Perquin

Gitaar

Toen ik terugkwam van een avondlijke vergadering vond ik, vlak bij mijn huis, een gitaar in de sneeuw. Het was een gaaf exemplaar, op wat plekjes en een gesprongen snaar na. Zonde om buiten te laten. Dus nam ik hem op mijn arm mee naar binnen en liet hem aan mijn man zien. ‘Een vondeling’, zei ik. Mijn man staarde mij even aan, keek toen naar de gitaar en knikte daarna peinzend, terwijl hij de situatie op zich in liet werken. 'En wat’, informeerde hij, 'moeten wij daar precies mee? Wij spelen toch niet?’ Ik schudde mijn hoofd om zoveel onbegrip. 'Wij spéélden geen gitaar’, legde ik uit, 'omdat wij geen gitaar hádden.’ En om te demonstreren hoe fantastisch ons leven eruit zou zien nu wij muzikale mensen waren, nam ik de gitaar in de houdgreep, tokkelde een fijnzinnig deuntje en zong er een geïmproviseerd doch romantisch liedje bij. De lettergrepen klopten niet helemaal bij het geplingplong van mijn spel, maar ik vond het daardoor ook weer heel authentiek klinken. Een beetje ongepolijst en zoekend nog, precies zoals je zou verwachten van nieuw talent. 'Ook al ben je kaal, je hoofd glimt prachtig in het licht. Oud worden we allemaal, al sterf ik jong, als het aan mij ligt’, was geloof ik de tekst.
Mijn man, die zich niet zo gauw over de dingen des levens verbaast, hoorde het gelaten aan. Ik zong niet loepzuiver natuurlijk, maar ik probeerde er desondanks wulps bij te kijken. Toen ik klaar was wierp ik mijn publiek nog een kushandje toe en boog uitbundig, voor een oorverdovend applaus dat alleen ik kon horen. 'Misschien’, zei mijn man na een korte stilte, 'kun je hem nu beter in je werkkamer zetten. Om bij te komen van alle ontberingen.’ Hij keek mij oprecht bezorgd aan. Typisch de reactie van een fantasieloze geest, dacht ik. De blik van een barbaar. Op een dag zal hij zich daarvoor schamen. Zich uitputten in excuses. Mijn handtekening vragen. Tot die tijd hebben we genoeg aan elkaar, mijn gitaar en ik. Grote kunst, zeggen ze, wordt nooit begrepen.