Op yoga in India

‘Gij zijt dat…’

Wereldwijd doen driehonderd miljoen mensen aan yoga. Tijdens de pandemie kwamen daar nog miljoenen mensen bij. Wat is de oorsprong van deze spirituele gymnastiek? En wat verklaart de aantrekkingskracht ervan?

Luister naar dit artikel

Een yogi langs de Ganges bij Rishikesh © Frédéric Soltan / Sygma / Getty Images

Soms droom ik nog over Rishikesh, de goudgele stad aan de voet van de Himalaya waar de Ganges doorheen slingert. In de droom sta ik op een brug, heel hoog; onder me zie ik het grijsblauw van de rivier, in de verte een suggestie van bergen. En zoals wel vaker in dromen worden zulke brede streken afgewisseld met scherpere details. Dan ben ik ineens niet meer op die brug, of niet alléén meer, en zie ik kooplui die handgeweven doeken slijten, jonge vrouwen die hun offers brengen aan de god Hanoeman, of een brutale makaak die een blikje Coca-Cola steelt uit de rugtas van een toerist. En dan vraag ik me af: wat doe ik hier in vredesnaam? Waarom droom ik over deze plek? En dan word ik wakker.

De droom is een samenstelling van herinneringen. Ik was jaren geleden in India om yoga te leren. Een vriendin, een getalenteerde yogini (mannelijke beoefenaars van yoga worden yogi’s genoemd, vrouwelijke yogini’s), vroeg of ik mee wilde om een opleiding tot instructeur te volgen. Ieder jaar reizen honderden mensen naar de stad, op zoek naar de ‘oorsprong’ van yoga. De mythe wil dat yoga in Rishikesh werd uitgevonden. In die tijd had ik toevallig een beetje geld, en het vage idee dat zo’n cursus weleens zou kunnen helpen in mijn werk als psycholoog: je hoort wel vaker dat therapeuten dingen als mindfulness en yoga aan hun patiënten voorschrijven. En ik wilde indruk maken op de vriendin. Dus ik besloot mee te gaan, hoewel ik eigenlijk niet zo veel wist over India, en zelfs maar een paar keer yoga had gedaan in een verlaten kerk in Betondorp. Ik kocht een tweedehands editie van de yogasoetra’s van Patanjali, leende mijn vaders oude Bhagavad Gita en zette nog eens de Beatles op.

Yoga is zonder twijfel India’s meest succesvolle exportproduct. Driehonderd miljoen mensen doen tegenwoordig aan yoga. Van groezelige buurthuizen in Amsterdam tot felverlichte sporthallen in New York: yoga is populair, met name bij vrouwen, met name bij millennials. In 2014 riepen de Verenigde Naties 21 juni uit tot internationale yogadag. Tijdens de pandemie zijn er nog eens miljoenen beoefenaars bij gekomen. Niet zo gek ook: je kunt het gemakkelijk doen in je huiskamer of het park, en voor een generatie flexwerkers op zoek naar zingeving is yoga wat aerobics was voor hun ouders: een manier om te ontsnappen aan de dagelijkse sleur terwijl je er fitter van wordt. Er zijn yoga-apps voor op je telefoon. Een YouTube-kanaal als Yoga With Adriene heeft bijna tien miljoen volgers en post uitstekende instructievideo’s vanuit een huiskamer in Texas. En er wordt de laatste tijd veel gesproken over de opkomst van ‘wellness-rechts’, een groep conservatieve mannen en vrouwen die samenzweringen verbinden met yoga en andere New Age-achtige praktijken. Maar wat is het verhaal achter yoga precies? En hoe kunnen we de populariteit van deze vorm van spirituele gymnastiek het best begrijpen?

Een chauffeur reed ons in z’n oude Jeep van het vliegveld naar de plek waar de cursus zou plaatsvinden, in het oerwoud, vlak buiten de stad. We stopten bij een wit gebouw met een puntdak. Het was ommuurd als een soort vesting, en rondom de gepleisterde wand zaten mensen te bidden of te bedelen. Een kleine jongen, niet ouder dan twaalf, trok alle aandacht. Hij had geen ledematen, alleen een rompje en een hoofd, en wierp een ontwapenende grijns naar alle voorbijgangers. Als je langsliep mompelde hij iets onverstaanbaars.

