Ted Hughes. Ik wil nooit vergeven worden

Glimlachen naar iemand die er niet meer is

Mischa de Vreede herinnert zich haar ontmoeting met Ted Hughes en leest zijn brieven. ‘Aanvankelijk vond ik hem in zijn Letters minder aardig.

Ted Hughes, Ik wil nooit vergeven worden. 45,-

Toronto, oktober 1983. Wij, de aan het prestigieuze Harbour Front Festival deelnemende dichters, waren in de Hospitality Room van het Hilton Hotel uitgenodigd om met elkaar kennis te maken. Ik was net ingevlogen vanuit Ann Arbor en voelde me, als altijd na een vliegreis, opgewonden en eenzaam tegelijk. Losgeslagen. Wellicht dat het daardoor kwam dat ik me er bijna niet van kon weerhouden de aandoenlijk grijzende haartjes aan te raken in de brede, boerse nek van de man die voor me op de grond zat. Toen hij overeind kwam om zich voor te stellen bleek dat hij een prachtig, volstrekt uniek gezicht had en daarbij een verleidelijk stemgeluid; hij heette Ted Hughes. Charisma nodigt uit; wij wilden meteen allemaal met hem in contact komen.

Maar tegelijkertijd hielden we afstand: er hing een gordijn van korzelig verdriet om hem heen. Want hij was niet alleen een begenadigde dichter, hij was ook de man die twee vrouwen tot zelfmoord zou hebben gedreven en hij zou de volgende dagen herhaaldelijk worden belegerd door feministes die hem via interviews of anderszins ter verantwoording wilden roepen en ondervragen over zijn huwelijk met en de zelfdoding van de dichteres Sylvia Plath. (Assia Wevill, zijn volgende vrouw, die ook haar dochtertje meenam in de dood, was hun kennelijk niet interessant genoeg.)

Intussen bleek hij ongelooflijk aardig. Geïnteresseerd en meelevend. De dichteres uit Finland was net als ik een writer in residence – daar hadden we natuurlijk onze uitnodiging aan te danken, want dat scheelde reiskosten! – en toen we onze verbazing uitspraken over de Amerikaanse mores en met name hoe oppervlakkig de contacten bleven met onze naaste omgeving, ging hij dat omstandig uitleggen: ‘Dit is een natie van landverhuizers, die kunnen zich geen emoties veroorloven.’ In zijn brieven van eind jaren vijftig, toen hij met Sylvia Plath drie jaar in de Verenigde Staten woonde, klaagt hij ook al over ‘het afschrikwekkende gebrek aan innerlijke gerichtheid in Amerika’. En, aan zijn zuster: ‘Wat een land is Amerika! Alles is in cellofaan verpakt!’

We zouden op dezelfde avond optreden en in de pauze daaraan voorafgaand stelde hij me voor met hem naar buiten te gaan, weg van de mensen. Onder een gitzwarte hemel vol sterren vertelde hij dat hij dergelijk geflonker ook had gezien toen hij in een lemen hut sliep aan een meer in Kenia. (Nu ik zijn Letters heb gelezen weet ik dat hij daar kort tevoren geweest was, om te vissen met zijn zoon Nicholas.) Hij vroeg naar mijn sterrenbeeld en vertelde dat zijn zuster daaraan veel waarde hechtte. (Uit zijn brieven blijkt dat ook hijzelf zich bezighield met zaken als astrologie, magie, droomduiding en het ouijabord; Nelleke van Maaren heeft in haar vertaling die ze Ik wil nooit vergeven worden noemde veel van zijn bevindingen dienaangaand weggelaten. Van de 750 bladzijden Letters zijn er 540 overgebleven; wat mij betreft heeft ze een terechte keuze gemaakt want uiteraard zijn er doublures en bijvoorbeeld wat hij schreef over zijn Shakespeare-bewerkingen of over zijn gepeuter aan Crow en Wodwo las ook ik met een half oog.)

‘I love your garb!’ zei hij toen we weer naar binnen gingen en ook dat hielp tegen de zenuwen. Het zal die Indiase rok geweest zijn, met spiegeltjes opgeborduurd.

