die op grote schaal oneigenlijk wordt gebruikt, zoals op dat moment de arbeidsongeschiktheidsuitkering, ondermijnt volgens hem op den duur het maatschappelijk draagvlak voor de verzorgingsstaat. In een soort stilzwijgende overeenkomst misbruiken werkgevers en werknemers de wao, een hogere uitkering dan de WW en niet beperkt in duur, als een luxe afvloeiingsregeling. Het gevolg is dat er op een beroepsbevolking van zes miljoen één miljoen mensen als arbeidsongeschikt staan geregistreerd. Tegen die achtergrond doet Lubbers in 1989 de uitspraak: ‘Nederland is ziek.’

Bij zijn aantreden als pvda-leider in 1986 ziet Wim Kok het als zijn taak ervoor te zorgen dat de partij weer relevant wordt. De verkiezingen van dat jaar wekken in de pvda het gevoel van existentiële nood. De partij lijkt er niet meer toe te doen, voor de machts- noch voor de ideeënvorming.

Wim Kok wordt overweldigd door het verzet tegen het WAO-besluit: hij kan er niet van slapen, zit helemaal stuk

De sociaal-democraten hebben campagne gevoerd met de slogan ‘Kies de pvda in een nieuwe regering’. Het doel is zich te presenteren als hét alternatief voor de zittende coalitie van cda en vvd onder leiding van de christen-democraat Ruud Lubbers. Op de pvda-affiches staan Kok en Joop den Uyl gebroederlijk naast elkaar, als de komende en de gaande man. Met 52 zetels (een winst van vijf) evenaart de partij op één zetel na het record dat Den Uyl in 1977 met zijn kabinet als inzet boekte. Maar de overwinning smaakt zuur, niet zoet, want binnen de kortste keren is de pvda uit de formatie gemanoeuvreerd. Het cda, net iets groter, moet er niet aan denken weer met de pvda te regeren en kiest zonder omwegen voor voortgezette samenwerking met de liberalen. In de pvda-annalen staat het stembusresultaat van 1986 sindsdien te boek als de ‘overwinningsnederlaag’.

Ook in de vorming van politieke ideeën die op de eigen tijd zijn toegesneden is het dood tij in de pvda. Intellectueel staat het in 1980 gevormde cda op voorsprong, dankzij de grondige ideologische exercitie die het Wetenschappelijk Instituut onder leiding van Arie Oostlander heeft ondernomen. In het cda vormen katholieken, hervormden en gereformeerden voor het eerst in de geschiedenis één politiek huis en het is geen sinecure een bindend gedachtegoed te formuleren voor geloofsgroepen met zulke grote verschillen in ideeën, cultuur en mentaliteit. Dat vergt ruimte voor het denken, wat in een hiërarchische en risicomijdende organisatie als een politieke partij altijd lastig is. Oostlander zoekt daarom medewerkers die ‘riskante onderwerpen’ aandurven, zoals het recht op een huwelijk voor homo’s, en geeft hun de opdracht alles wat los en vast zit uit de eigen traditie te lezen, op zoek naar een eigentijdse ideologie die de maatschappelijke ordeningsprincipes van de katholieken en de protestanten samenbrengt. Het resultaat is het baanbrekende rapport Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij, dat de ideologische grondslag legt voor het beleid van de kabinetten-Lubbers.

De pvda is in die jaren vervallen in een richtingloos radicalisme. Het enige wat nog houvast geeft is het verzet tegen de plaatsing van kruisraketten, een plan dat in de pvda als een sjibbolet fungeert om te beoordelen of iemand politiek al dan niet deugt. Verder is de partij niet echt bij machte een alternatief voor Lubbers te formuleren, behalve dan dat de pvda tegen is. De economische crisis heeft de pvda bovendien haar ideologische wapens uit handen geslagen. Welbeschouwd is de koers nog altijd gebaseerd op het gedachtegoed dat Joop den Uyl sinds de jaren vijftig heeft ontwikkeld, eerst als directeur van de Wiardi Beckman Stichting en later als politiek leider. In zijn belangrijkste geschrift, Om de kwaliteit van het bestaan, formuleert Den Uyl in 1963 een optimistisch programma om mensen meer bestaanszekerheid te geven, met hoge overheidsinvesteringen in welzijnswerk, cultuur, onderwijs, zorg en woningen. Dat programma vormt ook de beleidsbasis van zijn kabinet. Het probleem is dat het rust op de veronderstelling dat het benodigde geld voor de expanderende publieke sector als vanzelf uit een steeds maar groeiende economie komt rollen.

