6 december 1923 – 15 februari 2013

Giovanni Narcis Hakkenberg

Hij wilde tegen Duitsland vechten maar bleef in Nederlands-Indië, waar hij zich tijdens de politionele acties onderscheidde ‘door uitstekende daden van moed, beleid en trouw’.

Hij was 27 toen hij tot Ridder der Militaire Willems-Orde werd geslagen. Over zijn leven had toen al een avonturenroman geschreven kunnen worden. Als zeventienjarige meldde de in Soerabaja geboren Giovanni Narcis Hakkenberg zich met een broer en acht neven aan bij de Nederlandse marine. Ze wilden in Europa tegen de Duitsers vechten, maar ze waren nodig in Nederlands-Indië, dat door de Japanners werd bedreigd. Na zijn opleiding moest hij in februari 1942 meteen als lichtmatroos aan boord van de Hr. Ms. Kortenaer om in de Javazee een Japanse invasievloot tegen te houden. Het liep uit op een ramp. De Kortenaer werd als eerste getorpedeerd, binnen enkele minuten brak het schip in tweeën en zonk. De Slag om de Javazee werd fluitend gewonnen door de Japanners, die daarna eenvoudig Nederlands-Indië konden veroveren. De geallieerden verloren duizend man, waaronder negenhonderd Nederlanders.

Hakkenberg behoorde tot de 104 overlevenden. In interviews die hem nog op hoge leeftijd werden afgenomen klinkt hij alsof het gisteren was gebeurd. Hij vertelt over het kolkende water, hoe hij naar beneden werd getrokken, hoe zijn benen verstrikt waren in staalkabels en hoe het hem lukte om zich los te worstelen. Zijn zwemvest hield hem drijvende, hij wist een vlot te bemachtigen en dobberde tien uur op zee voor hij door een Engelse torpedojager werd gered. Zijn broer en neven kwamen om.

Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands-Indië en werd Hakkenberg krijgsgevangen gemaakt door de Japanners. Hij werd verscheept naar Ban Pong in Thailand, waar hij aan de Birmaspoorlijn moest werken. De ‘Dodenspoorlijn’ was de bijnaam die de krijgsgevangenen de lijn gaven. Per dag stierven er 75 dwangarbeiders; in totaal overleden vijftienduizend krijgsgevangenen aan uitputting, ziekte en ondervoeding. Hij herinnerde het zich afgelopen zomer nog precies: ‘Onze jongens stierven bij bosjes. We kregen net te weinig te eten, zodat je altijd honger had. Je at alles, bijvoorbeeld slakken en insecten, maar daar werd je ook ziek van. Sommigen sliepen naast de latrines vanwege chronische dysenterie. In het kamp Hindato kreeg ik beriberi, tropenzweren en dysentrie. Op een ochtend trof ik mijn maten aan weerszijden van mij dood door uitputting aan.’

Hij kreeg malaria, overleefde in de ziekenboeg en werd naar Japan overgeplaatst, waar hij in een kolenmijn moest werken. Inmiddels had hij hongeroedeem. Hij kreeg alleen rijst en meel te eten, en dan ook nog te weinig. Bij de bevrijding woog hij maar veertig kilo. Hij werd van de mijn naar de haven van Nagasaki gebracht: pas bij de aanblik van de verwoeste stad hoorde hij van de atoombommen. De ex-krijgsgevangenen kwamen terecht op een Amerikaanse legerbasis op het Japanse eiland Okinawa. Het was er even feest: eten in overvloed en zelfs een concert van Frank Sinatra en Bing Crosby. Vervolgens werden ze naar Manilla gevlogen, waar ze verder moesten aansterken. En wachten tot ze gerepatrieerd konden worden.

Terug in Nederlands-Indië ontdekte hij na enige tijd dat zijn ouders en jongere broers nog leefden. Het was de Bersiap-periode, een tijd van chaos, couppogingen, guerrilla en contraguerrilla. Hakkenberg vond het, naar eigen zeggen, pijnlijk om te zien hoe de militairen van het nieuw opgerichte Indonesische leger (Tenara Nasional Indonesia, tni) de eigen bevolking behandelden. Ze eisten bijvoorbeeld eten en geld van mensen die al heel arm waren. Hij meldde zich weer aan bij het leger en werd tot sergeant benoemd bij de mariniersbrigade. Van 1947 tot mei 1949 was hij gelegerd op Oost-Java, waar hij zowel tegen het tni als tegen de vrijheidsstrijders vocht. Hij sprak de taal, kende de zeden en gewoonten en wist als geen ander de geluiden van de omgeving en de gevoelens van de kampongbewoners te duiden. Vaak ging hij dan ook alleen op pad om inlichtingen in te winnen of zelfs te onderhandelen met de kamponghoofden.

Hij werd gedreven door een sterk rechtvaardigheidsgevoel, was zelfverzekerd en weloverwogen tegelijk en hij kende geen angst. Zoals het in de plechtige motivering bij de Willems-Orde heette, onderscheidde hij zich in de strijd ‘door uitstekende daden van moed, beleid en trouw’, waarbij hij ‘aan het hoofd van slechts een zeer kleine groep – somtijds niet sterker dan drie of vijf man – met een fanatieke aanvalsgeest deze numeriek sterkere en goed bewapende benden wist op te sporen en verrassend aan te grijpen, hun daarbij gevoelige verliezen aan manschappen en wapenen toebrengend, zonder zelf verliezen te lijden’.

Slechts één keer sloeg hem de schrik om het hart. Dat was toen hij in een kampong een geïnfiltreerde tni-groep wilde overrompelen. Hij dacht dat het om een man of vijf zou gaan, het bleken er veertig te zijn. Hij overwon zijn angst en wist met bluf de actie toch te laten slagen. Het vestigde zijn faam; zijn manschappen keken niet meer op van zijn nachtelijke avonturen en legendarische arrestaties. Vijf van die acties leverden hem de Willems-Orde op.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië was het gedaan met zijn avontuurlijke bestaan. Hij was inmiddels getrouwd met een Indisch meisje, met wie hij naar Nederland vertrok. Hij zou tot 1974 als marinier blijven werken. ‘Het is een wonder dat ik het allemaal heb overleefd’, zei hij in een interview afgelopen zomer. De laatste jaren van zijn leven sleet hij in Rumah Kita, een verzorgingshuis voor Molukkers en Indische Nederlanders in Wageningen. Daar overleed hij rustig in een bed.

Hij wist als geen ander de geluiden van de omgeving en de gevoelens van

de kampongbewoners

te duiden