Bij de ingang van het hotel wachtte Siddharta ons op, een deftige man met een grijze sik en hertenogen. Hij begroette ons letterlijk met open armen. ‘Welkom mijn vrienden’, zei hij, en héél even vroeg ik me af in wat voor film ik was terechtgekomen. Zijn assistent gaf ons een rondleiding en wees ons naar onze kamer, met uitzicht op de ingang. Steeds arriveerden taxi’s met daarin vrouwen uit Los Angeles, Londen, Melbourne, de een schijnbaar nog leniger dan de ander. Langzaam drong het tot me door dat ik mogelijk een inschattingsfout had gemaakt door vrijwel onvoorbereid aan te komen bij een opleiding die bedoeld was voor gevorderden. U moet begrijpen: ik ben niet echt gebouwd voor yoga, ik ben gebouwd om urenlang achter een divan naar mensen en hun verhalen te luisteren.

Maar de volgende ochtend, zoals alle daaropvolgende ochtenden, stonden we om half vijf op om onder begeleiding van Siddharta yogahoudingen – asana’s – te oefenen. Neerwaartse hond naar driebenige hoek, driebenige hoek naar halve meester van de vissen, halve meester van de vissen naar de boomhouding, en vanuit daar weer terug naar neerwaartse hond. We leerden in totaal 84 houdingen. Goddank hadden we ’s middags anatomieles en daarna, helemaal aan het eind van de dag, een klasje over de geschiedenis en filosofie van yoga. Reikhalzend keek ik uit naar dat laatste uurtje. Siddharta vroeg ons dan in een kring te zitten, sloot zijn ogen en begon te vertellen.

—————

Yoga ontstond in een tijd zonder geschreven bronnen, toen er nog geen duidelijk onderscheid was tussen mythe en geschiedenis. Maar wat we zeker weten is dit: tussen de vijftiende en de achttiende eeuw hadden bendes zwervende tovenaars en monniken de belangrijkste handelsroutes in India in hun macht. Deze spirituele milities waren geoefend in vormen van krijgskunst en ascese. Ze behoorden niet tot één geloof, er waren hindoes bij, boeddhisten, jain en soefi’s. Het waren bandieten, verschoppelingen, romantische troubadours: mannen én vrouwen die aan de rand van de samenleving leefden en als huurlingen werden ingeschakeld door rijke landeigenaren. Het staat allemaal prachtig beschreven in Yoga: The Art of Transformation van kunsthistorica Debra Diamond. Aan de hand van een groot aantal Indiase kunstwerken vertelt zij in dat boek het verhaal van de vroege yogi’s: hoe zij mysterieuze lichaamspraktijken en ademhalingsoefeningen deden met als doel het ontstijgen aan alle wereldlijk leed.

In het begin was yoga dus iets wat heel fluïde was. Het werd overgedragen van de ene religie naar de andere. Dat weten we uit bronnenonderzoek: een aantal van de oudste afbeeldingen van asana’s is islamitisch. Maar een van de eerste tekstuele verwijzingen is weer te vinden in de Bhagavad Gita, de beroemde hindoetekst. Pas veel later ontwikkelden verschillende sektes de theorieën en metafysica die sommigen later met yoga zijn gaan associëren, chakra’s en dergelijke. In het Sanskriet heeft het woord ‘yoga’ allerlei verschillende betekenissen – van ‘weg’ tot ‘ordenen’, van ‘truc’ tot ‘magie’ – maar de belangrijkste betekenis is ‘verbinding’.

Van neerwaartse hond naar driebenige hoek, naar halve meester van de vissen, naar de boomhouding...

De vroege yogi’s waren op zoek naar het overstijgen van dualiteiten. En omdat zij uit zulke uiteenlopende tradities voortkwamen, gaven ze daaraan verschillende invullingen. Sommigen zagen yoga als de verbinding tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld, anderen als de brug naar God, weer anderen dachten dat je door yoga bevrijd kon worden uit de cyclus van wedergeboorte. In elk geval verwees het woord ‘yoga’ zowel naar het doel als de methode om er te komen.

