Gieren

Toen ik in de jaren zestig in een buurt woonde waar doden vielen door een reeks brandstichtingen, kwamen twee raven mee die het Noodlot immer begeleiden: pers en rampentoeristen. Hoewel vredelievend van aard was ik, mede als gevolg van de buurthysterie - waaraan ik enerzijds deel had en die ik anderzijds verbluft observeerde - genegen beide groepen te lijf te gaan. Het bleef bij het uitschelden van categorie twee en het resoluut van de deur sturen van een jonge journalist die ik nota bene redelijk kende.

Rare positie: ik schrijf dit in een journalistiek medium en dagelijks drink ik woorden, geluiden en vooral beelden in die mijn ‘beeld’ van de wereld bepalen. Maar daar en toen had ik het gevoel dat onze angst en ons leed van ons waren en niet van mensen die van heinde en ver uitgebrande panden kwamen bekijken ('echt waar, een heel gezin en wat ging er door jullie heen en zijn jullie zelf nou niet bang?’), noch van een jongeman die 'een mooi verhaal’ bij de kop had (dezelfde vragen in sjiekere vorm), noch van zijn lezers in hun veilige omgeving. Juist wie lijdt, lijkt vogelvrij.
Zeker, daartegenover staat kritiek op onverschilligheid jegens (wereld)leed, maar ook bij stervende Hutu’s vraag ik me vaak af of ik wel het recht heb en, zo nee, hoe dat zich verhoudt tot de plicht om te weten. Een te zware inleiding op een relatief kleine ergernis, maar wie het grote probleem niet aan kan, vlucht wel vaker in het kleine. Er groeit steeds sterker een type journalistiek dat aandacht schenkt aan zaken waar 'ordinaire’ journalistiek en publieksmassa’s zich mee bezig houden maar waar het zich tegelijk (en oneerlijk) boven stelt.
Een schoolvoorbeeld is het type foto waarin niet alleen de stervende op de vlucht maar ook het leger fotograferenden van die stervende is te zien. Ooit en eens wellicht openbarend en integer, inmiddels een methode om net als de anderen het sterven te laten zien en tegelijk de gieren, zich daarmee boven de gieren verheffend.
De Volkskrant heeft hier een handje van. Die tonen hoe persfotografen zich verdringen onder de onbedekte kut van een Latijnsamerikaanse die zich aan haar bejaarde president opdringt - 'ja, ja, die sensatiefotografen’ suggererend - 'ja, ja, die kut zal je bedoelen’, brul ik eenzaam terug. Zoals de complete sportverslaggeving van die krant van dubbelheid aan elkaar hangt: een leger verslaggevers verdient daar zijn brood door jaar in jaar uit boekdelen ironie, debunking en cynisme over wielerkoers en voetbalveld uit te strooien, nationalisme aanklagend doch (uiteraard) de meeste aandacht aan Hollandse paardespringers en Timman bestedend, Nederlandse teams verketterend wanneer die met hard spel hun doel bereiken doch honend wanneer ze geen kampioen worden doordat de vijandige spits niet werd uitgeschakeld (is: gevloerd).
Het bedient een grote groep mensen, onder wie ik, die, dol op sport, weten dat daar werkelijk geen moer van deugt en zo de zonde tegelijk indrinken met de penitentie in de vorm van kritische distantie. Soms denk ik: De Telegraaf is eerlijker.