Een normaal mens komt niet naar het Toscaanse Lucca met zijn imposante stadsmuren uit de Renaissance – in de verte uitzicht op de roze-blauwe bergketen van de Alpi Marittime – om mensenhordes te bekijken die verkleed als fantasywezens door de straten van de oude stad zwermen. Eventueel kan een normaal mens in het hart van Lucca het geboortehuis van Giacomo Puccini gaan bekijken, de componist van onder meer La Bohème (1896) en Tosca (1900). Alles ziet er nog precies uit zoals het moet zijn geweest in Puccini’s geboortejaar 1858, typisch Italiaans, en daarvoor komen we.

We komen ook niet naar Italië om te zien wat ruim zestig jaar Berlusconi met het land heeft gedaan, al valt daar zeker een interessante tour van te maken. Eerst langs Milano I, II en III, de Milanese suburbia’s die hij in zijn succesvolle jaren als vastgoedontwikkelaar uit de grond heeft gestampt, en dan langs het Italiaanse Grand Tour-landschap dat door zijn permanente oogjes toeknijpen en de andere kant opkijken tijdens zijn vele jaren als premier stilletjes is verdwenen. Verkocht, verkwanseld, verpest, volgebouwd met lelijkheid, terwijl hij voor zichzelf de hand wist te leggen op de mooiste historische villa’s en parken op locaties waar niemand ooit meer iets kan kopen voor privé-gebruik – behalve Silvio Berlusconi. Denk aan de Appia Antica in Rome, of aan hectares beschermd natuurgebied op Sardinië. Om daar vervolgens ook weer zijn proleterige smaak op los te laten, want goede smaak is een van de weinige dingen die je niet kunt kopen.

Maar voor de Berlusconi-tour van verpest Italiaans landschap komt ook niemand naar Italië, al zou zo’n tour waarschijnlijk veelzeggender zijn dan de oneindige hoeveelheid journalistieke en politieke commentaren en analyses die in al deze jaren aan Berlusconi gewijd zijn.

Inmiddels is het Italië van Giorgia Meloni aangebroken, na een pauze van ruim tien jaar waarin de van bovenaf benoemde interim-premiers Mario Monti en Mario Draghi andermans financiële puinhopen moesten ruimen, wat ze maar zeer ten dele is gelukt. Staande ovaties uit Brussel, Europa en Amerika voor de twee uitgestreken Italiaanse bankiers met hun goede internationale contacten, maar ze gaven niet bepaald een Italië-gevoel. Dat vonden de Italianen zelf ook.

Sinds 22 oktober is er weer een door het volk gekozen Italiaanse premier met grote ambities op het vlak van de Italiaansheid, de 45-jarige Giorgia Meloni, ‘post-’, ‘neo-’, of gewoon fascist, de eerste vrouwelijke premier van Italië, en om die reden door het Amerikaanse zakentijdschrift Forbes op nummer zeven van ‘Most Powerful Women 2022’ geplaatst. ‘Giorgia Meloni is niet alleen de eerste vrouw aan het hoofd van een Italiaanse regering, maar ook de meest rechtse sinds de Tweede Wereldoorlog, en een controversiële figuur wier politieke toekomst onzeker is’, aldus Forbes, dat haar desalniettemin in de top-tien zet samen met Ursula von der Leyen, Christine Lagarde en Kamala Harris, ‘omdat Meloni’s verkiezing hoe dan ook een belangrijke verovering is als enige vrouw die een G20-land leidt’.

En dat is ook een feit, net zo goed als het fascistische verleden waarin Fratelli d’Italia, ‘Broeders van Italië’, de partij van Giorgia Meloni, heel diepe wortels heeft, en waarvan de symboliek heilig wordt gerespecteerd, zie de brandende vlam in de driekleur van Italië, die regelrecht van Mussolini’s graf is overgeheveld naar het partijsymbool van de nieuwe premier van Italië. Symboliek is belangrijk, weet de absoluut niet achterlijke Giorgia Meloni, zeker voor een verongelijkt volk als het hare, dat de glorietijden en de val van Mussolini voor het overgrote deel niet meer zelf heeft meegemaakt, maar wel nog steeds de gevoelens koestert van een ooit oppermachtig en toen plotseling verslagen volk.

