Gij zult niet

Een kenmerk van welk fundamentalisme dan ook is dat het teksten letterlijk neemt en dus geen humor of ironie verdraagt.

Neem het gebod: gij zult niet doden. Het is één van de tien geboden.

Nu ben ik zelf, als atheïst, iemand die vervolgens meteen een gelovige politicus smalend uitlacht als hij voor een militaire operatie stemt, want dat doet hij in het besef dat er doden zullen vallen. Hoe rijmt hij dat met zijn geweten?

Ofschoon ik op zondagsschool ben gegaan, weet ik nog steeds niet hoe een oprecht gelovige de regel ‘Gij zult niet doden’ anders kan interpreteren dan: je mag geen moord plegen. Pleeg je die moord wel, dan kan het toch niet anders dan dat je je God mishaagt.

Als je deze tekst niet letterlijk neemt, waarom neem je dan andere bijbelteksten wel serieus?

Ik zal daar waarschijnlijk nooit achter komen.

Zelfs in het besef dat ik niets wezenlijks kan zeggen over ‘de moraal’ vind ik ‘het morele handelen’ wel een van de grootste vraagstukken van dit moment.

Wanneer handel ik goed, en wanneer slecht? Langs welke lijnen moet je dan denken?

Ofschoon ik tegenwoordig elke dag beschuldigd word van racisme (en middels Twitter soms een paar keer per uur) – en niet op een grappige manier – is voor mezelf in ieder geval het vraagstuk van het morele handelen belangrijker geworden.

Het vreemde is dat het mij niet lukt te handelen langs keurige waarden en normen. Die heb ik wel, en ik schrijf er graag over, maar ‘waarden en normen’ zijn mij te vaag. Liever spreek ik over deugden. Maar wat zijn deugden? Ook dat woord kan ik maar niet sluitend definiëren. Ik kan het wel op Wikipedia opzoeken, ik kan wel memoreren wat Aristoteles erover heeft gezegd, maar het is me allemaal te diffuus. En anders gezegd: wat een deugd is, moet eigenlijk niet zo ingewikkeld zijn. Een deugd moet je kunnen kiezen. Of je moet het hebben. Ik probeer dus te handelen als een goed opgevoede jongen, zoals mijn ouders het bedoeld hebben en zoals ik het zelf heb veranderd en fijngeslepen. Ik probeer dus steeds op mijn manier kritisch te zijn, eerlijk, bescheiden, voorkomend, maar soms ook niet als de situatie daar om vraagt. Als ik me bijvoorbeeld bedreigd voel, zal ik kritischer worden maar ook minder bescheiden en minder charmant. Deugden kun je steeds opnieuw formuleren en kiezen. Dat is met normen en waarden veel ingewikkelder. ‘Dat doen wij hier niet’ is de norm. Daar wil ik me soms aan onttrekken. ‘Wees zo eerlijk mogelijk’ lijkt me een deugd.

Christelijke waarden kan ik soms wel, soms niet onderschrijven. Leef ik dan aan de hand van humanistische waarden? Soms niet, soms wel. Je moet wel ‘ergens’ vanuit gaan en dat doe je dus door zo veel mogelijk ‘een goed mens’ te zijn. Maar ja, dan ben je weer bij het begin. Wat is goed?

In mijn familie was de oorlog de maatstaf. Mijn ouders hadden in het kamp gezeten en daar de beslissing genomen om te blijven leven. Met de dag werd voor hun de verleiding van de dood heviger. Anders gezegd: de dood werd een aantrekkelijker optie dan het leven. Ze verloren hun doodsangst, en daardoor moesten ze in leven blijven als een deugd beschouwen. Als ze het kamp zouden overleven, zou het ‘beter’ worden. Ze zouden kinderen krijgen die meer kansen zouden krijgen dan zij.

Door het kamp waren mijn ouders van hun geloof geraakt. Hun moraal was afgedreven en moest met andere opvattingen opnieuw worden verankerd.

Gij zult niet doden, werd: hadden we de vijand maar gedood. ‘Ik vermoord ze elke nacht’, zei mijn moeder als ze niet kon slapen.

Ik denk dat ze dat letterlijk bedoelde.