Gien gekkighoid

EEN MAANDAGMIDDAG te Wervershoof. Even voor openingstijd loopt bibliothecaresse Jessica Dip de schappen na. Ze wijst op het uitgestrekte oeuvre van de Westfriese streekromancière Margreet van Hoorn, bij de H tussen Hildebrand en Victor Hugo. Over pastelkleurige ruggen lopen titels als Afscheid van een vlinder, De warmte van het goede en Geen tijd voor tranen.

Geregeld doemt tussen A en Z zo'n lommerrijke oase op. Anke de Graaf met Om nooit te vergeten, Sterker dan wind en water van Henny Thijssing-Boer of Catalijn Claes’ Mooi wieveke.
Het publiek is nauwelijks binnen of de eerste klant, met onder de arm drie Jannetje Visser-Roosendaals, staat al met de ledenkaart te zwaaien.
Het genre streekroman beslaat tien procent van de totale collectie in Wervershoof: ongeveer 2200 titels. Dat is fors, vergeleken met bibliotheken elders in het land. Voor Westfriesland is het heel gewoon.
Jessica Dip haast zich te zeggen dat ze nog nooit ook maar één letter in een streekroman heeft gelezen. Voor haar is het ‘een noodzakelijk kwaad’.
Het is maar goed dat de lezers niet de baas zijn in haar bibliotheek, zegt ze, want dan schoot het aandeel streekroman 'enorm’ omhoog: 'Als we op winst zouden moeten draaien, werd de collectie puur populair. Dat komt, het opleidingsniveau is laag hier.’ Ten bewijze haalt ze uit een bureaula een rapport tevoorschijn waaruit blijkt dat een ruime meerderheid van de Westfriezen de mavo niet heeft afgemaakt.
De bibliotheek is een attribuut in de geestelijke ontwikkeling van de regio. Populaire collecties moeten plaatsmaken voor literair verantwoorde. Zo heeft Jessica Dip geleerd aan de Amsterdamse Frederik Muller Academie, de traditionele opleiding voor bibliothecaressen.
De Rijksoverheid heeft deze aanpak altijd al voorgestaan. In de Notitie Openbaar Bibliotheekwerk van 1994 wordt zelfs gesproken van een 'cultuurpolitieke opdracht’, waardoor de bibliotheek 'het goedlopende en recreatieve’ minder plaats kan bieden.
Onder het bewind van Jessica Dip is de populaire component van de Wervershoofse bibliotheek sterk afgeslankt. Mien van ’t Sant heeft plaatsgemaakt voor Mulisch en Van der Heijden, en als het even kan voor Gaarders Wereld van Sofie. Sinds haar aantreden wordt de aanschaf bepaald aan de hand van recensies in de Volkskrant en de NRC. Tal van literaire kopstukken kwamen voordragen uit eigen werk.
Jessica Dip liet drie leeskringen van start gaan. Daar maken verstokte streekromanlezers kennis met de officiële literatuur. Om de letterkundige geest in ze wakker te roepen. 'Ze moeten plezier krijgen in het lezen van iets anders dan de streekroman. Dat is mijn missie.’
TOCH KAN Jessica Dip de roep om de streek niet helemaal negeren. Af en toe komen de Wervershovers klagen. De nieuwe Anke de Graaf, hoezo heeft u die niet? Sommigen zegden het abonnement op.
Bovendien heeft Dip een bestuur te gehoorzamen. Een bestuur dat onlangs onder overweldigende belangstelling Margreet van Hoorn een lezing liet verzorgen. Een bestuur dat vindt dat van de tien boeken die Dip wekelijks bestelt er drie een streekroman moeten zijn.
Niet van harte prikt ze er 'willekeurig drie’ uit het aanbod.
De bibliotheek van Wervershoof heeft een dependance in Onderdijk. Dat was tot de samenvoeging een zelfstandige bibliotheek, met een eigenzinnige collectie. Tot op de dag van vandaag is tachtig procent van de 6833 boeken in die collectie streekroman. De post is een bolwerk van verzet tegen de literaire machtsovername.
Voor Jessica Dip is er geen redden meer aan. 'Daar staat geen Dostojevski. En als die er nog staat dan haal ik hem eruit. Voor mij is het verloren gebied.’