Een beetje zo’n soort volk als je aantreft in The Lord of the Rings van Tolkien, een wegkwijnend volk van Rohan ergens op een berg, want zo voelen de Italiaanse post-neo-fascisten zich al bijna tachtig jaar. Onterecht op de backburner van de geschiedenis beland, en sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog wachtend op de nieuwe dageraad, de nieuwe koning, of koningin, om eindelijk weer in het volle daglicht mee te mogen doen aan de geschiedenis van de mensheid in het Derde Era van Midden-Aarde.

Dit is serieus. Italië is voor Giorgia Meloni Tolkiens Midden-Aarde, en zij is de Hobbit Frodo, die de taak heeft de ring van de macht te vernietigen. ‘Dankzij Tolkien beschouw ik macht als het gevaarlijkste wat er is, een vijand, geen vriend’, is een van haar vele uitspraken die refereren aan de sage die zij beschouwt als haar leidraad in het leven, The Lord of the Rings. Zij verkleedde zich als Frodo, als mollig, onzeker, verdrietig pubermeisje tijdens de ‘Hobbitdagen’ van de jeugdtroepen van de msi, eindelijk een groep waar ze met open armen werd ontvangen, ‘het was als een nieuwe familie vinden’, heeft ze er zelf over gezegd.msi, Movimento Sociale Italiano, was de naam die de fascisten hun partij gaven na de Tweede Wereldoorlog. Niet uit keuze, maar omdat ‘de heroprichting van de ontbonden fascistische partij is verboden in welke vorm dan ook’, volgens de Italiaanse grondwet die werd opgesteld in 1946 en die nog altijd van kracht is. Dus werd het de ‘Sociale Beweging’, waarom niet, per slot van rekening was Mussolini ooit als socialist begonnen, al bleek socialisme uiteindelijk weinig met zijn ware drijfveren te maken te hebben. Het je moeten verschuilen achter andere namen, in andere gedaantes kruipen, zit er in die hoek diep in, al vanaf het begin.

‘Voor Giorgia Meloni is The Lord of the Rings niet gewoon een zeer geliefde roman, maar een bloedserieus programma’, vatte Michel Guerrin het perfect samen in zijn column voor Le Monde vlak na de Italiaanse verkiezingen van 25 september, die door haar werden gewonnen, zoals ook ruimschoots van tevoren voorspeld. Het was Guerrin opgevallen hoe vaak Meloni Tolkien citeert op haar sociale media. Teksten als ‘Faithless is he who says farewell when the road darkens’, vertaald in het Italiaans uiteraard, want het volk van Giorgia is zeker niet een geletterd volk, en sowieso ligt Engels nog ver buiten het bereik van de meeste Italianen. Giorgia Meloni kan het vloeiend zowel lezen als spreken, want zij heeft haar hele leven keihard toegewerkt naar dit moment.

‘Begin met te doen wat nodig is, dan wat mogelijk is, en uiteindelijk blijkt dat je ineens het onmogelijke aan het doen bent’, is een andere spreuk waarmee ze graag strooit. Deze is van de heilige Franciscus, die past in haar zeer persoonlijke ideologische Pantheon, waar naast Tolkien ook de katholieke kerk een ereplek heeft. Maar het hare is niet de nonchalante, typisch Italiaanse, vrolijke manier van katholiek zijn, waarin vooral het kunnen biechten na de zonde en moreel blinkend schoon gewassen de kerk weer uitstappen een hoofdrol spelen.

Giorgia Meloni’s katholiek-zijn is bedoeld in de zin van middeleeuws christelijk, in de zin van traditionele blanke Europese rassen versus dreigende moslim-invasies, in de zin van volk, vaderland en ónze God, in de zin van ‘wij’ tegen ‘zij’. In de zin van extreem-rechts kortom, een politieke vorm van religie, een pilaar onder het Italiaanse Blut und Boden-gevoel dat Giorgia Meloni, net als alle extreem-rechtse partijleiders, graag leven inblaast. En tot hier valt het nog wel te snappen, want Italië is inderdaad overwegend een zwaar katholiek en conservatief land.

