Man in de Kas

Regie: Sterre Slikkerveer

Portret van gerberakweker Simon in het jaar dat hij 65 wordt. Hij zou het liefst vandaag nog stoppen na vijftig jaar gestage arbeid, om met zijn ‘meissie’ in een aan te schaffen camper met enorme ruiten (want je gaat met zo'n ding om wat te zien) rond te toeren. Dat lijkt een fluitje van een cent maar is het niet, want kennelijk wil geen van zijn kinderen het bedrijf voortzetten (kort genoemd maar niet besproken). Verkopen die hap, zou ik zeggen, maar kennelijk is dat zo makkelijk niet. Af te leiden uit het feit dat hij zegt pas te kunnen stoppen als de gemeente een deel van zijn grond koopt voor woningbouw. Dat zweeft in de lucht maar is verre van zeker. Dat het zonder die verkoop niet lukt zal van doen hebben met het feit dat het bedrijf niet bepaald met de tijd mee is gegaan.

Een lekkende buis met roestplek is al een indicatie, maar waar de buurman-kweker deels geautomatiseerd is en zelfs spreekt over de komende robots (minder personeelskosten en die dingen blijven niet boos weg als je een aanmerking hebt op hun werk) is Simon niet meegegaan in de vaart der volkeren, mede omdat hij zijn tien vrouw en man personeel niet wilde ontslaan. Ook nog personeel met enige afstand tot de arbeidsmarkt, met wier kleine beperkingen een gewone baas geen rekening zou willen houden. Wat zij moeten als Simon stopt is dus verre van zeker. Opvallend genoeg wordt dat onderwerp door Simon niet vermeden – die snijdt het vriendelijk vragend ‘wat ga je doen?’ zelf aan. Antwoord krijgt hij niet.

Het aardige van Man in de Kas is dat het op eerste gezicht iets heeft van een willekeurige film over een willekeurig beroep in een willekeurig bedrijf, maar dat de onderlaag, de vederlichte tragiek, zich langzaam ontvouwt. Zonder nadrukkelijk te worden. Misschien zelfs soms iets te onnadrukkelijk en indirect. Regelmatig vallen de veilingprijzen tegen en gaat er iets mis in de logistiek, dus ja, het gaat niet best.

‘Op weg naar het gewenste einde’, zou je kunnen zeggen, alleen kan dat er niet van komen zolang de gemeente de knoop niet doorhakt. En dat er talloze factoren en regels zijn die een snelle beslissing in de weg staan (ook in tijden van de roep om nieuwbouw), dat bedenkt de kijker er zelf maar bij. Want wij blijven bij Simon in zijn minikantoortje. Simon die wil stoppen maar niet kan. Hoewel je je ook afvraagt (de maakster doet dat niet hoorbaar) of hij niet misschien toch een te grote klapper wil maken. Het directe verband tussen zijn trouw aan kwetsbaar personeel en niet-modernisering is expliciet in de synopsis, maar minder in de film. Toen ik dat las na de film gezien te hebben dacht ik: verrek, gemist. Kan aan mij liggen. De tegenstelling tussen ‘prachtige bloemen’ en uitblussend bedrijf voel ik niet helemaal mee: lelijk hoor, die gigantische gerbera’s. Maar wel een aardige, sympathieke film.

Bellum

Regie: Lotte Salomons

We zien ouderwets behang, deels loszittend. We horen een stem: ‘Ik ben een derde generatie.’ We zien een jongeman in een bredere uitsnede van een kamer, met dat behang, een dakvenster. Met gegeneerd lachje: ‘Als ik er logisch over nadenk, slaat het nergens op dat ik hier nog mee deal. Dat ik hier überhaupt nog iets van voel, dat hier nog aandacht aan besteed moet worden, terwijl het zó niet om mij gaat.’ Kwetsbare blik. Lege zolderkamer. Titels: Bellum, oftewel ‘oorlog’.