Met de aanhoudende economische crisis is die bron drooggevallen, zonder dat de pvda een alternatief voorhanden heeft. Den Uyl zelf neemt zijn toevlucht in een grotere greep van de overheid op de economie, om zijn publieke investeringsprogramma alsnog te realiseren. Hij geeft in die jaren blijk van een groot geloof in de staat als superieur economisch en sociaal beheersapparaat, onder leiding van de politiek. Het resultaat is dat de pvda in 1986, in het twintigste jaar van Den Uyls leiderschap, nagenoeg stilstaat in het denken over een verhouding tussen overheid, markt en maatschappij die bij de economische omstandigheden van die tijd past. Het cda heeft de sociaal-democraten daarin de loef afgestoken, dankzij dat rapport Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij.

Door deze stagnatie verkeert de pvda in een kramp. Grote politieke leiders als Den Uyl zijn de verpersoonlijking van een koers en zij moeten eerst vertrekken voor een koersverlegging mogelijk is. Dat geeft het aantreden van Kok als partijleider nog meer de dimensie van een belofte voor de toekomst. Met hem, de oud-vakbondsman, krijgt de pvda een leider die al bij het sluiten van het Akkoord van Wassenaar, vier jaar eerder, kritiek heeft geuit op de overmaat aan zeggenschap die de pvda de staat toekent. Kok is er principieel van overtuigd dat hervormingen alleen succesvol kunnen zijn als ze gepaard gaan met een maatschappelijk vergelijk. Hij is voorstander van een stijl van politiek handelen die zoekt naar maatschappelijke consensus en samenhang.

De last van die verantwoordelijkheid drukt zwaar op hem, merken de mensen in zijn omgeving. Hij is zelden vrolijk, vaker nors. Om hem heen is het klimaat van niveau Antarctica, zeggen ze. Sommigen hebben een ochtendhumeur, Kok heeft dat 24 uur per dag. Hij is geen jongen van de gestampte pot, erkent hij ook zelf. Hij houdt het liever zakelijk, want in een sfeer van oude jongens, krentenbrood wordt het overleg al gauw te knus. Waterfietsen vindt hij leuk, zegt hij, maar niet als het op het journaal komt. Humor heeft hij wel, in de sfeer van fijnzinnige ironie. Verwacht van hem geen dijenkletsers.

Rita Kok vindt het oneerlijk dat pvda’ers zo klagen over het humeur van haar man. Probeer maar eens vrolijk te blijven als je gewetensvol en in het besef van je zware verantwoordelijkheid je werk doet. Haar man werkt permanent onder hoogspanning. Dan is het niet zo moeilijk om wat onplezierige anekdotes over zijn chagrijn op te tekenen. Hij is soms een kwetsbare man, weet zij na al die jaren met hem samen, die niet alleen in de storm rond de wao-ingreep slapeloze nachten heeft, maar hij past ervoor die emoties in het openbaar te tonen. Kok waardeert het zeer van Rita dat zij zijn moeder belt als andere politici op tv kwaad over hem spreken of de waarheid over hem verdraaien. Daaruit blijkt weer dat zij hem feilloos aanvoelt.