Dip heeft al verscheidene malen geadviseerd de post op te heffen. 'Maar het bestuur is onverzettelijk. Dat zijn echte Onderdijkers. Voor hen heeft de post veel emotionele waarde.’
Waarom is haar een raadsel. 'Als ik er afschrijfsessies houd, zijn het altijd de literaire werken. Die staan, ik lieg niet, acht, negen jaar in de kast, misschien één keer uitgeleend en dan nooit meer. Ik kom daar jaarlijks saneren. De Onderdijkse collectie is zo goed als bevrijd van belangwekkende literatuur.’
Dus past ze een verstervingsbeleid toe. 'Als ik voor de dependance moet bestellen, zorg ik dat het alleen maar drie populaire boeken zijn. Meestal een streekroman, af en toe een detective.’
WOENSDAGAVOND, zeven uur. De uitleenpost in Onderdijk is zojuist geopend. Op vrijwillige basis zitten Joop Mol en Tiny Morsch te stempelen achter de balie. Ze zijn trots op hun collectie.
Joop Mol is er al lang bij betrokken. 'Mensen uit de buurt kunnen niet zonder de streekroman. Wat zou me dat een gemis zijn. Er wordt regelmatig naar gevraagd.’ Hij grijpt Theo Koomens Bai oos in Bulledoik van de plank. In dialect scandeert hij een passage. En over Zo was 'r maar ien: 'Die heb ik persoonlijk gekend, die vrouw waarover het gaat. Moeder Grietje is dat.’
Over de voornemens van Jessica Dip zijn de twee eensgezind. 'We zullen ons met hand en tand verzetten tegen sluiting van de post. De Westfries die graag uit eigen regio leest, moet toch bediend kunnen blijven. En liefst verstoken blijven van die literaire gekkigheid waarbij je maar tussen de regels door moet lezen.’
Mol en Morsch weten zich in hun onverzettelijkheid gesteund door het bestuur. Onvoorwaardelijk, want Tiny is getrouwd met de voorzitter.
'Ik vind het vreselijk hoe de collectie in Wervershoof eruit is gaan zien’, zegt Joop Mol. 'Om het opleidingsniveau aan te pakken? Dat vind ik een nogal krasse uitspraak. We hebben hier in de streek toch een hoop vooraanstaande personen wonen. Nee, aan dat soort maatschappelijke opdrachten verleent een Westfries geen medewerking. Laat ze die educatie alstublieft achterwege houden, we zijn geen onnozolen.’
De post werd in de oorlog opgericht door mensen uit het verzet. Voor de Onderdijker was het een toevluchtsoord waar vrijwilligers met donaties en kerkgeld een collectie bij elkaar hadden verzameld. De vader van de huidige voorzitter, Tiny’s echtgenoot Tjerk Morsch, was een van de initiatiefnemers. De voorzitter zegt zich nog levendig te herinneren hoe ze de boekhandels afstroopten en in de huiskamer zaten te kaften. De boeken waren dikwijls in het dialect geschreven en bevestigden de Westfriese identiteit. Daar hoefde het geen literatuur voor te zijn.
IN WESTFRIESLAND worden de ontboezemingen van Jessica Dip als blasfemie aangemerkt. Het gebied staat bekend als de bakermat van de streekroman. Tal van coryfeeën schreven hier hun omnibussen vol. Zoals de eerder genoemde Margreet van Hoorn en Willem van Zwol. Dominant zijn verder Anke de Graaf, mannelijke talenten als Maarten Leegwater en Frans Brieffies, en, niet te vergeten de in 1990 overleden Jannetje Visser-Roosendaal, die bij leven al de gelauwerde Jos van Manen-Pietersen voorbijgesneld is in 'meeste uitleningen bij openbare bibliotheken’.
In Hoorn bevindt zich uitgeversmaatschappij Westfriesland, het fonds waar bijna alle streekromanciers publiceren. In het vormelijke kantoor in de Slijksteeg heet directeur Floor Jonkers hartelijk welkom. Het gaat hem voor de wind, zegt hij. Voornamelijk dankzij zijn grootste afnemer: de bibliotheek.