Dan, van bovenaf gezien, een zaal met podium, vol lege stoelen. Een vrouw loopt over het podium. ‘Ik leef het leven van mijn voorouders. Zo voelt het. Hun leed, hun pijn, hun gebrek aan bestaansrecht.’ Terug naar de zolder waar nu wat stoelen staan. Stem van een oudere man: ‘Mijn halfbroer kwam ons gillend wakker maken: opstaan, het is oorlog.’ En noemt flarden van herinneringen aan spelen op straat en parachutisten boven Rotterdam. Zo hebben we, blijkt langzamerhand, achtereenvolgens kennisgemaakt met de derde, tweede en eerste generatie. Over die laatste zegt de vrouw: ‘Als mijn vader alles zou vertellen, zoals het vroeger echt was geweest voor hem – dat kán helemaal niet: te pijnlijk, te heftig, te eng.’

Stem van de vader: ‘Als ik er nu over spreek doet het nog meer pijn dan toen, eigenlijk.’ We zagen, in volgorde van ‘opkomst’, Boaz, zijn moeder Vivien en haar vader Henry. En ja, het kan haast niet anders, we zien een joodse werkelijkheid van ongewild doorgegeven trauma en we horen de geschiedenis daarvan. Die wortelt in de angst door vervolging en in de onderduik van de oorlogsgeneratie (waarvoor de nu lege zolder symbool staat).

Vivien, na de oorlog geboren, vertelt over haar jeugd, het gezin, met moeder (‘die was er wel maar was er niet – nog altijd aan het onderduiken’) en vader, die alles voor haar betekende, maar uit het niets in woede kon uitbarsten waardoor een gevoel van veiligheid, essentieel voor een kind, ontbrak. Vader verliet bovendien het gezin waarna ze hem jaren niet zag. Ouders die ook nog eens moesten leven met de vele dierbare doden.

We krijgen zowel een vertelde reconstructie van wat de eerste generatie overkwam als, in een soort theatermonoloog, de beschrijving door Vivien van waar ze naar verlangt, alsof ze nog kind was: veiligheid, ‘waar het goed is’, totale ontspanning; een fijne, zachte plek, lieve mensen die vasthouden en wiegen. ‘Dat ik niet alleen ben. Dat papa niet anders kan.’ Het is een reactie op een verzoek van de regisseur. Het heeft iets voorzichtig therapeutisch. En, blijkt uit de regievisie, het betreft dan therapie in het kwadraat. Want Lotte Salomons is ‘verwant’ met Boaz als ‘derde generatie’. Haar film heeft als doel te onderzoeken of het mogelijk is los te breken van een oorlogstrauma dat het jouwe niet is (maar toch ook weer wel, lijkt me).

Ik raad de film, waar ik langzaam in moest komen, van harte aan. Omdat hij steeds meer raakt. Ik houd niet zo van film als therapie, maar hier is het gevoel van noodzaak zo voelbaar. Is het feit dat er gesprekken worden gevoerd tussen vader en dochter, moeder en zoon, die er eerder nooit waren, heel bijzonder. En hoewel totaal losbreken me haast onmogelijk voorkomt en die filmambitie me ook wel heel hoog gegrepen lijkt, is praten toch vooruitgang. Hoe pijnlijk dat ook kan zijn, zoals duidelijk wordt. Als Vivien haar moeizame moederschap met baby Boaz beschrijft. En Boaz op de vraag waar hij recht op denkt te hebben antwoordt: ‘Een normaal leven leiden; geen paniekaanvallen hebben vanaf je vijftiende; niet fucking vaak gewoon verdrietig zijn.’ Wijs is Boaz als hij zegt: ‘Niet losbreken van trauma, ermee leren leven.’ Hij wil zelfs niet losbreken omdat het trauma op een bepaalde manier ook een eerbetoon is aan wie vermoord zijn. Daarom zou hij ook kinderen willen: om leven door te geven waar geprobeerd is ons dood te maken.