Politiseerde Den Uyl tot zijn naaste medewerkers er bijkans gek van werden, Kok depolitiseert

In 1989 treedt de pvda toe tot het derde kabinet-Lubbers. Kok heeft de pvda binnen drie jaar na zijn komst als partijleider teruggebracht in de Trêveszaal. Voor het eerst sinds 1977 verkeren de sociaal-democraten weer in het centrum van de macht, het ongelukkige intermezzo met Van Agt II daargelaten. Kok is geslaagd in de opdracht die hij zichzelf heeft gesteld. De pvda is weer relevant en de partij heeft gebroken met de heilloze, soms bijna agressieve polarisatiestrategie waarmee ze zichzelf lange tijd in het isolement dreef. Dankzij de rapporten Schuivende panelen (1987) en Bewogen beweging (1988), waarin de partij zich inhoudelijk heeft geheroriënteerd, is de pvda volgens Kok ook ‘verstandelijk’ voorbereid op de terugkeer naar de regering.

De pvda heeft naar dit moment gesnakt. Na al die jaren van vruchteloze oppositie stemt het congres grif, zonder één tegenstem, in met de deelneming aan Lubbers III. Maar is Kok niet te gretig geweest in zijn doorsteek naar de macht? Heeft de pvda haar programmatische heroriëntatie niet halverwege gestaakt, met het risico overvallen te worden door onvoorbereide keuzes? In navolging van Kok neemt de partij afscheid van de polarisatie en relativeert ze het machtsbereik van de overheid. Maar in Schuivende panelen noch in een van de andere vernieuwingsrapporten rept de partij over een links bezuinigingsprogramma.

Dat de ingreep in de wao de pvda toch zo onverhoeds overvalt, ondanks de evidente noodzaak van die maatregel, duidt erop dat de heroriëntatie na Koks aantreden in 1986 onvoltooid is. In Lubbers III regeert de pvda weer, zij het met een koers waarvan het sociaal-democratische gehalte kwestieus is. Behalve door het ontbreken van een links bezuinigingsalternatief komt dat doordat Schuivende panelen en Bewogen beweging te veel rapporten uit de studeerkamer zijn gebleven, met weinig neerslag in het partijprogramma. De partij heeft beide nota’s voor kennisgeving aangenomen en is overgegaan tot de orde van de dag.

Dat komt ook door Kok. In zijn streven de oppositie zo snel mogelijk te verlaten, toont hij weinig interesse in een politieke exercitie als een nieuwe ideologische plaatsbepaling. De doorsteek naar de macht moet na 1986 zo kort mogelijk zijn. In dat verlangen is diepgaand ideologisch debat over het sociaal-democratische programma eerder oponthoud dan een essentiële voorwaarde voor hernieuwde deelname aan het landsbestuur.

In de wao-crisis wordt op ontluisterende wijze duidelijk dat de partij geen werkelijk alternatief heeft voor de politiek die met Lubbers in 1982 haar intrede heeft gedaan, met die logica van bezuinigen, inkrimpen en kleiner maken van de overheid. Minder is beter, beter is goedkoper, luidt het motto sindsdien, en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. De pvda laat na om een weerwoord te formuleren op de decentralisaties, privatiseringen en andere grote veranderingsoperaties die uit de bezuinigingslogica voortkomen. Het ontbreken van een werkelijk alternatief versterkt de indruk dat ook in Nederland de sociaal-democratie in de verdediging is gedrongen, na de mislukking van het ‘reëel bestaande socialisme’ in het Oostblok. In dat licht krijgt het feit dat Lubbers III op 7 november 1989, twee dagen vóór de val van de Muur, aantreedt een bijna omineuze lading. Op dat moment zelf verkeert de pvda in een andere stemming. De partij regeert weer, de polarisatie is een gesloten boek, alles is in orde.

Zonder meer speelt de stijl van Wim Kok mee in het wazig worden van het sociaal-democratische profiel van de pvda. Voor hem is het bestuur de kern van de politiek. Kok is een ‘mediator’, hij brengt geen spanning in de discussie, integendeel, hij probeert deze eruit te halen. Zelf wacht hij met het innemen van een standpunt tot het laatste moment. Bij hem wordt alles overwogen zolang hij niks heeft besloten. Als minister van Financiën besluit hij een discussieronde niet zelden met de opmerking: ‘Ik wil er nog een nachtje over slapen.’