Met de komst van de Britse East India Company werd de macht van de monniken getart. De kolonisten zagen geen verschil tussen yogi’s, fakirs of sannyasins, alleen hoe ze een obstakel vormden in hun eigen zucht naar winst en macht. In 1773 verboden de Britten alle vormen van ascese. De bendes werden opgebroken en de asceten mochten hun praktijken alleen nog beoefenen ter vermaak van de kolonisten. Zo ontstond in de negentiende eeuw de westerse fascinatie voor fakirs en yogi’s als een soort carnavalsartiesten. De donkere man op een bed van spijkers, of de mysterieuze vrouw die haar lichaam publiekelijk in bochten wringt. Zulke beelden werden geëxporteerd naar het Westen en spraken tot de verbeelding van een rijke elite die verveeld was door z’n eigen religie.

—————
In de jaren zestig bereikte de eeuwenoude yogatraditie het Westen © Keystone / Getty Images

Het duurde niet lang tot Siddharta begreep dat hij me kon gebruiken als voorbeeld van hoe je de poses níet moest doen. Hij riep me naar voren en vroeg of ik een demonstratie wilde geven, terwijl alle knappe meisjes gniffelend toekeken, en zei dan onbegrijpelijke dingen als: ‘Dorsaalflexie laat te wensen over.’ Of: ‘Supinatie van handen is niet toereikend. Try again, sir!’

Nee, de lessen filosofie gingen me beter af. Daarin bleef Siddharta benadrukken dat de yoga die wij nu kennen slechts een variant is van een scala van praktijken en oefeningen die zo genoemd kunnen worden. Zo was volgens hem de nadruk op ademhaling (pranayama) en het bewustzijn in de loop van de tijd ondergesneeuwd door de asana’s. Hij liet ons de canonieke teksten lezen: de aforismen van Patanjali, maar ook de Hathayogapradipika, waarin de basis wordt gelegd van hatha yoga, en de relevante passages uit de Bhagavad Gita.

Maar het belangrijkste inzicht was dat er helemaal niet zoiets bestaat als een ‘oorspronkelijke’ yoga, alleen een terugkerende poging om door disciplinering van lichaam en ademhaling bewustzijn te creëren over de grenzen van het zelf. In Siddharta’s woorden: ‘Yoga is een onderzoek naar de vraag: waar houd ik op en begint de wereld? Waar ligt de grens tussen mij en de ander, of mij en de wereld, of mij en God? En volgens yoga luidt het antwoord op die vraag steeds weer: we zijn als mensen niet afgesneden van de wereld om ons heen, we zijn juist verbonden. Het is een oefening in empathie door discipline. Tat tvam asi. Gij zijt dat.’

Naast het beeld van de yogi-fakir als een soort carnavalsartiest, ontstond eind negentiende eeuw in het Westen ook een intellectuele interesse voor de wijsheden uit India. Op het parlement van wereldreligies, een groot congres in Chicago in 1893, stal een Indiase monnik de show. Zijn naam was Vivekananda, en zijn voordracht maakte zo’n indruk op de toehoorders dat er een heuse India-hype ontstond in de Verenigde Staten. Vivekananda’s interpretatie van het hindoeïsme zette de toon voor de receptie in het Westen. De jongeman bepleitte een vrijzinnige variant van de Vedanta-filosofie, sterk beïnvloed door westerse wijsbegeerte. Zijn werk wordt nog steeds veel gelezen. In de lobby van het hotel in Rishikesh hing een groot portret van hem, een mollige jongen met een deftige tulband, niet echt je typische asceet.

Yoga had geen noemenswaardige plek in het denken van Vivekananda. Hindoeïsme vatte hij als volgt samen: ‘Elke ziel is in potentie goddelijk. Het doel is om die goddelijkheid zich te laten manifesteren in het beheersen van de natuur, zowel in jezelf als daarbuiten. Dat kan op vele manieren: door werk, gebed, discipline of filosofie. Dogma’s, rituelen, boeken, tempels of vormen zijn slechts secundaire details in die zoektocht.’ Er waren volgens de jonge monnik allerlei routes naar moksha, verlichting. Yoga was maar één van die manieren.

Toch maakte zijn werk, en de belangstelling die het wekte, de weg vrij naar een grootschalige interesse in yoga. Historicus Mark Singleton beschrijft in het boek Yoga Body: The Origins of Modern Posture Practice hoe die interesse naadloos aansloot bij een ontluikende Europese fascinatie voor gezondheid, fysieke cultuur en het darwinistische idee van ‘fitness’. Aan het begin van de twintigste eeuw zie je dus aan de ene kant een groeiende ontvankelijkheid voor oosterse ideeën, aan de andere kant een preoccupatie met kracht en gezondheid. Yoga voldeed aan beide behoeftes.

