Gij zult op vakantie gaan

De beeldcultuur en het toerisme zijn samen opgekomen en hebben al veel aanleiding gegeven tot filosofisch getob en gejammer.

Medium welten het ware leven is elders

Als Sartre in 1951 Rome bezoekt kan hij maar niet verkroppen dat hij bepaald niet de enige bezoeker is. Als hij in een krant een artikel ziet met de titel ‘Red de cultuur’ moet hij, zo schrijft hij in een reisverslag, daarom lachen: ‘Men redt de cultuur niet, men creëert haar.’ Volgens Sartre gaat het de Italianen er slechts om ‘het verleden te verkopen tegen dollars aan mensen die er schijt aan hebben. Bah! Ik weet maar al te goed wat ze moeten doen, waar ze ver in gevorderd zijn, waarmee ze al lang begonnen zijn: een nieuwe en gemakkelijk verteerbare stad reconstrueren.’ Zo’n driekwart eeuw eerder hekelde Nietzsche al de horden die rond de monumenten van het verleden krioelen, zonder zelf iets groots te ervaren.

Medium kamphof iedereenvoyeur

De filosofen verklaarden kortom, voor de zoveelste keer, de cultuur en beschaving dood. Met deze keer de toerist als schuldige. Het is bijzonder prettig dat twee Nederlandse filosofen in twee recente boeken de ‘moordzaak’ tegen de toerist en de voyeur heropend hebben. Zoals bij zoveel ‘cold cases’ blijkt ook deze veroordeling een typisch geval van tunnelvisie. Ike Kamphof pleit in Iedereen voyeur voor eerherstel van de gluurder en Ruud Welten geeft in Het ware leven is elders een genuanceerde, uitgebalanceerde visie op de toerist. Het wordt tijd dat de toerist zichzelf weer gaat waarderen en zijn valse schaamte van zich afwerpt.

Kamphof schetst in het eerste hoofdstuk van haar boek in enkele bladzijden een kleine geschiedenis van de ‘moderne westerse blik’. Wat begon met Petrarca’s beklimming van de Mont Ventoux om te genieten van het uitzicht eindigt met Baudrillards observatie dat Disneyland overal is; van reikhalzend uitkijken naar, tot overvoerd en misselijk worden van beelden. Dan doet Kamphof iets ongelooflijks, ze schrijft: ‘Maar stop. Zo simpel is het verhaal van de westerse kijker niet.’ Kamphof acht het de hoogste tijd ‘het platgetreden pad van de cultuurkritiek, van de filosofie van het landschap, de tragische romantische wandelaar en postmoderne toerist te verlaten en opzij te stappen’. Vanaf de zijkant ziet ze kans toch een frisse, nieuwe visie op de kijker, de voyeur uit te werken. Kort gezegd blijkt dat je niet kunt spreken van een ontwikkeling of ‘verwording’ van het kijken, van oprechte nieuwsgierigheid tot verveelde blaséheid, maar dat je deze twee uitersten kunt zien als polen waartussen kijkers steeds opnieuw een positie vinden. Meestal zitten ze trouwens niet stil, maar schommelen tussen de uitersten.

Welten gaat bedachtzamer te werk. Heel langzaam voert hij de spanning steeds verder op, tot en met een heuse cliffhanger aan het slot van het voorlaatste hoofdstuk – waarna in het laatste hoofdstuk de ontknoping plaatsvindt. De ‘cliff’ is een dilemma: je moet op vakantie en je mag niet op vakantie.

Gij zult op vakantie gaan: al die plekken moeten gezien worden. Naast deze sociale druk is er ook druk van binnenuit: we hebben voortdurend het gevoel dat het ware leven elders is. Maar daar aangekomen voel je je als toerist misplaatst en maak je bovendien onvermijdelijk deel uit van een massa waarin je kopje onder gaat. Is toerisme niets meer dan geglobaliseerd consumentisme?

Welten pleit wel voor eerherstel van de toerist, maar is niet wars van moralisme. Wel is hij huiverig voor overmoralisme: de toerist hoeft de wereld niet te redden. Zoiets als ‘duurzaam reizen’ of het verrichten van ‘goede werken’ tijdens de vakantie is slechts het afkopen van schuldgevoel, als de reiziger zichzelf er niet in betrekt. De reiziger moet niet alleen de bezienswaardigheden bekijken, maar ook zichzelf. Als de reis niet gepaard gaat met een innerlijke reis is hij tamelijk waardeloos. Bij een ‘goede reis’ gedraagt de reiziger zich niet als, of laat zich niet reduceren tot, een wandelende portemonnee, consument. Het is bepaald onvoldoende om je alleen maar af te vragen of je wel waar voor je geld krijgt. Bij een goede reis draait het niet om geld maar om gastvrijheid en ontvankelijkheid. En die dienen van twee kanten te komen, van de gast en de gastheer.

Het mooiste van het boek van Welten is dat hij niet alleen een min of meer abstract betoog houdt maar ook een reeks grote voorbeelden noemt, reizigers aan wie we een voorbeeld kunnen nemen: ‘voorgangers’ zoals Montaigne, Goethe, Rousseau en Stendhal.

Vooral die laatste is instructief. Stendhal is aan de ene kant een ordinaire sensatiezoeker en aan de andere kant een Nieuwsgierig Aagje, dat zich voor alles, ook het meest gewone, interesseert. En in den vreemde zie je nu eenmaal pas echt goed hoe bijzonder het ordinaire is: een bezoek aan een Franse ‘hypermarché’ kan net zo’n feest zijn als aan het Louvre.

Stendhal is aan de ene kant bekend ­geworden van het beruchte ‘Stendhal-syndroom’, het overweldigd worden door de overstelpende ­hoeveelheid schoonheid in een stad als Florence. Deze ‘ziekte’ bestaat echt, ieder jaar worden er wel een paar toeristen in overspannen toestand in Florentijnse ziekenhuizen opgenomen. Een bezoek aan Florence is de bungeejump voor de cultuurtoerist.

Aan de andere kant raadde Stendhal bezoekers van Rome aan de reis­leiders te negeren en liever op eigen houtje door de ­straten rond te dwalen en liefst te verdwalen. En hij schreef Memoires d’une touriste, waarmee hij overigens het woord ‘toerist’ introduceerde. Die ‘memoires’ zijn een soort reisverhaal over een man die een reis maakt door Frankrijk ­zonder dat hij iets bijzonders meemaakt, behalve dan dat hij ontdekt hoe bijzonder het gewone is.

Zo kunnen we ook leren leven met het dilemma waar Welten zijn lezers mee opzadelt. Om te beginnen gaan we op vakantie omdat we ergens wonen. Patricia de Martelaere schreef immers al: ‘Tot het hebben van een huis behoort wezenlijk het met vakantie gaan.’ Vervolgens wonen we omdat we ons anders verloren voelen – maar soms willen we onszelf ook graag verliezen en gaan we op vakantie. Het is de condition humaine: we worden gedreven door nieuws­gierigheid én heimwee. Toerisme is de ‘oplossing’ van het dilemma, het is een rondgang. De tour-ist maakt van het onmogelijke dilemma een vicieuze cirkel: hij gaat op vakantie om thuis te komen en komt thuis om weer op vakantie te kunnen gaan.


Ruud Welten, Het ware leven is elders: Filosofie van het toerisme, Klement, 200 blz., € 19,95 – e-book, € 9,99

Ike Kamphof, Iedereen voyeur: Kijken en bekeken worden in de 21ste eeuw, Klement, 222 blz., € 19,95