Kok betreurt zijn uitspraak over het afschudden van ideologische veren eigenlijk meteen

Politiseerde Den Uyl tot zijn naaste medewerkers er bijkans gek van werden, Kok depolitiseert. Een oppositieleider máákt problemen, een vakbondsvoorzitter lost ze op. Dat doet hij door veel te luisteren en veel te praten, het beeld van alle ruis te ontdoen en ten slotte de essentie boven te brengen.

Hij mag dan lang wachten met het innemen van een standpunt, hij weet meestal wél waar hij wil eindigen. In 2001 legt hij met zijn stijl van leiderschap de meesterproef af, in de kwestie-Zorreguieta. Hoewel hij publiekelijk zwijgt en sommigen dat voor besluiteloosheid houden, staat de uitkomst voor hem van meet af aan vast: de vader van Máxima, oudgediende van het bloedige dictatoriale Argentijnse regime van Jorge Videla (1976-1981), mag niet aanwezig zijn bij haar huwelijk met Willem-Alexander. Hij vreest anders voor een discussie die de samenleving splijt, met hoogstwaarschijnlijk ook voor de monarchie desastreuze effecten. Ook zelf zou hij de aanwezigheid van die man niet kunnen verdragen. Hij tilt zwaar aan goed en kwaad en het is voor hem evident in welke categorie Máxima’s vader valt. Hij stuurt Max van der Stoel, gepokt en gemazeld in het diplomatieke verkeer, op een stille missie. De oud-pvda-politicus weet Zorreguieta ervan te overtuigen dat hij weg moet blijven. Thuis, in de stadsvilla in Slotervaart, is de opluchting groot. ‘We hebben staan dansen in de kamer’, vertelt Rita.

Zijn stijl staat niet los van zijn weerzin tegen utopisme en de bijbehorende grootse vergezichten en aangezette woorden. Hij is, na zijn langjarige ervaring in de vakbeweging, beducht voor het fanatisme van de zuivere standpunten. Als man van het midden in het veld van de radicalen heeft hij die beduchtheid als tweede natuur ontwikkeld. In de Den Uyllezing die hij in 1995 in de Rode Hoed houdt, onderscheidt hij idealisme van utopisme. Idealisme is in de politiek een noodzaak, utopisme een doodzonde. Over dat eerste zegt hij: ‘Ik betrek de stelling dat wie uitsluitend uit het bestaande zijn normen afleidt het vermogen mist de werkelijkheid te beïnvloeden.’ Over utopisme oordeelt hij: ‘Wie omgekeerd de werkelijkheid uitsluitend ziet als een ongemakkelijk gegeven dat niet zou mogen bestaan, maakt mens en maatschappij ondergeschikt aan de tucht van een droom.’

Ondanks het radicalisme, soms zelfs utopisme dat zowel de fnv als de pvda in zijn tijd soms vertoont, houdt hij altijd het oog gericht op de noodzaak van consensusvorming. Uitgesproken standpunten en ideologische scherpslijperij horen daar niet bij. In de zestien jaar van zijn pvda-leiderschap heeft Kok geen richtinggevende redes of publicaties op zijn naam gezet, op de Den Uyllezing na. En deze ene keer dat hij een diepere beschouwing wijdt aan zijn visie op de sociaal-democratie bekomt hem ook nog eens slecht, door die ene zin waarmee de lezing in het collectieve geheugen is gegrift: ‘Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring.’ De auteur van de lezing, Bram Peper, zal niet hebben bevroed hoezeer de beeldvorming van Kok verbonden zal raken met deze woorden. Peper is een intellectuele alleseter die ook gedurende zijn bestuurlijke loopbaan als burgemeester van Rotterdam (1982-1998) en minister van Binnenlandse Zaken (1998-2000) genoegen schept in het schrijven van politieke essays. Zo is hij behalve van Koks lezing de voornaamste auteur van de Paradisorede waarin Joop den Uyl in 1981 waarschuwt voor ‘Nieuw Rechts’. Op zoek naar een pakkende formulering schrijft Peper de roemruchte zin die hij Kok aanreikt bijna achteloos op, gebruikmakend van de woorden waarmee zijn levenspartner, Neelie Kroes, hem geregeld opbeurt als hij ergens mee zit: ‘Bram, schud je veertjes af!’