Yoga past naadloos in ons neoliberale narratief: lekker met jezelf bezig zijn, ieder op z’n eigen matje

Zo ontstond een westerse versie van yoga die sterk de nadruk legde op de fysieke houdingen, een geüpdatete versie van hatha yoga, gezuiverd van de meer radicale aspecten. In 1920 werd het eerste Amerikaanse yoga-instituut geopend, met steun van Harvey Kellogg, de arts en uitvinder van cornflakes. Zulke interpretaties van yoga werden teruggebracht naar India en beïnvloedden op hun beurt de praktijken daar, zodat er in de loop van de twintigste eeuw, in een dialoog tussen Oost en West, een versie van yoga ontstond die steeds meer begon te lijken op de yoga die wij nu kennen. Zelfs de bekende zonnegroet, een reeks houdingen waarvan vaak wordt gedacht dat die eeuwenoud is, ontstond in zijn huidige vorm pas in de jaren dertig.

En in die lange ontwikkeling werden afwisselend de fysieke of juist meer de transcendente aspecten van yoga benadrukt. In de jaren zestig was er in Europa en de Verenigde Staten natuurlijk een revival van yoga als meditatieve praktijk, niet in de laatste plaats doordat de Beatles naar Rishikesh waren afgereisd. ‘Zo werd een eeuwenoude traditie heruitgevonden tegen de achtergrond van koloniale ervaring’, schreef de Amerikaanse religiewetenschapper David Gordon White daarover. Maar je kunt ook gewoon zeggen: moderne yoga is een koloniaal product.

Siddharta organiseerde zijn lessen als een militaire oefening. Eerst deden we een lange warming-up, daarna de houdingen. Hij deed ze eerst zelf voor en liep daarna door het zaaltje als een generaal die zijn troepen inspecteert. In zijn hand hield hij een lange stok, die hij telkens op de grond tikte als hij liep. Tik, tik, tik. Als je niet in de juiste houding stond, zorgde die stok er wel voor dat je dat wel deed. Een paar vrouwen zijn huilend weggelopen. Maar het moet gezegd: we werden wel beter.

—————

Yoga doet het goed op Instagram. Je kunt er mooi laten zien hoe goed je de poses beheerst (‘Krijg jij je hielen al op de grond in downward facing dog?’) en de Indiase esthetiek ziet er lekker uit met zo’n filtertje eroverheen. Een deel van de aantrekkingskracht zal wel gewoon daarin liggen: het ziet er mooi uit, en bovendien is het goed voor rugklachten. Maar mogelijk gaat er nog een dieper verlangen schuil achter de enorme populariteit ervan: in een samenleving waarin traditionele religies op hun retour zijn, biedt yoga een materialistische vorm van ‘spiritualiteit’ zonder de verplichtingen die horen bij het aanhangen van een religie.

Het is natuurlijk geen toeval dat mijn eerste les plaatsvond in een verlaten kerk. Yoga vervult een wezenlijk verlangen naar stilte en rust, een ruimte voor jezelf en een verbinding met iets ‘hogers’, maar dat hogere vinden we tegenwoordig in onszelf. De belofte van Vivekananda was destijds dat je via yoga het goddelijke in jezelf zou kunnen aanspreken, of met andere woorden: het beste uit jezelf zou kunnen halen. Dat past naadloos in ons neoliberale narratief: lekker met jezelf bezig zijn, ieder op z’n eigen matje.