Toen ik de ochtend na ons optreden de ontbijtzaal binnenkwam wenkte hij me: ‘Kom erbij!’ Hij vroeg aan zijn disgenoten – Joseph Brodsky, galmende dictie, Derek Walcott – donkere huidskleur en blauwe ogen, en diens beeldschone Amerikaanse vrouw – of ze bezwaar hadden. Nee dus. Het gesprek ging over een eilandje in de Caribische Zee waarop ze een huis voor dichters zouden bouwen en wie daar dan welkom zou zijn en wie niet. TH zorgde ervoor dat ik een stevig ontbijt – roerei/tomaat/warme worstjes – tot me nam: ‘You must build up your stamina!’ Want we zouden naar de Niagara Falls gaan, een busje vol dichters, en later een boot vol: The maid of the mist. En opnieuw moest ik me ervan weerhouden mijn handen naar hem uit te strekken, nu om hem te helpen met het dichtknopen van de regenjas die we aan moesten.

Toen ik een paar dagen later terug moest naar de kilte van academisch Ann Arbor zei hij bij het afscheid: ‘Wait a minute!’ Het shuttlebusje stond al te ronken maar daar kwam hij nog aangebeend met zijn New Selected Poems. En bijna nog mooier dan de liefdevolle opdracht voorin vind ik het feit dat dit het exemplaar was waaruit hij had voorgelezen. Tussen de bladzijden zaten – en zitten nog steeds – strookjes papier van het hotel gestoken en onder elk vers had hij met potlood de leestijd genoteerd: Full Moon and Little Frieda duurde 1 minuut. (D.H. Lawrence was zijn lievelingsauteur, zou hij zijn dochter naar diens vrouw hebben genoemd?)

Aanvankelijk vond ik hem in zijn Letters minder aardig dan ik hem gekend had. Te veel bezig met zijn winkel: het aanprijzen en geplaatst krijgen van zijn en later ook Sylvia’s werk en het bijbehorende netwerken. Kortom, ‘de financiële hordenloop’. Maar geleidelijk wint hij aan sympathie en vooral mededogen. Want wat een man en wat een leven heeft hij moeten leiden!

Rusteloos was hij en altijd bezig: huizen zoekend en verbouwend, verhuizingen regelend, als vader, als boer, als veehouder en vooral als visser: van snoek naar zalm, zowel in Ierland als overal elders. Hij moet daarbij aan één stuk door aan het woord zijn geweest; wie niet in de gelegenheid was om naar hem te luisteren kreeg hem te lezen. Al met al duizenden brieven: aan zijn familie, zijn voormalige schoonmoeder Aurelia Plath die hij haatte maar die hij als grootmoeder van zijn kinderen te vriend moest houden. Aan vrienden en leermeesters van vroeger, aan redacteuren en bloemlezers. En – soms heel uitgebreid – over zijn literaire ontwikkeling en biografische gegevens aan studenten die daarom vroegen. Dit alles in een hoekig handschrift waarbij opvalt dat altijd de laatste regel onder aan de bladzij tevens de laatste regel van de brief was.

En van meet af aan doet zijn zucht tot zelfverdediging zich gelden, zijn behoefte om dingen recht te zetten en zijn verlangen om vergeven te worden. Of het nu gaat om een door de recensent verkeerd begrepen dichtregel, een tot mislukken gedoemd toneelexperiment, de kritiek op het aanvaarden van zijn benoeming als Poet Laureate in 1985, of om de mythevorming – vooral door haar talrijke biografen – rondom Plath: hij klimt in de pen en schrijft van zich af. Aangrijpend vooral zijn de brieven die hij in 1989 schreef naar The Guardian en The Independent. Twee wetenschappelijk geschoolde dames hadden naar deze kranten geschreven dat ze het een schande vonden dat het graf van Sylvia Plath in Heptonstall zo moeilijk te vinden was en ze stelden vast dat het door de erven Plath slecht werd onderhouden. Er waren acht mede-ondertekenaars – collega-schrijvers, onder wie tot zijn grote teleurstelling ook vriend en Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky – die beter zouden moeten weten. Omstandig legt TH uit dat er van verwaarlozing geen sprake is maar dat er aanhoudend fans langskwamen die er een stukje van meenamen en ook dat de grafsteen steeds terug moest naar de steenhouwer omdat feministen de naam Hughes ervan af hadden gebikt. Want ze waren van mening dat Plath bij haar dood al van Hughes gescheiden zou zijn, wat aantoonbaar niet waar was, zoals ook die wetenschappelijk geschoolde dames hadden kunnen weten. Zijn naam staat er nu in brons gegoten bij. Het grafschrift luidt: ‘Even amidst fierce flames/ The golden lotus can be planted’, een oosterse wijsheid.

