Gladiator

In deze poëtische verkiezingstijd die eerdaags een nieuwe Dichter des Vaderlands moet opleveren, moet ik vaak aan Martinus Nijhoff denken. Nee, niet aan zijn gedicht over het gevangen dier dat onder zijn huid leeft en dat zich naar buiten aan het bijten is, nou ja, altijd wel een beetje, maar vooral aan wat hij schreef aan een van zijn vele bewonderaarsters. Zij wilde een keer met hem afspreken, in Den Haag, waar hij woonde, of in Parijs, waar zij woonde. Op de een of andere manier leek de wereld toen – jaren twintig vorige eeuw – voor de scheppende geest nog zo’n begaanbaar oord. Geld, tijd, afstand, het speelde kennelijk allemaal geen rol. Parijs, pourquoi pas… Met fladderende jaspanden, de hoed schuin op ’t hoofd, snelt Nijhoff onmiddellijk naar het station, zijn valies werpt hij in het bagagenet, de krant vouwt hij uit en diezelfde avond nog stormt hij bij haar de trap op, in de Rue du Bac, en zet zijn tanden daar eens flink in haar schouders. Want ook het feit dat zij getrouwd was, vormde kennelijk geen obstakel.
Maar nee, Nijhoff ging helemaal niet, dat wil zeggen: hij ging pas twee weken later, om haar tandjes in zíjn schouder te laten zetten. Terwijl hij eerst aan haar had geschreven, wijs en ook een beetje sad, dat je dichters beter verre van je kunt houden. En voor het geval ze hem niet meteen begreep, verderop in zijn brief stond het er nog eens: geniet van dichters zonder dat ze er zelf bij zijn om de boel te bederven.
Hij lichtte dit verder niet toe, maar wie de biografie van Nijhoff een beetje kent – dat zullen er niet veel zijn, want degene die officieel de Nijhoff-biografie aan het schrijven is hapt al decennia uit de staatsruif zonder ook maar met ene alinea voor de draad te komen – kan zich iets voorstellen bij zijn waarschuwing. Nijhoff had voortdurend hele en halve ruzies uit te vechten, altijd met collega-scribenten, tot en met een daadwerkelijk handgemeen met Du Perron aan toe. Het eindigde met een gebroken neus, voor het aangezicht van de cliëntèle van Americain. En waar het dan om ging? Gewoon, waar schrijvers altijd ruzie om maken. Succes, of het gebrek daaraan, van zichzelf en anderen. En hoe dat komt, en wie zijn schuld dat is.
Schrijvers zijn elkaars ergste vijanden, en dichters nog erger. Zo sereen als hun bundeltjes ogen, zo bloeddorstig is de strijd die achter de poëzie wordt gevoerd. Misschien omdat hun apenrots net nog wat kleiner is? Omdat de dood de stilte in de zaal is nadat het laatste woord geklonken heeft? Of omdat de testosteron toch érgens naartoe moet?
Zo’n twee jaar geleden werd ik gevraagd op een dichtersavond een bloemlezing ten doop te houden. De locatie oogde op papier gemoedelijk: een bruin café in de Utrechtse binnenstad, vlak achter de Bijenkorf. Het was een mooie nazomerse avond en met een hoofd vol gedichten en een lezing in de broekzak duwde ik argeloos de cafédeur open. Het volgende moment bevond ik me op een slagveld waarbij de openingsscène van Ridley Scotts Gladiator bleekjes afstak. Ik kwam terecht in het Germaanse kamp, zal ik maar zeggen, waar men kwijlend en boertig, in schapenvellen gehuld, ongeduldig op de grond aan het rammen was met speren waarop de koppen van eerdere tegenstanders waren gespietst. Aan de andere kant van het biljart bevonden zich de Romeinen, met helmen en schilden, en een ongerust drentelende Maximus, oftewel de bloemlezer in eigen persoon. De oude Ceasar, in de gedaante van een gerenommeerd dichter, sloeg het tafereel van een afstandje gade.
Opgenomen worden met één of meer gedichten in een bloemlezing bleek vers één, die gedichten voor een publiek ten gehore brengen was vers twee. Het café was afgeladen vol met gretige dichters die die avond hun kans schoon zagen om de microfoon te grijpen. Eenmaal het ding in handen hebbende, waren ze niet van plan het zomaar weer af te staan aan een vakbroeder. Zelden zag ik zo veel vechtlust bijeengepakt. De paarden hinnikten, hun hoeven schraapten nerveus over de vloer. Poëzie is een daad van bevestiging, inderdaad. Als ik het me goed herinner dacht ik toen ook al aan Nijhoff, en de brieven die hij schreef aan de vrouwen in zijn leven.