Kok betreurt zijn uitspraak eigenlijk meteen. Hem ergert de beeldvorming alsof hij heeft willen pleiten voor een afscheid van de sociaal-democratie en een aanpassing van de pvda aan het liberalisme, de ideologie die na de val van de Muur de overwinning opeist. De reductie tot die ene zinsnede over het afschudden van ideologische veren doet zijn Den Uyllezing geen recht. In zijn betoog filosofeert hij juist over een strijd om de ideologische suprematie tussen het liberalisme en de sociaal-democratie, toegespitst op hun beider visie op de reikwijdte van de overheid. Liberalen streven volgens Kok naar een ‘minimale staat’, om de burgers de ‘maximale vrijheid’ te bezorgen. Sociaal-democraten moeten daarentegen een actieve, interveniërende overheid bepleiten, zolang de macht en de middelen die mensen tot vrijheid in staat stellen ongelijk zijn verdeeld. In zijn slotconclusie zegt hij: ‘De sociaal-democratie zal in die onorthodoxe zoektocht naar omvang en organisatie van de publieke sector voorop moeten lopen.’

In de praktijk van Paars zal de sociaal-democratie niettemin eerder volgend dan leidend zijn. Kok spreekt zijn Den Uyllezing uit op 11 december 1995, ruim een jaar nadat de coalitie van pvda, vvd en d66 onder zijn premierschap is aangetreden. Paars regeert tot 2002 en halverwege, in 1998, boekt Kok met acht zetels winst de enige verkiezingszege in zijn politieke bestaan. Wat de kiezers met deze overwinning ook belonen, een ruk naar links of een dominantie van de sociaal-democratie in de daden van de regering is het niet. vvd en d66 drukken een steviger stempel op het beleid dan de pvda. Op het immateriële vlak heerst er consensus dat Paars de verstoting van de christen-democraten uit de regering moet benutten met de legalisatie van euthanasie, de introductie van het homohuwelijk, de verruiming van de winkeltijden en de opheffing van het bordeelverbod. Hoewel de pvda uit overtuiging instemt met deze maatregelen, gaat de ideologische slag naar vvd en d66. Zij hangen er een liberaal geurvlaggetje aan, door dit beleid te presenteren als een vergroting van de persoonlijke keuzevrijheid.

Nog duidelijker is de liberale dominantie in het materiële beleid. Paars zal de geschiedenis in gaan als de kampioen privatiseren. Hoewel de feitelijke waarheid is dat ook de kabinetten-Lubbers al overheidsdiensten afstoten, is het verschil met Paars dat hun motief vooral de geldelijke opbrengst van de verkoop van overheidsbelangen is. Voor de bezuinigingen is dat geld mooi meegenomen. Paars voert naast dat praktische, financieel-economische argument ook de liberaal gekleurde overweging aan dat de introductie van marktwetten de kwaliteit van publieke diensten goed zal doen.

De groei van de werk- gelegenheid is voor Kok de maatstaf voor het succes van Paars

Het is ook geen toeval dat in 2002, aan het einde van de paarse regeerperiode, het dreigende perspectief van publieke armoede versus private welvaart het politieke debat domineert. Gemeten naar individuele welvaart is Nederland in dat jaar terug in de kopgroep van Europa, overeenkomstig de eis die de liberale leider Bolkestein aan het begin van Paars heeft gesteld. Paars is de welvarende middenklasse ter wille geweest met genereuze lastenverlichtingen, bescherming van het eigen huis en de auto en een milde fiscale benadering van vermogens. Op de sociale regelingen is tegelijkertijd zwaar bezuinigd. Geconfronteerd met die tegenstelling roept de liberale minister van Financiën, Gerrit Zalm, geërgerd uit: ‘Ga naar Armenië of Georgië als je publieke armoede wilt zien!’ Toch vestigen de groeiende wachtlijsten in de ziekenhuizen, de schrale zorg voor ouderen in de verzorgingstehuizen, de vertragingen met de trein en de steeds langere files op de wegen onherroepelijk de indruk dat Paars de publieke sector bekaaid heeft bedeeld, zeker in vergelijking met het geld dat de coalitie naar de middenklasse heeft gesluisd.