Maar bij haar Lord of the Rings-fixatie rijst toch de vraag: hoezo? Als er nou één land ter wereld kolkt van de eigen geschiedenis, eigen cultuur, eigen grootheid, eigen (oké, vergane) glorie, eigen verhalen uit welk tijdperk je maar wenst, eigen getuigenissen, dan is het toch Italië. Je hoeft maar eventjes de schep in de bodem te zetten en hup, daar is weer een schat uit de Oudheid die wereldnieuws is. Vorige maand nog, in het kleine Toscaanse plaatsje San Casciano dei Bagni, de Baden van San Casciano, een van de mooiste spa’s van Italië met natuurlijk warm water en een openluchtzwembad waarin je je als het ware in het landschap voelt zweven.

Bij opgravingen aan de voet van het Toscaanse ansichtkaartdorpje, om eens te kijken wat er nog over was van de oude Romeinse baden, kwam een schat aan het licht die niemand had vermoed. 24 perfect bewaard gebleven Etruskische bronzen beeldjes en vijfduizend gouden, zilveren en bronzen munten op de bodem van een Romeins thermenbasin die er al die tijd gewoon hadden gelegen. Het warme water in combinatie met de vacuümwerking van de modder had de belangrijke offerschat van tussen de tweede eeuw voor Christus en de eerste erna in ongeveer perfecte staat afgeleverd aan de mensheid van 2022. ‘Een ongelooflijke getuigenis van de overgang van de Etruskische cultuur naar de Romeinse, die precies in die periode en in dit gebied plaatsvond’, jubelde de hoofdarcheoloog ter plekke.

Iets om toch helemaal van uit je dak te gaan, als je net twee weken de premier bent van een land dat dit soort schatten herbergt, een enorm cadeau dat je zomaar in de schoot krijgt geworpen, helemaal als je politieke gedachtegoed rust op wat Umberto Eco ‘de traditiecultus van het Ur-fascisme’ noemt in zijn beroemde voordracht Il fascismo eterno, ‘het eeuwige fascisme’, aan Columbia University in 1995.

Tolkien zou helemaal niet begrijpen dat je de traditie en taal van een totaal andere cultuur aanklampt

Maar Giorgia Meloni deed er helemaal niets mee, schreef er niet over op haar drukbezochte sociale-mediakanalen waarop ze de hele dag in de weer is met allerlei meningen en kwesties, reisde niet af naar het Toscaanse plaatsje waar de schat was gevonden, maakte geen selfies samen met de archeologen, helemaal niets. Terwijl ze wel graag fotootjes laat zien waarop ze voor het ronde groene deurtje van het Hobbit-hol van Bilbo uit de Lord of the Rings-filmset in Nieuw-Zeeland staat, stralend met haar vierjarige dochtertje dat ook de hele lange reis moest maken voor dit onvergetelijke bezoek aan ‘Hobbiton’.

Of een foto waarop ze met een diepzinnige uitdrukking poseert naast een beeld van de tovenaar Gandalf te paard, bloed-bloedserieus: dit is de meester van mijn gedachtegoed. Of een andere waarop ze schaterend op de nek van een of andere woeste draak in een fantasy-pretpark is geklommen. Nogmaals: hoezo, als je Italië met zijn enorme hoeveelheid echte schatten uit het verleden voor handen hebt? Hoezo dit geklamp aan de verzonnen sage van een geniale hoogleraar filologie aan Oxford University die voor zijn land een eigen middeleeuwse vertelling wilde creëren, omdat het Engeland daaraan volgens John Ronald Reuel Tolkien ontbrak?

Het moet een onvergetelijke belevenis zijn geweest om in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw aan Oxford University college Angelsaksisch bij professor J.R.R. Tolkien te hebben gevolgd. ‘Hij kwam rustig de collegezaal in, stapte het podium op en barstte dan plotseling uit in de eerste regels van Beowulf, waarbij hij de woorden bijna schreeuwend uitsprak, de zaal vullend met dreunende strofen in het oorspronkelijk Angelsaksisch: ‘HWÆT WE GARDE na in geardagum. Þeodcyninga þrym gefrunon hu ða æþelingas elle(n) fremedon…’ (‘LUISTER! Wij van de Speer-Denen hoorden in de dagen van weleer van die koningen en van hun roem, hoe die edelen moedige daden verrichtten…’ – Uit Tolkien: Een biografie, Michael White, 2001.)

