Wij voelden ons kinderen van de oorlog. Oorlog was dat mysterie van thuis. Een mysterie dat niet te ontrafelen leek. Vader somberde tevens over het kamp en ‘Indië verloren, rampspoed geboren’.

Ik ging bij de krant werken.

In het café probeerden we de wereld vorm te geven.

We wilden anders, we wilden links. Links was meer een vanzelfsprekendheid. Niet iets wat we ter discussie stelden.

Wat vonden we onze journalistieke taak?

Ikzelf wilde graag als historicus (al was ik gesjeesd) verslag doen van de vorige dag. En het linkse zat hem in het stem geven aan gewone mensen ‘met een verhaal’. Was dat een romantische opvatting? Hoe dan ook: ik kreeg dat ideaal, door te weinig intelligentie of overtuigingskracht of gebrek aan talent, niet goed in de vorm van de krant geperst. Een krant heeft eigen wetten. Er moeten kolommen worden gevuld. De actualiteit is een constante dijkdoorbraak en de redactie kiest een golf en een dijk. Ondertussen zijn er abonnees, modes, wisselende hoofdredacties, plotselinge grotere talenten dan jij die even plotseling weer verdwijnen. Stop een kloppend hart tussen de pagina’s van de krant en je krijgt een mens die constant in paniek is.

Als het zo moeilijk is om je eigen idealen te verwezenlijken, zijn je idealen dan goed?

De grote idealen verloor ik, de kleine werden meer deugden. Het hebben van een ideaal is te makkelijk; je toetst niet meer op redelijkheid maar je vindt je eigen ideaal al redelijk. Is die maatregel links? Nee? Slechte maatregel! ‘Ja, maar…’ ‘Nee!, zo denken wij niet!’ Die ‘wij!’ houdt zich altijd vast aan een ideaal en wie niet meer wij is wordt buitengesloten. Elke ‘wij’ heeft altijd een eigen politbureau en stasi waarvan de leden vrijwillig lid zijn. Elke ‘wij’ verstikt de (en het) ‘ik’.

Ik had een vriend die leefde voor zijn kunst. Als ik vroeg: ‘Hoe vind jij Den Uyl?’, dan antwoordde hij iets in de trant van: ‘Die rare ronde kop die net iets schuin op zijn halswervels staat, terwijl hij en face tamelijk hoekig is. Hij heeft dít!’ En hij deed Den Uyl dan na. Ook hij was een kind van de oorlog. Politiek was voor hem: extreem-links is goed, de rest is fout. Waarom? Zijn vader was een communistische verzetsheld.

Als het zo moeilijk is om je eigen idealen te ­verwezenlijken, zijn je idealen dan goed?

Hij bleef communist terwijl zijn werk steeds commerciëler werd.

In de jaren negentig van de vorige eeuw verdiende hij wel een ton per jaar, wat gigantisch was. Er kwam een auto en een mooi huis en een klein huisje in Frankrijk met atelier.

Op het stembiljet vulde hij SP in.

En waarom ook niet? Hij was trouw aan zijn paps. Ik stemde met hem mee.

Mijn dochter is een kind van… ja, wat eigenlijk? Babyboomer? We hebben leuke gesprekken, maar ik weet dat het zinloos is om haar te overtuigen van mijn conservatisme. We kunnen ons vinden op natuurbehoud, zorg voor de aarde – zeg ik dat zo goed? – maar voor de rest? Soms vertel ik weleens wat de PVV zegt over onderwijs. Lichaamstaal zegt dan: zwijg, vader! Mijn troost is dat zij net zo denkt als ik dertig jaar geleden. Ook dat bindt.

Ik voel me nog steeds de historicus van de vorige dag. Maar ik weet ondertussen dat de meeste en de grootste primeurs liggen in het verleden. De geschiedenis van gisteren ontbeert de ogen van morgen.

Terugkijkend zie ik eerder een rij van mislukkingen dan van successen.

Al mijn helden van vroeger liggen in het antiquariaat, in een doos in de berging, of verstoppen zich in een anekdote die niemand meer iets zegt.

Ik ben niet van gisteren. Maar van verder terug.

Ik voel nog die hand van Indië verloren, en voel mijn eigen teloorgang. Treurigheid is ook een vorm van romantiek.