‘Yoga kan een mooi middel zijn voor positieve fysieke en mentale transformatie’, schrijven onderzoekers van Harvard. ‘Het kan het lichaam functioneel ontwikkelen door het vermogen te verbeteren van het lichaam om zenuwsignalen die tussen de spieren en de hersenen heen en weer worden gestuurd te interpreteren en erop te reageren.’ Daarmee past het ook mooi in ons gemedicaliseerde mensbeeld, waarin gezondheid en fitness centraal staan. Dat verklaart ook de aantrekkingskracht op de ‘wellness-rechtse’ mannen en vrouwen die via yoga en andere purificatie-technieken proberen hun lichaam te perfectioneren. Een fascinatie met het lichaam, ideeën over reinheid en onterechte gevoelens van superioriteit drijven deze mensen de yogastudio’s in. Maar yoga is ook gewoon een effectieve manier om stress te verminderen, het wordt bijvoorbeeld met goed gevolg gebruikt voor mensen met concentratieproblemen, burn-out en depressies. De kritiek daarop is weer dat het, in plaats van een structurele oplossing voor onze hedendaagse vormen van vervreemding, vaak alleen werkt als een pleister op de wond. De psychoanalyticus Paul Verhaeghe zei daarover onlangs nog in een interview: ‘Yoga en mindfulness zijn natuurlijk goed, maar ze worden gebruikt, en soms zelfs door bedrijven betaald, om mensen in de ratrace te houden.’ Dat is zo: op z’n best is yoga een poging om de grenzen van ons lichaam te onderzoeken en leren kennen, op z’n kwalijkst is het onderdeel van een prestatiegerichte Körperkultur met een oosters sausje.

Jammer is dat, want er schuilt in yoga wel degelijk een radicale potentie. De medisch antropoloog Joseph S. Alter schreef ooit in een essay over de fysieke aspecten ervan: ‘Yoga is, in essentie, wat yogi’s doen; en wat zij deden, volgens de oude teksten, was de materiële aard van hun lichaam inzetten om gezag uit te oefenen met betrekking tot de perceptie van anderen.’ Zo speelde yoga een belangrijke rol in de Indiase strijd om onafhankelijkheid, doordat het jonge Indiase jongens het gevoel gaf dat ze sterk genoeg waren om in opstand te komen tegen de Britten. Yogascholen dienden als dekmantel voor broeihaarden van verzet. En daarmee keerden ze in zekere zin terug naar het oorspronkelijke gebruik van yoga door de zwervende monniken, als iets wat tussen ascese, magie en krijgskunst in staat.

Misschien moet je zeggen: yoga is zo goed als het verhaal dat je erover vertelt, en het verhaal dat we tegenwoordig associëren met yoga is nogal tam. Het draait om mooie plaatjes op Instagram en jongens en meisjes in sportscholen die hun poses leren verbeteren. Terwijl het mooiste verhaal over yoga, en mogelijk ook het oudste, juist gaat over het opzoeken van de grenzen van het ik, en hoe we die kunnen overstijgen.

—————

Na drie weken was ik totaal uitgeput. De cursus was nog lang niet voorbij, maar mijn lichaam protesteerde: ik werd hartstikke ziek en trok de lessen gewoon niet meer. Op een ochtend besloot ik in plaats van naar ons zaaltje te gaan, op de binnenplaats een beetje in de zon te zitten. Het was een prachtige dag, de vogeltjes kwetterden in de Ashoka-bomen. Ineens verscheen Siddharta naast me. ‘Je bent moe, hè?’ zei hij vriendelijk. ‘Misschien heb ik jullie wat te hard aangepakt. Zie het maar als compliment.’ Uit zijn binnenzak toverde hij een visitekaartje. ‘Dit is het adres van mijn broer, die verhuurt brommers in de binnenstad. Je hoeft alleen de hoge brug over te steken, dan ben je er. Neem een paar dagen vrij, ga een beetje rondrijden in de bergen en kom dan terug. In de Bhagavad Gita staat: “Blijf ongebonden, Arjuna! Houd je staande in successen en tegenslagen. Yoga is rust.”’ De leraar grinnikte, gaf me het kaartje en liep fluitend terug naar zijn lokaal.

Ik dwaalde nog een poosje over het terrein in medelijden met mezelf, totdat ik bij de poort weer dat jongetje zonder ledematen ontmoette. ‘Wie ben jij?’ vroeg ik. Geen antwoord natuurlijk, alleen die ontwapenende grijns. Maar er begon wel iets te dagen. Hier was ik, een rijke toerist die klaagde over spierpijn, terwijl buiten de poort een kereltje met een gemankeerd lichaam zat te bakken in de zon. Natuurlijk had iemand hem daar neergezet om precies die reden, dat begreep ik ook wel, maar ik kon het toch niet helpen: ik trok al het briefgeld uit mijn portemonnee en legde het in zijn houten bakje. Hij knipoogde, terwijl hij weer die onverstaanbare woorden mompelde, maar deze keer begreep ik ze: ‘Tat tvam asi.’ Gij zijt dat.