Glimlachen is verdacht

‘HET IS NET of je de dingen kunt veranderen door ze een andere naam te geven’, schrijft de Kroatische journaliste Slavenka Drakulic in een van haar beschouwingen die onder de titel Café Europa gebundeld werden. Zo werd in de Kroatische hoofdstad Zagreb de mooie bioscoop De Balkan al in 1990 omgedoopt tot De Europa.

En overal, van Tirana tot Boedapest, vind je hotels, cafés en restaurants die het nodig vinden om met de magische naam Europa aan te duiden dat ze willen behoren tot een wereld die niet alleen de reputatie heeft beschaafd te zijn, maar die vooral geassocieerd wordt met welvaart en rijkdom. Het is alsof die Bulgaarse, Roemeense en Albanese gelegenheden de naam Europa gebruiken als uitdrukking van een algemenere nostalgie waarmee de bevolkingen van die landen hunkeren naar een status die met de Europese vergelijkbaar is.
Omdat Drakulic eigenlijk behoort tot de twee werelden die ze beschrijft - ze kent evengoed de (ex-)communistische als de liberale samenlevingen - is ze, met haar vermogen tot kritische introspectie, uitstekend toegerust om de innerlijke verscheurdheid van haar generatie te tonen. Dankzij Drakulic’ reportages en reflecties brengen we begrip op voor de trauma’s die de Oosteuropeanen onder het communisme hebben opgelopen en leren we hun gedragingen en gevoelens te plaatsen in een kader dat ook de Westeuropeanen meer zelfvertrouwen zou moeten inboezemen in hun omgang met hun buren uit het oosten en de Balkan.
Wie ook maar een beetje ervaring heeft met die landen, ondergaat een schok van herkenning. Drakulic beschrijft de Oosteuropeanen als mensen die een verkeerd beeld hebben van het Westen omdat ze de democratie beschouwen als een onvermijdelijk natuurverschijnsel, en niet als iets wat je moet leren en waaraan je moet werken. Vandaar de diep verankerde overtuiging in Oost- en Midden-Europa dat wie in het Westen woont, het per definitie beter heeft.
De notie van persoonlijke verantwoordelijkheid is volgens Drakulic een volstrekt nieuw begrip in de voormalige communistische landen. Ze stelt dit eerder vast dan dat ze het haar medemensen verwijt, en ze heeft er ook een verklaring voor: ‘We waren dusdanig geïnfantiliseerd, verwend en omgekocht dat de mogelijkheid van een andere toekomst voor ons niet denkbaar was. We konden ons geen toekomst voorstellen buiten de communistische muren die onze kinderlijke dromen beschutten, net zoals een kind niet in staat is zich een ander leven voor te stellen buiten zijn vertrouwde speelterrein. De prijs hiervoor was hoog, en ik vermoed dat we die nu betalen.’
EEN GEVOLG van die situatie is dat veel mensen die tijdens het communistische tijdperk groot zijn geworden en die te oud zijn om een nieuw bestaan op te bouwen - zeg maar de mensen die eind jaren tachtig rond de veertig waren - nu het gevoel hebben dat ze zich alles mogen veroorloven en dat grabbelen een middel is om hun toekomst veilig te stellen. In hun relatie tot de Westeuropeanen die de Oosteuropese hoofdsteden bezoeken, uit zich dat in hun vermeende recht om de buitenlanders te bedriegen en uit te schudden, wat de autochtonen beschouwen als een soort van 'compensatie voor de ontberingen van de communistische tijd’. Vandaar dat je als taalonkundige en dus onmondige toerist in een Praags of Bulgaars hotel het dubbele betaalt van wat de inboorling moet dokken. Hetzelfde geldt voor het glas bier dat je op het terras consumeert. Een rit met de taxi kan je in om het even welke Oosteuropese stad zuur opbreken als je niet vooraf met de chauffeur de prijs hebt afgesproken.