'Meer dan een derde van de totale productie gaat naar de bibliotheken. Streekromans worden ontzettend veel gelezen. Al mijn auteurs staan bij de top honderd van meest uitgeleende auteurs. Zeven bij de eerste tien.’
De bibliotheek blijkt dé plek te zijn waar de hedendaagse streekromanfanaat aan zijn gerief komt. Jonker deed er onderzoek naar. 'In Enkhuizen zegt de helft lid van de bibliotheek te zijn omwille van de streekroman. Zo is het met alle Westfriese bibliotheken. De fervente lezer is niet kapitaalkrachtig genoeg voor de boekhandel. Als de bibliotheken hun streekromans uit de collectie gaan verwijderen, voorspel ik dat het aantal uitleningen spectaculair daalt.’
Bij het woord 'leenrecht’ begint Jonker in zijn handen te wrijven. 'Bibliotheken moeten kapitalen gaan uitkeren aan die in hun ogen zo vermaledijde streekromanschrijvers. Mijn auteurs hebben verheugd gereageerd. Ze zijn vereerd. Nuis had dat leenrecht ingevoerd om een handgebaar naar literatoren te maken.’
Bibliotheken weten zich geen raad met de streekroman, volgens Jonkers. 'Ze doen alsof ze er vies van zijn, terwijl ze een explosie aan uitleningen genieten. Hoe hoger de uitleencijfers, hoe meer subsidie ze krijgen. Ondertussen willen ze belerend zijn. Dat wordt van overheidswege opgelegd. Ze hebben een cultuur in stand te houden. In de recensies van het NBLC wordt dan ook steevast negatief geoordeeld over ons aanbod. En dus komt er ook Mulisch te staan. Vier exemplaren De ontdekking van de hemel, die in een Westfriese bibliotheek niet uitgeleend worden. Terwijl er een wachtlijst is voor die roman van Henny Thijssing-Boer.’
Jonker schuift een brochure met voorjaarsaanbiedingen van 1998 over tafel, waarin tal van jubileumpockets voor de actieprijs van negentien gulden vijftig worden gepresenteerd.
'De streekroman wordt nog altijd beschouwd als de buitenbocht van de schrijverij. Dat is te danken aan Menno ter Braak. Die riep dat Anton Coolen geen literaire pretenties moest hebben. Dat hij maar lekker over die Peel moest blijven schrijven. Daarmee was het dédain voorgoed over het genre uitgesproken. Terwijl Claus met De Metsiers toch ook een streekroman heeft geschreven. Triviale lectuur, het zou wat. Leopold en De Arbeiderspers gaven in de jaren vijftig nog veel streekromans uit. Piet van Aken, om maar eens iemand te noemen. Anton Coolen, Herman de Man, Hendrik Conscience, en niet te vergeten Felix Timmermans met Pallieter.’
Jonker pleit voor een reveil van het genre. 'Er is niets verkeerd aan een streekroman. Het is geen literatuur, nee. De werkelijkheid wordt niet op zijn kop gezet. Het is een bevestiging van wat is. Er staat geen onvertogen woord in, dat klopt. En geen huwelijksconsumpties. Normen en waarden worden wat sterker benadrukt. Ja, er zal pas aarzelend gesproken worden over samenwonen. Allemaal waar. Maar waarom dat niet gelezen mag worden, ik ben daar verbijsterd over. Duizenden lezers wonen in die boeken.’
Het is een gure ochtend als de beheerder van het dorpskerkhof van Venhuizen het graf van Jannetje Visser-Roosendaal toont. Een boeket ligt flets te worden in de regen. De beheerder weet te vertellen dat fervente lezers regelmatig een ode komen brengen. De Historische Vereniging is bezig met de voorbereiding van een herdenkingsjaar waarin de bestseller De mens wikt opnieuw wordt uitgebracht.
Venhuizen is eveneens het dorp van Frans Brieffies. Bij uitgeverij West-Friesland publiceerde hij Terwijl de schepen wachten en De vechtersbaas, werken die het Noordhollands Dagblad kwalificeerde als 'pakkend’. In de woonkamer van zijn stolpboerderij, met uitzicht over de verkavelde polders waar soms zwanen neerstrijken, vertelt Brieffies trots dat Terwijl de schepen wachten binnenkort 'in grootletter’ wordt uitgebracht.