Die scheve verdeling van de welvaart is het automatische gevolg van de wijze van begroten die Paars direct bij zijn start heeft afgesproken, beter bekend als de ‘Zalmnorm’. Die norm houdt feitelijk niet meer in dan dat het kabinet een hermetische scheiding introduceert tussen de uitgaven- en de inkomstenkant van de begroting. Dit automatisme verlost het kabinet van de nachtelijke sessies die Lubbers met zijn ministers had als zich een tegenvaller aandiende. De ene minister pleitte dan voor hogere belastingen, de andere voor extra bezuinigingen op de uitgaven, de derde voor een combinatie van beide. Met de norm van zijn minister van Financiën legt Kok zijn kabinet een discipline op die zulke sfeerbedervende, politiek riskante conflicten voorkomt.

Kok heeft daarmee rust in het bestuur gecreëerd. Het politieke gevolg van de Zalmnorm is evenwel dat in de tweede helft van de jaren negentig dat contrast van private welvaart versus publieke armoede ontstaat, als gevolg van de uitbundige economische groei. De norm dicteert immers dat het kabinet de extra belastinginkomsten die het aan die groei dankt direct omzet in lagere lasten voor burgers en bedrijven en niet aanwendt voor hogere uitgaven aan de publieke sector.

In zijn tijd als minister en premier wordt in de pvda van Kok gezegd dat hij aan het land denkt en zijn partij vergeet. Voor die boutade pleit dat hij alleen met de premierbonus een verkiezingszege boekt, in 1998, en alle verkiezingen verliest waarin hij als voorman van de sociaal-democraten aantreedt. Kok ontleent zijn legitimiteit meer aan zijn handelen als bestuurder dan aan zijn profiel als politicus. Den Uyl begeesterde de partij, maar liet de regeermacht al na vier jaar verloren gaan doordat hij als premier in al zijn vezels pvda’er bleef. Kok kan de pvda veel minder beroeren, maar leidt zijn partij wel terug naar de ministerraad en houdt haar daar twaalf jaar achtereen. Als hem wordt voorgehouden dat hij onder bankiers en topondernemers wellicht populairder is dan in de pvda zegt hij: ‘Och, je moet ergens beginnen.’

Het probleem tussen Kok en de pvda zit in de koers die hij in Paars uitzet. Voor hem telt bovenal dat Paars recordcijfers boekt in het herstel van werkgelegenheid, vanouds zijn diepste motivatie in zijn politieke handelen. Als hem wordt gevraagd naar zijn drijfveren diept hij steevast het verhaal over het los-vaste werk van zijn vader uit het verleden op. De timmerfabriek aan de Lekdijk in de Krimpenerwaard, waar zijn vader werkte, stuurde een deel van de arbeiders elk jaar bij de komst van de winter in november de laan uit, om hen in maart of april weer aan te nemen. Zijn vader hoorde steevast bij die groep.

De groei van de werkgelegenheid is voor Kok de maatstaf voor het succes van Paars. Voor het overige lijkt de sociaal-democratie op de tast haar weg te zoeken. Gaan de liberalen vol vertrouwen over hun ideologische superioriteit recht op hun doel af, de sociaal-democraten slaan de Derde Weg in. Alleen al qua beeld maakt dat geen zelfbewuste indruk. Zo verwonderlijk is het dus niet dat Koks uitspraak over het afschudden van de veren een eigen leven is gaan leiden. Onwillekeurig bevestigt Kok met dat beeld van een ideologisch kaalgeplukte pvda de indruk dat zij in dat opzicht niet meer in de voorhoede staat, zoals ten tijde van Den Uyl in de jaren zeventig. In de jaren tachtig raakt ze die positie kwijt aan het cda met zijn ideologie van de verantwoordelijke samenleving. In de jaren negentig moet ze de liberalen voor zich dulden.