‘Kom vanavond met verhalen’, dichtte Leo Vroman; en het ‘alle malen zal ik wenen’ over die verdwenen oorlog (‘bellum’) kon hij zelf op een bepaald moment niet meer horen: tot cliché geworden. Maar wat blijft die tekst allemachtig waar en verschrikkelijk actueel. Hoewel tranen spaarzaam vloeien bij de hoofdpersonen, deden ze dat wel bij deze kijker. Daar is geen goede film voor nodig, de thematiek volstaat al, zult u zeggen. Maar de film is wél goed. Al overtuigt de keus voor de theatersetting me niet helemaal.

The Underdogs

Regie: Tim Jung

Een sportdocumentaire: de Nederlandse waterpoloploeg, mannen, op weg naar, tijdens en na het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) waarbij een plek op de afgelopen Spelen van Tokio te verdienen was. Weer niet gelukt, zal de sportliefhebber weten. Ik denk niet dat Tim Jung hoopte dat ze het niet zouden halen – dat zou van grote wreedheid getuigen als je zo lang zo intensief met die mannen optrekt en zo lang getuige bent van de tamelijk krankzinnige offers die ze voor hun droomdoel moeten brengen. Al die pijn, fysiek en soms in de geest. Alle onzekerheid: word en blijf ik wel geselecteerd? Halen we het?

Maar ik weet wel, ook uit zijn regievisie, dat hij de kans groot achtte dat het niet ging lukken. Het was immers al twintig jaar niet meer gelukt. Bovendien zijn er landen waar die tak van sport veel hoger aangeschreven staat, door veel meer mensen wordt beoefend en waar er veel meer geld heen gaat. En precies dat – die wanverhouding tussen onvoorstelbare inspanningen waar je maatschappelijk niet veel beter van wordt en de geringe kans op het verwezenlijken van de droom – maakte het kennelijk interessant. En dat is het ook. De meeste (top)sporters beginnen als kind en hebben zo hun helden die we allemaal kennen. De kans ooit zelf zo'n held te worden is miniem.

Want zelfs als je heel ver komt, blijken er op elk toernooi eindeloos veel meer deelnemers dan medaillewinnaars. Stel dat ze zich geplaatst hadden (en zoveel scheelde dat niet eens), dan waren ze uitzinnig van vreugde geweest. Om in Tokio afgedroogd te worden. Montenegro, dat Nederland dik de das omdeed op het OKT, bracht het niet verder dan de achtste plek. Ze waren niet door de koning ontvangen, zoals het merendeel van de olympische ploeg niet bejubeld werd, ondanks een recordaantal medailles. Hun namen waren onbekend gebleven – behalve in kleine waterpolokring waar ze toch al bekend zijn.

Ik denk niet dat je, als je niet van sport houdt, in The Underdogs een film ziet die veel universele lagen aanboort. Het is wat het is: een portret van een missie aan de hand van drie spelers die, ondanks alle inzet en ontberingen, mislukt. Maar het is wel een goed portret, vaak fraai in beeld gebracht. Van afzonderlijke sporters en hun hoop en twijfels; van een opvallend rustige stijl van coachen; en van hoe totale deceptie eruitziet. En klinkt. Als je van doodse stilte mag zeggen dat die klinkt. Maar let op Parijs 2024. Ze gaan het weer proberen. En niet omdat de weg belangrijker is dan de bestemming. Er is een bepaald soort maatschappelijk geaccepteerde krankzinnigheid voor nodig. Waar veel sporters over beschikken.