Met zijn manuscript probeerde Brieffies het eerst bij Querido en Van Oorschot. Die wezen het van de hand. Sindsdien heeft Brieffies de hoge literatuur de rug toegekeerd - 'Zo'n Connie Palmen, dat is toch een verfoeilijk verschijnsel’ - om bewust te kiezen voor het genre streekroman. Zijn verhalen gaan over de veranderingen in de agrarische sector, zet hij uiteen. 'Vroeger was het spitten, zaaien en eggen. Sinds de verkaveling gaat alles machinaal. In plaats van de schuit komt de trekker.’
Tegen die mechaniserende achtergrond groeien in Terwijl de schepen wachten twee broers op. De een wordt 'een chagrijnige’ rijke bollenboer, de ander uiteindelijk een 'gelukkige’ muzikant.
Brieffies benadrukt het autobiografische karakter van het boek. 'De man die op de eerste pagina sterft, dat is mijn grootvader. En die muzikant, een vrolijke vrijbuiter, daar heeft mijn vader model voor gestaan. Onze familie was tamelijk muzikaal. Actief binnen de dorpsfanfare. En mijn nichtje Ria, die zat bij de Dolly Dots.’
Het tweede boek, De vechtersbaas, is eveneens gebaseerd op een bestaand persoon. Het boek gaf enige commotie in de streek. Iemand had zich herkend in de 'moffenslet’ die Brieffies in een passage na de oorlog laat kaalknippen.
Tot zijn zestigste verdiende Brieffies zijn brood als leraar Nederlands aan een scholengemeenschap in Enkhuizen. De tweedeling tussen de officiële literatuur en de streekroman heeft hij, achteraf bezien, altijd al bestreden, gek als hij was van 'grensgevallen’ als Theun de Vries, Jan de Hartog en Toon Kortooms. 'Ik kreeg veel verwijten van collega’s als ik zo'n boek besprak. Die weerzin bestaat nog altijd. Als mijn zoons mijn boek op de lijst willen zetten, wordt ze dat verboden. En waarom? Omdat er geen filosofie in zit waar je om de zoveel bladzijden je tanden op stuk bijt?’
Brieffies toont zijn schrijfkamer, waar hij werkt aan een derde roman. Die zal over een dementerende dame gaan, die in het verzorgingstehuis nostalgische visioenen beleeft. Onder het dakraam staat een chaise longue waarop de schrijver bij tijden zijn invallen afwacht. Als hij naar buiten kijkt kan hij de takken van de oude beuk in zijn tuin zien zwiepen. Het laat het gedicht horen waarin hij de beuk bezingt: 'Jai ouwe reus, je ben een eeuw oud, je laikt wel een konin met je kroon die nar boven waist.’
IN MEDEMBLIK woont de 47-jarige belastingadviseuse Els Grinwis, naar eigen zeggen een intensieve streekromanlezeres. In haar kantoor aan huis, met tegen de muur een vitrine vol klederdrachtpoppen, ontvangt ze haar bezoek. Het begon al op school, zegt ze. Tijdens literatuurles verslapte haar aandacht en las ze stiekem onder tafel een streekroman. 'Als je die keukenmeidenliteratuur blijft lezen, wordt het nooit wat met jou,’ had de leraar gezegd.
Op tafel ligt een stapeltje Anke de Graaf, die ze weer volop aanschaft sinds haar verzameling bij een brand in de as werd gelegd. Grinwis wil benadrukken dat het genre met z'n tijd is meegegaan.
'Het blijft de waarde van het ware leven: geluk, trouw en moed, dat klopt. Toch wordt de moderne tijd beslist niet ontkend. Neem de nieuwe Margreet van Hoorn, Tussen licht en schemer. Gaat over een kind met een dwarslaesie. Hoe ga je daarmee om? In een ander werk van haar wordt het thema euthanasie aangesneden. Zo ingrijpend! En hoe verwerk je dat? Indringende situaties, hoor. Andere geliefde eigentijdse thema’s zijn: ouders met problematische puberkinderen of het leven na een herseninfarct.’
Binnenkort begint ze aan Anke de Graaf. 'Ik denk op zaterdag, als de jongens voetballen en mijn dochters uitslapen. Dan laat ik de boel de boel. En lees ik tot ik niet meer kan.’