John Mayer heeft een album gemaakt waarop hij de jaren tachtig eert. Of misschien is dat nog een understatement: waarop hij zichzelf terugwerpt naar de jaren tachtig. Werkelijk alles is eighties aan Sob Rock. Om te beginnen de hoes, waarvoor Mayer in de stijl van een rockzanger uit dat decennium staat: wit shirt, zwart jasje, Miami Vice-kleuren (wit, pastelgroenblauw). Met enige welwillendheid ontwaren we zelfs een matje, en als de foto verder naar beneden liep zagen we vast dat hij net als Don Johnson destijds geen sokken draagt. Sob Rock zou in een cd-bak zo tussen de albums uit de commerciële hoogtijdagen van diezelfde Johnson, van Bryan Adams, Rick Springfield, Richard Marx, John Waite, Lou Gramm (ex-Foreigner), Steve Perry (ex-Journey) en Peter Cetera (ex-Chicago) kunnen staan.

Het album is ook een duidelijke ode aan dat vaak verguisde, nooit credible geworden maar o-zo-lekkere subgenre van de ‘aor’ (‘Adult-Orientated Rock’ – zelfs de term en de afkorting zijn in de vergetelheid geraakt). Mayer heeft zelfs het uit de jaren tachtig bekende ‘Nice Price’-stickertje op de hoes afgedrukt.

De productie is volstrekt eighties: glad met een galmpje. Materiaalkeuze: plastic. Mayer is een goede zanger en songwriter, en een uitmuntende gitarist. Zijn liefde voor de mainstream-kant van de jaren tachtig zit diep en is ironieloos. Dus aan de juiste voorwaarden ontbrak het niet; de voorwaarden om hier een krachtig eerbetoon van te maken zonder die irritante, laffige knipoog die verplichte kost lijkt bij odes aan dit decennium. Helaas pakt het niet zo goed uit als gehoopt, en die bijsmaak komt na een fris begin opborrelen bij het derde nummer, New Light. De kritiek die popsterren uit de jaren tachtig als Phil Collins en Dire Straits-vanaf-hun-derde-album vaak kregen, was dat hun muziek ambachtelijk was, goed gemaakt, gespeeld, geproduceerd, allemaal prima, maar té prima, te klinisch, en uiteindelijk gewoon sáái. Dat was toen vaak onzin, maar in het geval van Mayer is het dat vaak niet. In ‘Wild Blue’ en ‘I Guess I Just Feel Like’ werkt het nog wel, dat kalme kabbel-arrangement waar zijn heerlijke gitaarspel dan doorheen snijdt: met enige verbeelding en goede wil zou je hier de vergelijking met The War on Drugs, ook hevig beïnvloed door de jaren tachtig, kunnen maken. Maar wie níet indommelt bij ‘Why You No Love Me’, die houdt kennelijk écht van sterke koffie.

De titel daarvan legt ook een ander probleem bloot, dat na enige tijd opvalt omdat de teksten door het gebrek aan muzikaal avontuur of venijn de hoofdrol gaan opeisen, en dat probleem is dat John Mayer op Sob Rock zeldzaam flauwe, nikserige teksten heeft geschreven. Al die mannen met zowel een gitaar als een föhn in de jaren tachtig durfden het grote gebaar wél te omarmen, de clichés dik uit te venten, de seksuele lading nog eens extra op te wrijven. Je krijgt van Mayers zouteloosheid zin om ze weer te draaien, stuk voor stuk, en hard ook. Via die omweg is dit dan weer een zeer geslaagd eerbetoon.

John Mayer, Sob Rock