Ondanks zijn succes als premier heeft Kok, de man van het midden, altijd bevreesd dat het centrum het niet houdt, dan ook niet echt een weerwoord als in 2002 de exuberante politicus Pim Fortuyn dat midden uitdaagt. Voor de pvda is het wellicht een schrale troost dat Fortuyn met zijn uitgekiende aanval ook de liberalen van hun stuk brengt.

Het tweede kabinet-Kok is dan al gevallen, over het drama Srebrenica. Het absolute, zwarte, meest donkere dieptepunt dat je je kunt voorstellen, zo noemt hij de massamoord op moslims in Srebrenica, een stadje in Bosnië, dat in 1995 onder de bescherming stond van Dutchbat. Zeven jaar na dat beschamende debacle oordeelt het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) dat de regering met de uitzending van de militairen een onverantwoorde beslissing heeft genomen. Op grond van een onvoldragen VN-mandaat heeft ze de soldaten van Dutchbat slecht voorbereid en met onvoldoende uitrusting naar Srebrenica gestuurd. Op dinsdag 16 april 2002, zes dagen nadat Niod-directeur Hans Blom zijn bevindingen heeft gepresenteerd, treedt Kok met zijn voltallige kabinet af. Niet om schuld te erkennen, verklaart hij keer op keer, maar om de morele verantwoordelijkheid die hij zwaar voelt tot uitdrukking te brengen. De latere secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, is in 1995 hoofd van de afdeling die de vredesmissies regelt, ook die naar het uiteengevallen Joegoslavië. Annan krijgt in 2002 de Nobelprijs voor de vrede, Kok treedt af.

Hij ergert zich aan de cynici die zeggen dat het wel zo gemakkelijk is om een maand voor de reguliere Kamerverkiezingen af te treden en geen verantwoording in het parlement af te leggen. Van die verdachtmaking draait zijn hart om, hoewel hij niemand kan verbieden zoiets te denken. Ook het woord ‘vaandelvlucht’ valt in de kritiek op het aftreden. Kok moet daarvan even naar adem happen. Zelf, zegt hij, zou hij wel iets meer consideratie hebben met de afweging die een ander heeft gemaakt. Voor zijn doen uit Kok zich emotioneel. In 1989, nog als fractieleider, was hij zijn emoties niet de baas en liet hij zijn tranen gaan na de stemming over de vrijlating van de Duitse oorlogsmisdadigers Aus der Fünten en Fischer, beter bekend als de Twee van Breda. Hij zegt dat hij een klein hartje heeft als hij oorlogsslachtoffers die hun vertrouwen in hem hebben gesteld pijn doet. Op zo’n moment heeft hij zichzelf niet in bedwang, geeft hij toe.

Bij zijn aftocht uit de politiek omspant Kok als publieke figuur de periode waarin Nederland zich het zelfbeeld van gidsland verwerft, in de jaren zeventig, tot het jaar waarin dat beeld van een voorbeeldig land definitief aan gruzelementen valt, met de publicatie van het Niod-rapport over Srebrenica. De eerste functie die Kok na zijn politieke leven aanvaardt is die van bestuurslid van de International Commission on Missing Persons. De icmp heeft als doel te helpen bij het verwerken van leed van mensen die familie hebben verloren door de oorlogen in het voormalige Joegoslavië. Nog altijd worden circa veertigduizend mensen vermist, van wie dertigduizend afkomstig uit Bosnië. Kok is nog steeds lid.


Beeld: (1) Den Haag, 5 oktober 1991. Johan Stekelenburg, voorman van de FNV, spreekt op het Malieveld een kwart miljoen mensen toe die eisen dat de politiek de handen afhoudt van de WAO (Peter Hilz / HH). (2) Amsterdam, 3 mei 1994. Wim Kok volgt de uitslagen van de parlementsverkiezingen in de kamer van directeur Cox Habbema van de Stadsschouwburg (Bert Verhoeff / HH).