In dat verband schrijft Drakulic toepasselijke bladzijden over het gevaar dat de glimlachende, want argeloze westerse reiziger in de Oosteuropese steden bedreigt: 'In Sofia is een glimlach minder een teken van beleefdheid dan van inferioriteit van degene die glimlacht.’ De glimlach is verdacht, want wie te midden van zoveel shit het lef opbrengt om zijn gezicht in een gelukkige plooi te trekken, vraagt erom een poot te worden uitgeschroefd. Wie glimlacht, is naïef, en wie naïef is, maakt zich uit eigen beweging kenbaar als een gemakkelijke prooi.
Het is natuurlijk niet zo dat Drakulic erop uit is de mensen van Midden-Europa en de Balkan belachelijk of verdacht te maken. Maar ze laat wel op een overtuigende manier zien dat de generatie die de ineenstorting van het communisme bewust heeft meegemaakt, verstrikt zit in uiterlijke en innerlijke patronen waaruit geen uitweg meer mogelijk is.
Dat hoeft zich niet altijd uit te drukken in bedrieglijk gedrag. Op een bepaald ogenblik heeft Drakulic het over het aparte gevoel dat je krijgt wanneer je, nadat je je hele leven tegen de armoede gevochten hebt, plots wat geld over hebt. Dat fenomeen is haar zelf overkomen. Maar in plaats van met dat geld te gaan gooien en dure jurken te kopen, betrapt Drakulic zich er op dat ze nog steeds op zoek is naar koopjes en dat ze zich gelukkig voelt wanneer ze iets goedkoops vindt dat er duur uitziet, iets wat haar Zweedse echtgenoot natuurlijk niet kan begrijpen. Drakulic schrijft: 'Dus wat doe ik? Ik lieg tegen hem. Ik koop iets in de uitverkoop en zeg dat het drie keer zoveel heeft gekost. Een onschuldig leugentje, en ik veronderstel dat de meeste mannen zich gelukkig zouden prijzen als hun vrouw hen zo zou beduvelen, in plaats van andersom.’ Ze voegt er aan toe dat haar dochter niet graag met haar gaat winkelen, juist omdat haar dochter het geld waarvoor ze gaat werken uitgeeft zonder een spoor van complexen of schuldgevoelens.
Drakulic maakt in Café Europa niet alleen de gevoelens en gedragingen van haar generatie transparant. Ze vertelt ook iets over de onmacht van die generatie om iets te ondernemen tegen het leugenachtige beleid van een regime dat zich ten onrechte democratisch noemt, namelijk het door president Franjo Tudjman als een bananenrepubliek bestuurde Kroatië.
Gezien de vele argumenten en bewijzen die ze daarvoor aanhaalt, is het niet gemakkelijk haar these te ontkrachten dat de republiek Kroatië zich schatplichtig voelt aan de wansmakelijke periode uit de Kroatische geschiedenis waarin de fascisten onder de leiding van Ante Pavelic de scepter zwaaiden. Er is geen andere verklaring voor enerzijds de hardnekkigheid waarmee de slachtoffers van het concentratiekamp van Jasenovac niet worden herdacht en anderzijds voor het respect dat de Kroatische autoriteiten blijven opbrengen voor een man als Dinko Sakic, die ooit de gevreesde commandant van dat concentratiekamp was.
Maar dit zijn beschouwingen van algemene aard die niet helemaal recht doen aan de scherpzinnige analyse van Drakulic, die bijvoorbeeld laat zien dat er een verband bestaat tussen de collectieve verwaarlozing van het gebit en het gebrekkig functioneren van de democratie. Het idee dat het voor een publiek figuur niet erg beleefd is om zich met een slecht verzorgd gebit in het publiek te vertonen, is net zomin bekend 'als het passend is om een toespraak te houden in je pyjama’.
Dit is voor Drakulic de aanleiding om erop aan te dringen dat de Oosteuropeanen nood hebben aan een radicale verandering van hun zelfbeeld: 'Als je het nooit hebt gehad, is zelfrespect iets wat je moet leren. Misschien is het een goed idee om te beginnen met ons gebit.’