Een democratie kan niet zonder gezond wantrouwen, nodig om de macht te controleren. Maar hoeveel wantrouwen kan een democratie verdragen?

HET CDA VAN minister-president Jan Peter Balkenende ging drie jaar geleden de verkiezingen in met een programma dat een titel meekreeg waarin maar liefst twee keer het woord ‘vertrouwen’ voorkwam: Vertrouwen in Nederland. Vertrouwen in elkaar. Alle hoofdstukken begonnen ook nog eens met het woord vertrouwen. Alsof het CDA vond dat de Nederlandse samenleving te wantrouwend was geworden en dit tij gekeerd moest worden.
In een maatschappij die is gebaseerd op wantrouwen valt inderdaad niet te leven. Alles moet dan geregeld en gecontroleerd, wat uiteindelijk eindigt in kapotgeregeld en kapotgecontroleerd. Wantrouwen werkt als een gif dat in alle poriën van de samenleving doordringt. Als je daarover nadenkt, realiseer je je hoe groot de rol van vertrouwen is bij veel van wat we doen. Of zoals in het CDA-verkiezingsprogramma te lezen was: ‘Een samenleving zonder vertrouwen is geen sterke samenleving.’
Maar helemaal zonder wantrouwen kan een samenleving ook niet. Toen de conducteurs in de vorige eeuw van de bus en de tram verdwenen, gingen we massaal zwartrijden. Als de politie niet regelmatig controleert, rijden we te hard of onder invloed. Zonder belastingcontrole geven we te weinig op aan inkomen of te veel aan aftrekposten. Zonder internationaal en deskundig toezicht brengen banken hele landen op de rand van een faillissement. Ook een democratie kan niet zonder gezond wantrouwen, nodig om de macht te controleren.
Tijdens het spoeddebat over wat de commissie-Davids wel of niet mag tijdens haar onderzoek naar de Nederlandse steunverlening aan de inval in Irak droop het wantrouwen er vanaf. Op zichzelf was dat niet vreemd. Tenslotte heeft Balkenende een onderzoek naar de gang van zaken in 2003 eerst jarenlang tegengehouden, om vervolgens, toen er alsnog een parlementaire enquête dreigde, coalitiegenoot PVDA daarvan af te houden met het voorstel een commissie van buitenstaanders in te stellen. Balkenende, de leider van de partij met het verkiezingsprogramma dat bol stond van het vertrouwen, vertrouwde niet op een eerlijk onderzoek door de Tweede Kamer.
Na zo’n voorgeschiedenis kon Balkenende verwachten dat met argwaan wordt gekeken of de commissie-Davids wel alle informatie krijgt – ook de geheime – en de ministers het eindrapport van de commissie in het najaar niet gaan vetoën op onwelgevallige informatie. Tijdens het spoeddebat kreeg de minister-president vorige week dus een koekje van eigen deeg. Terecht.
Het debat maakte echter ook duidelijk hoe dun de grens is tussen gezond wantrouwen aan de ene kant en aan de andere wantrouwen om het wantrouwen, met als doel er zelf politiek beter van te worden of er in ieder geval niet beschadigd door te raken. Premier Balkenende en zijn CDA die de rest van de Kamer niet vertrouwen, een groot deel van de Kamer dat de minister-president en het CDA niet vertrouwt. Hoeveel wantrouwen kan een democratie verdragen? En wanneer wordt het een gif dat de democratie zelf aantast omdat het in al haar haarvaten is binnengedrongen?
Na het spoeddebat bleef de vraag sluimeren wat de oppositie zal gaan doen als de commissie-Davids inderdaad alle benodigde informatie krijgt, zoals Balkenende heeft beloofd, en in het najaar laat weten dat ze ook verder in haar werk niet is belemmerd, omdat ook op dit punt de minister-president zijn afspraak nakomt. Zouden de oppositiepartijen dan de moed hebben om te erkennen dat het een grondig onderzoek was? Dat is een kwalificatie die hen vervolgens geheel vrij laat om een eigen politiek oordeel te vellen.
Burgemeester Job Cohen van Amsterdam heeft eens op een bijeenkomst van de politieacademie verteld dat hij worstelde met het evenwicht tussen enerzijds vertrouwen schenken en anderzijds wantrouwend zijn. Toen hij met die worsteling aanklopte bij PVDA-partijgenoot en vriend Herman Tjeenk Willink, tevens vice-president van de Raad van State, zei deze tegen Cohen: ‘Probeer het eens met de waarheid.’
Zo veel wijsheid in slechts zes woorden. Politici zouden het eens moeten proberen, de waarheid. Ook minister-president Balkenende en zijn CDA, bijvoorbeeld als het gaat om de instemming met de oorlog in Irak, de aanschaf van de JSF of de benoeming van Jaap de Hoop Scheffer tot hoogste baas van de Navo. Wie zo de mond vol heeft van het, overigens terechte, belang van vertrouwen in de samenleving, zou zich moeten realiseren dat hij dan eerst zelf te vertrouwen moet zijn. En dat is meer dan zeggen: vertrouwt u maar op mij. Het zal toch vooral moeten blijken uit je doen en laten. Daar hoort in een democratie ook bij dat je je laat controleren.
Balkenende herhaalde vorige week in allerlei toonaarden geen invloed te willen uitoefenen op de bevindingen van de commissie-Davids: ‘Zo zit ik er niet in. Dat zou ik niet willen. De commissie-Davids krijgt alle vrijheid om te werken. Wij houden geen informatie achter. Het is niet mijn intentie dat de vier betrokken ministers het hele rapport voorafgaand aan de publicatie lezen.’
Stel dat Balkenende het dit keer op het Irak-dossier inderdaad in alle openheid probeert met de waarheid, dan zou het de oppositie sieren als ze dat ook zou proberen, hoe moeilijk dat gezien Balkenende’s houding van de afgelopen jaren ook is. Het gaat bij de commissie-Davids niet meer om de vraag of een partij voor of tegen de instemming met de inval in Irak was, maar om de vraag of het toenmalige kabinet de hele waarheid op tafel had gelegd toen het instemde met die inval en de Kamer vroeg dat ook te doen.
Kom op, probeer het eens. De democratie wordt er een dienst mee bewezen.