Film

Glansrol van Bowie

FILM The Illusionist en The Prestige

Nikola Tesla was een Servisch-Amerikaanse wetenschapper en natuurkundige die begin twintigste eeuw de wisselstroomgenerator heeft uitgevonden. In het echte leven werd hij berucht en beroemd door zijn intense rivaliteit met Thomas Edison. In Christopher Nolans film The Prestige, over goochelarij, komt Tesla slechts in enkele scènes voor, maar hij steelt zowat de hele film. Beter gezegd: dat doet de acteur die hem speelt, David Bowie.

Bowie is een geboren acteur, wat al duidelijk was vanaf het moment dat hij zijn glamrock-_alter ego Ziggy Stardust creëerde. Zijn beste rol, die van een Britse krijgsgevangene in _Merry Christmas, Mr. Lawrence (1983) was ironischerwijs atypisch. Op het scherm glanst Bowie juist het best in de gedaante van vreemde antihelden als de alien Thomas Jerome Newton in Nicolas Roegs The Man Who Fell to Earth (1976), Pilatus in Martin Scorseses The Last Temptation of Christ (1988) en een bizarre fbi-agent in David Lynch’ Twin Peaks: Fire Walk With Me (1992). In dit rijtje past Bowies Tesla perfect. De scènes waarin hij experimenteert met het laten verdwijnen van objecten zijn briljant: ingetogen en intens gespeeld en vreemd gefilmd door Nolan, met veel zwarte en grijze kleuren en zilveren oppervlaktes.

Tesla was zelf een soort illusionist en de film waarin hij figureert is een van twee nieuwe films over de kunst van het goochelen. Naast The Prestige is er The Illusionist van Neil Burger. In beide films creëren de regisseurs een eigen illusie, namelijk dat de acts van de illusionisten echt zijn. Dat is gepast, want in de plaats en tijd waarin de verhalen zich afspelen – in Wenen eind negentiende eeuw (Illusionist) en Londen in hetzelfde tijdvak (Prestige) – blijkt nog plaats te zijn voor een geloof in de mogelijkheid van magie.

Het tijdperk wordt vooral gekenmerkt door het begin van film als technologie en kunst. Al in 1888 registreerde Thomas Edison een patent op een apparaat dat volgens hem een ‘fonograaf (voorloper van de grammofoon) voor de ogen’ zou worden. Edison noemde zijn uitvinding de Edison Kinetophonograph, die overigens grotendeels door een medewerker van hem werd ontwikkeld. Dat was de voorloper van de peepshowachtige Kinetoscoop en uiteindelijk de Edision Vitascope, een projector waarmee op 23 april 1896 in de Koster & Bial Music Hall, op 34th en Broadway, twaalf korte films werden geprojecteerd – de geboorte van de Amerikaanse filmindustrie.

Deze connectie tussen het illusionisme en de cinematografie is voelbaar in zowel The Prestige als The Illusionist. In deze laatste film uit zich dat vooral in de vorm, waarbij de regisseur met allerlei archaïsche fotografische technieken, zoals een sepia-achtige kleur, speelt. Dit is ook wel het enige pluspunt aan het werk, dat verder zo leeg en geestdodend saai is als een kasteelroman. Helemaal onvergeeflijk is dat de grote verrassing in de vertelling geheel doorzichtig en voorspelbaar is.

Precies hetzelfde gebeurt eigenaardig genoeg in Christopher Nolans film: je ziet de ontknoping mijlenver aankomen. Dat is minder onvergeeflijk dan in The Illusionist, want The Prestige is verder een boeiend werk. Het verhaal, naar een roman van Christopher Priest, draait om de rivaliteit tussen de illusionisten Robert Angier (Hugh Jackman) en Alfred Borden (Christian Bale). Er is ook nog een rol voor Scarlett Johansson, die zoals altijd overrompelend is, ook al blijkt ze opnieuw niet te kunnen acteren. En er is Bowie, die met zijn acteerwerk en onuitwisbare iconische kracht laat zien hoe je echt moet toveren in de cinematografie.

The Illusionist is thans te zien; The Prestige draait vanaf 8 februari
www.theillusionist.com/
www.theprestige.movies.go.com