J.R.R. Tolkien was op verschillende vlakken geniaal, maar het begon met taal, en dan taal die voor anderen hoge wiskunde is. Hij las moeiteloos de Proza Edda, vertellingen uit de negende tot de twaalfde eeuw opgeschreven in middeleeuws IJsland, het epische gedicht Beowulf uit de tiende eeuw in het West-Saksisch, een dialect van het oude Engels waar geen syllabe van valt te begrijpen, en de Kalevala in het Fins, een overlevering van Karelische en Finse volkspoëzie die iemand ooit heeft opgetekend. Tolkien kon dit allemaal vlot in de originele versie lezen en genoot er ook echt van. ‘Ik heb nooit begrepen waarom mensen van dit soort talen zeggen dat ze zo droog en zo moeilijk zijn’, zegt de Oxford-professor, lurkend aan zijn eeuwige pijp, in een zwart-wit-interview uit de jaren zestig dat is gebruikt voor A Film Portrait of J.R.R. Tolkien uit 1996.

‘Voor mij is een nieuwe taal horen of zien als proeven van een mooie rode wijn die ik nog niet ken’, vervolgt Tolkien oprecht verbaasd. Hij bedoelde daarmee: Angelsaksische talen, want alleen die interesseerden hem, de talen waarin de noordelijke volkeren zich vroeger uitdrukten. Middeleeuws Noors, Fins, Zweeds, Deens, Duits, Nederlands, Vlaams en uiteraard Engels, daar draaide het voor Tolkien om, en alleen daarom. Over andere talen en culturen kon hij potsierlijk doen. Toen een Engelse journalist hem eraan herinnerde dat de schrijver van The Chronicles of Narnia, C.S. Lewis, zijn voormalige grote vriend van Oxford, collega-professor en de belangrijke eerste lezer en commentator van The Lord of the Rings, hem in een juichende recensie had vergeleken met de zestiende-eeuwse Italiaanse schrijver Ariosto, kaatste Tolkien terug: ‘Ik ken Ariosto niet en als ik hem zou kennen zou ik hem verafschuwen… Cervantes was een onkruidbestrijdingsmiddel voor de Romantiek en Dante interesseert me al helemaal niet. Hij is een wrokkige en kwaadaardige schrijver. Ik houd niet van triviale relaties tussen triviale mensen in triviale steden.’

Een commentaar dat beter genegeerd kan worden, omdat het waarschijnlijk werd ingegeven door de diepe teleurstelling vanwege de doodgebloede vriendschap met C.S. Lewis. Maar toch, Dante’s Divina Commedia, geschreven tussen 1307 en 1321, het onbetwistbare meesterwerk en de grondlegger van het hedendaagse Italiaans, ‘triviaal’ en ‘wrokkig’ noemen als je een Oxford-professor taalkunde bent, en ook nog eens een fervent katholiek zoals Tolkien, is wel het toppunt van domheid of van noordelijk fanatisme. Want daar leed hij wel aan, wat weer iets anders is dan zeggen dat Tolkien een ‘fascist’ was, wat wel is gebeurd, net als ‘racist’, ‘seksist’, ‘reactionair’ of ‘anti-intellectueel’. Allemaal weer tegengesproken door zijn gigantische wereldwijde succes onder alle soorten mensen, groepen en tendensen, zelfs onder de Vietnamgeneratie, de hippies, de flower-power van de jaren zestig.

Tolkien had daar helemaal niets mee, met de hippies, zoals ook M.C. Escher er niets mee had, die hetzelfde overkwam. Beiden werden door de generaties die op zoek waren naar andere dimensies van het bestaan – vaak met de hulp van lsd – passioneel omhelsd, maar beiden moesten er absoluut niets van hebben. ‘Ten eerste is het voor u meneer Escher, niet “Dear Maurits”’, schreef Escher in een antwoord aan Mick Jagger die zijn beroemde reptielen-litho wilde gebruiken als cover voor een nieuwe Stones-elpee, geld was geen enkel probleem. Eschers antwoord was nee.

En Tolkien wist eind jaren zestig op het laatste nippertje te verhinderen dat de Beatles The Lord of the Rings zouden gaan verfilmen door de rechten snel aan iemand anders te verkopen. John Lennon zou de Gollum hebben gespeeld, Paul McCartney Frodo, Ringo Starr zijn trouwe vazal Sam en George Harrison tovenaar Gandalf de Wijze. Voor de regie hadden de Beatles Stanley Kubrick in gedachten. De absolute wereldtop van dat moment, en Engelser kon het niet, maar Tolkien zag er niets in, langharig tuig dat met zijn middeleeuwse sage aan de haal zou gaan, wellicht zouden ze er nog een soort rockopera van maken, je moest er niet aan denken. Wat ook niet hielp was dat hij naast een garageband woonde in Oxford. Hij haatte het urenlange geram op de drums dat zijn concentratie verstoorde.