De dochter van de dominee

Regie: Christine Boersma

Het lijkt me niet gezocht om deze jaargang de ondertitel ‘worsteling’ mee te geven. Misschien is die het minst pregnant zicht- en hoorbaar in Man in de Kas, maar dat heeft dan vooral van doen met de bewust gekozen lichte toon. Want geworsteld wordt daar wel degelijk. Zoals ook, op heel andere wijze, in het water en in de geesten van The Underdogs. Maar zwaarder en existentiëler gebeurt het in Bellum, en in deze film van de domineesdochter uit de titel. Als aan die film nog een predicaat zou mogen worden toegekend, dan ‘gewetensvol’. Christine Boersma ontvangt in de nagebouwde huiskamer uit haar jeugd achtereenvolgens haar drie broers en haar ouders om hen op de hoogte te stellen van en te praten over de belangrijke stap die ze gaat nemen: zich uitschrijven bij het kerkgenootschap waarbij zij ooit alle zes aangesloten waren en waar vader nog altijd dominee is. Dat laatste nog altijd uit volle overtuiging, die hij deelt met moeder.

Er was moed voor nodig het gesprek, zeker met de ouders, aan te gaan. Het maken van de film moet dat zowel moeilijker gemaakt hebben (je confronteert hen in een studio, met camera, licht, geluid; en je maakt de situatie van particulier tot publiek om te kunnen afstuderen) als makkelijker. Want je wil een film maken over wat je het meest bezighoudt, wat het zwaarst weegt en ja, dan is het ‘nu of nooit’. Al lijkt afscheidnemende dochter en filmer ineen zijn me toch razend moeilijk. Maar: ‘Ik heb ontzettend veel geluk met lieve ouders’, zegt ze in een interview op 2Doc. En dat maken die ouders volledig waar.

Terwijl de situatie toch zonder meer tragisch is, al zou een derdegeneratieatheïst als ik daar, blasé, ook anders over kunnen denken. Nog voordat ze haar besluit meedeelt laat ze haar ouders een foto zien: vader en dochter bij haar belijdenis. Dat moment waarop het volwassen geworden kind bewust kiest voor toetreding tot de geloofsgemeenschap. Vader huilt al bij die aanblik. Dochter ook, al zien we dat niet, want zij blijft de hele tijd buiten beeld. Zo moeilijk gaat wat volgt dus worden.

Tragisch omdat de dochter al het derde kind is dat de kerk verlaat (ik wilde schrijven ‘het geloof verlaat’, maar daar is Christine minder uitgesproken in omdat het geloof deel van haar vorming en identiteit zal blijven nu ze zichzelf opnieuw uit moet gaan vinden). Maar veel meer nog omdat de blijde verwachting van een weerzien voor eeuwig in de hemel in rook opgaat. Besef dat een mens door alle narigheid en lijden heen zou moeten helpen. Je kunt daar cynisch over doen, maar dan is je verplaatsingsvermogen wel behoorlijk gering. (Ooit zag ik een documentaire over Surinaamse Javanen in Groningen wier Islam vermengd is met pre-islamitische tradities, waaronder voorouderverering. Een nieuwe generatie deed daaraan niet meer mee. De gruwel te beseffen dat jouw voortbestaan na de dood, afhankelijk van kinderen, kleinkinderen en volgende geslachten, daarmee na duizenden jaren afgesneden wordt. The horror.)

Deze film is buitengewoon doordacht wat betreft inhoud, opbouw en vormgeving. Protestants bijna. En won de VPRO Documentaireprijs 2021. De EO was betrokken bij de productie en dat siert ze.

YALDA: De langste nacht

Regie: Faydin Ramshe

We zien een feestelijk gedekte tafel met oogstrelend voedsel. Drie jonge vrouwen, dito feestelijk gekleed en opgemaakt, begroeten elkaar liefdevol. In Farsi. Er is de in Iran verboden wijn. Ieder doet sieraden in een kom. Er wordt willekeurig gelezen uit het werk van Soefi-dichter Hafez (veertiende eeuw in onze jaartelling). De gekozen strofe zou dan slaan op de vrouw wier sieraad ‘blind’ eruit wordt gehaald: ‘laat u uw goede jaren niet ontglippen/ wat verwacht je dan van deze vergankelijke wereld?/ je bent zelf alles, waar zoek je dan nog naar?’

