Perquin

Gil

Ik wandel naar de supermarkt, zonder haast. Ik denk na over het eten vanavond en over wel of toch eens géén wijn. Het is zonnig, fris herfstweer. Hier en daar staan ramen open. Uit een van die open ramen, op de bovenste verdieping van een doodgewoon rijtjeshuis, klinkt ineens een hoge, langgerekte gil. Ik sta stil. De gil houdt aan. Drie seconden. Vier. Geen volwassen stem, denk ik, eerder een kind. Een jong kind. Het geluid is bovendien zodanig doordringend, zo gespeend van effectbejag, dat ik denk: dit is een oprechte gil. Zoiets valt niet goed uit te leggen, maar wie een klein beetje vertrouwd is met kinderen, al is het maar zijdelings, die herkent de ik-wil-mijn-zin-gil, de ik-maak-me-kwaad-gil en de ik-schop-even-drama-gil. Uitingen waar je best schouderophalend aan voorbij kunt lopen. Deze is anders. Tien, elf seconden. Het gaat door merg en been. Beter gezegd: het geluid gaat via mijn oren naar mijn maag, waar het zich ophoopt en blijft trillen. Hoewel het nu plotseling stil is. Doodstil. Ik kijk op. Daarboven is alleen vale vitrage te zien, die licht heen en weer beweegt vanwege het openstaande raam. Ik probeer een goede reactie te bedenken. Moet ik aanbellen? Vragen of alles in orde is? De politie bellen en zeggen dat ik een kind heb horen gillen? Een kind, mevrouw? Nou ja. Dat denk ik. Ik heb eigenlijk geen kind gezien. Maar die gil. Wat als daar iets afschuwelijks gaande is? Sommige dingen kun je niet uitleggen, meneer, die draaien om instinct. Dan zou er een stilte vallen, misschien, waarin de agent over mijn woorden nadenkt en ze dan zwijgend noteert op de lijst voor Rare Telefoontjes. Met mijn naam erbij. Want wat weet ik nu helemaal van andermans kinderen? Van andermans levens? Ik blijf nog even staan om te luisteren - maar het blijft stil. Er is niets aan de hand. Er kan iets aan de hand geweest zijn. Misschien. Eventjes. Maar nu niet meer. Het is zonnig, fris herfstweer en ik wandel naar de supermarkt. Ik denk aan pasta en paddenstoelen. Wel wijn, denk ik. Toch wel wijn.