Voor Tolkien zou het ook onbegrijpelijk zijn geweest dat je het gevoel, de traditie, de taal, het landschap en de figuren van een totaal andere cultuur dan de jouwe aanklampt. Hij had een Engelse mythologie geschreven voor de Engelsen, gebaseerd op zijn innerlijke noodzaak om de antieke noordelijke talen in een juiste setting te plaatsen, maar uiteindelijk was het verhaal met hem aan de haal gegaan en leefde hij er zestig jaar lang mee in zijn hoofd. Midden-Aarde was voor hem meer de realiteit dan zijn echte leven.

Een fantastisch moment uit A Film Portrait of J.R.R. Tolkien is wanneer Tolkien even een zinnetje opschrijft in het ‘Elfs’ (zijn verzonnen, volledig uitgewerkte elventaal met een eigen grammatica en schrift). De camera zoomt in op zijn hand die zorgvuldig met een vulpen een soort hiërogliefenschrift op papier aan het tekenen is (‘Oh god, I made a mistake’), uiteindelijk staat er Elen síla lumenn’ omentielvo, zegt Tolkien, die het vloeiend voorleest en vertaalt: ‘A star shines upon the hour of our meeting’, blijkt het te betekenen.

‘It’s a beautiful piece of language, I think’, zegt Tolkien tevreden, terwijl hij zijn pijp weer in zijn mond steekt. Maar wanneer de journalist hem vraagt of hij nou graag zou zien dat deze taal over de hele wereld verspreid, gesproken en begrepen zou worden, lacht Tolkien zoals je lacht wanneer een kind iets naïefs vraagt. ‘No, I don’t desire to go and have afternoons talking Elvish’, zegt hij. En dankzij dit kleine fragment van de bbc is Tolkiens houding ten opzichte van het mooiste verhaal uit de Engelse literatuur van de vorige eeuw (volgens een enquête onder lezers van de Engelse boekhandelaar Waterstones in 1997) opgehelderd. Híj nam het helemaal serieus, zoals het de schrijver van een boek betaamt, maar het is niet de bedoeling dat de hele wereld dat gaan doen. Aan discussieclubjes in het Elfs had Tolkien geen behoefte.

De honderdduizenden bezoekers die zich eind oktober door de stadspoorten van de zes eeuwen oude muren van Lucca wrongen voor het Lucca Comics & Games-festival, de grootste fantasy gathering van Europa, komen niet voor een carnavalachtig verkleedpartijtje in polonaise, dat is duidelijk. Wanneer je lachend je duim opsteekt naar een elf die lijkt op de vader van die schitterende elfin die wordt gespeeld door de actrice Liv Tyler, krijg je een boze blik terug. Dat blijkt niet de bedoeling, lachen. Men schrijdt door de stad zoals mannequins over de catwalk lopen, de blik op oneindig, de hand in de zij, bloedserieus, ieder in zijn eigen avatarbubbel, graag bereid om te poseren voor een klik, maar ook dat bloedserieus, soms dreigend met opgetrokken lippen en ontbloot tandvlees, al naar gelang het personage. Moet je ook even aan wennen.

‘In Lucca hebben we al deze jaren eigenlijk een proeflaboratorium voor de toekomst gezien, uit Lucca komen in zeker opzicht ook de blauwe Viking-figuur met die enorme hoorns en de Captain America van de Capitoolbestorming in Washington’, schrijft het computerblad Wired, een begrip in de online-wereld. ‘Het is die overstap van de fantasy-wereld naar de reële die ook doorschemert achter het multicomplex Giorgia Meloni, de fantasy-strijdster “Draghetta Khy-ri” (Draakje Khy-ri) die omhoog is gekropen uit de beschermende krochten van haar internet-identiteit om de draken van het echte leven te verslaan.’

Nog altijd niet als zichzelf, nog altijd verborgen in het Paard van Troje van The Lord of the Rings, regerend over een land dat niet bestaat.