‘Waar vroeg je raad over?‘ wordt gevraagd aan de vrouw bij wie de tranen stromen. ‘Ik wil terug naar Iran’, snikt ze. Ja, welk advies van Hafez heeft ze hiermee gekregen? Ze wordt getroost. We horen zang: ‘Ik herinner me de pracht en schoonheid van mijn kinderjaren’ – en ja, die lagen elders. Een kind eet van een granaatappel – in Iran. De vrouw nu en hier ook. We zien andere herinneringen in beeld. ‘Maar helaas, de hartstocht van de jeugd komt nooit en nimmer terug.’ Daarin schuilen tegelijk tijdwee, die universeel is, en de heimwee van de migrant. Pas dan krijgen we de titel in beeld, in het Farsi. Yalda is het grote feest van de langste nacht, 21 december. Zonnewende bij Germanen.

De huilende vrouw is Faydin Ramshe, regisseur van de film en al op haar achttiende naar Nederland gekomen. Succesvol geïntegreerd tot en met het afstuderen aan de Filmacademie. Maar na dertien jaar hier ongelukkig. Steeds meer verlangend naar haar familie, vader en diens vrouw, haar broertje. En zonder twijfel naar de geuren en beelden van die kindertijd. Zich bovendien steeds meer ervan bewust dat ze nooit ‘een échte Nederlandse’ zal zijn: de ‘condition migrante’, of beter ‘réfugiante’. Het moet een gigantische worsteling zijn terug te verlangen, nee, terug te willen gaan naar het land dat je om talloze redenen ontvluchtte, zonder dat er daar ook maar iets verbeterd is aan de onvrijheid en het onrecht die tot je vlucht leidden.

(Ze is geen kind van de onvrijheid van de sjah maar van die van de ayatollah’s. Haar tijdwee is eigenlijk, zoals ze zelf zegt, nostalgie naar een tijd waar ze zelf niet bij was – om het nog complexer te maken. Hoe hadden linkse en liberale intellectuelen kunnen vermoeden dat de onvrijheid van Khomeini en consorten in veel opzichten nog wurgender zou zijn dan die van de Pauwentroon?)

Dat zou al genoeg zijn voor een film, wellicht, maar schrijnend is dat uitgerekend nu haar veel jongere broer Parham weg wil uit Iran, naar Nederland. En natuurlijk rekent hij op haar hulp en steun.

Kern van de vertelling vormen de telefoongesprekken met Parham. Hij denkt dat ze zich, terug in Iran, het land maar voor twintig, dertig procent als haar thuis zou beschouwen. ‘Maar zo thuis voel ik me hier ook niet.’ Parham: ‘Nee, het gaat ook niet over wat voor gevoel je hebt: hier is het klote, begrijp je?’ Zij vindt het geregelde van Nederland niet opwegen tegen de warmte tussen mensen en het ritme van Iran. ‘Welke warmte? Ik zie die niet.’ Zij: ‘Jij hebt een hekel aan dat wat ik juist mis. Ik koos om te vertrekken en kreeg als cadeau een zwart gat vol verlangen.’ Ja, dit is poëzie in een ‘gewoon’ telefoongesprek tussen zus en broer. En ik denk dat dat niet voor de film is, maar wel degelijk een cultuurverschil. En dat ze ook die poëzie mist in Nederland. Zoals ook haar film, met de associatieve passages en voorbijtrekkende flarden, veel dichterlijker is dan wat je gemiddeld van erfelijk Hollandse makers te zien krijgt. Ik vind hem mooi en ontroerend. Met Bellum en De dochter van de dominee zien we dus drie films die met hartenbloed gemaakt zijn. En die mede daardoor diep raken.

Zaterdag 23 oktober, NPO 3, 22.55 uur