Aan de weduwe van Robert Graves schrijft Hughes naar aanleiding van een schrijversactie ten bate van een grafmonument dat haar op Mallorca overleden man zou hebben verdiend. Hij heeft de foto van de situatie op de lokale begraafplaats bekeken en vindt ‘dat dit waarschijnlijk precies het soort monument was dat Robert had willen hebben – eenvoudig, lokaal, passend in de omgeving’. Mocht er ergens anders iets grandiozers worden neergezet, dan zou zijn voorkeur uitgaan naar ‘een ongemarkeerd stuk wildernis – de zee misschien’.

Het spreekt bijna vanzelf dat er behalve Sylvia en Assia veel meer liefdes in zijn leven zijn geweest en ook hun moet hij veel hebben geschreven. Het pleit voor de samensteller – Christopher Reid, bij leven zijn eindredacteur – dat hij zich heeft beperkt tot Sylvia Plath en Assia Wevill. Hun sterfjaren, 1963 en 1969, waren voor TH mijlpalen die heel zijn verdere leven en dichterschap zouden markeren. In 1970 trouwde hij met de veel jongere Carol Orchard, dochter van een naburige boer die zijn moeder verpleegd had. Zij moet weet hebben gehad van Teds avonturen, maar zal zich daarbij hebben gerealiseerd dat er altijd vrouwen om hem heen zouden zijn die met hem in contact wilden komen. 28 jaar lang zijn ze getrouwd geweest en het is jammer dat de uitgever haar op de foto van hen beiden op het omslag van Ik wil nooit vergeven worden heeft weggeknipt: je ziet hem liefdevol glimlachen naar iemand die er niet is.

In 1998 komt TH met de diep ontroerende Birthday Letters waarin hij zijn leven met Sylvia Plath beschrijft. Al weer aanvechtbaar en ook aangevochten maar in dit geval verontschuldigt hij zich niet.

Aan Nicholas, zijn zoon die zich als bioloog in Alaska specialiseerde in de zalmtrek, beschrijft hij kort voor zijn toch nog onverwachte overlijden in een buitengewoon lange brief in welke mate de jaren 1963 en 1969 zijn verdere leven en dichterschap hebben beïnvloed. Hoe ‘het verwerken van wat je moeder en mij was overkomen (…) een grote, onhandelbare gebeurtenis in mijn leven [was] waarvoor ik innerlijk toch een plaats moest vinden’. Even lijkt dat te lukken totdat in 1969 ook Assia Wevill na een ruzie per telefoon – een van de vele ruzies – een eind aan haar leven en dat van haar dochtertje Shura maakt. Het is het jaar waarin ook zijn toch wel dominante moeder sterft.

Hughes is terug bij af en vindt het moeilijk weer bij zichzelf te komen. Al zijn geploeter – hij noemt het zelf ‘abc-kinderkamerschrijfoefeningen’ – en daarnaast het beheer van de loodzware nalatenschap van Sylvia Plath hebben zijns inziens geleid tot een verstopping waarvan hij zich pas kan bevrijden als hij, inmiddels ziek, het aandurft met zijn Birthday Letters te komen. ‘Dus dat heb ik gedaan, en nu krijg ik de verrassing van mijn leven. Wat ik mijn leven lang verborgen heb gehouden, voor mezelf en ieder ander, is helemaal niet verschrikkelijk.’ Deze ‘gigantische aardverschuiving’ in zijn hoofd brengt hem in verwarring. ‘Het is of ik nu heel nieuwe, andere hersenen heb. Ik kan nu dingen denken die ik nooit kon denken. Ik heb een vrijheid in mijn verbeeldingskracht die ik sinds 1962 niet meer heb gehad.’ En dan: ‘Nou ja, laten we hopen dat het niet een beetje te laat was.’ Dat was het dus wel.

Bij Hughes’ begrafenis, vlak bij zijn huis in Devon, las beste vriend en collega Seamus Heaney op verzoek van Carol het gedicht Do not go gentle into that good night van Dylan Thomas voor. En op 6 december 2011 werd in de Poets Corner in Westminster Abbey door Heaney een groen leistenen gedenkplaat onthuld met in een cirkel rondom de naam Ted Hughes een citaat uit zijn River-gedichten: ‘So we found the end of our journey/ So we stood alive in the River of light/ Among the creatures of light, creatures of light.’

Heaney leed toen al aan de ziekte die ook hem de goede nacht zou doen ingaan. Creature of light: ook hij.


Mischa de Vreede (1936) debuteerde in 1959 met de dichtbundel Met huid en hand. Haar veelzijdige oeuvre omvat romans, verhalenbundels, poëzie en non-fictiewerk. In 2007 verscheen het autobiografische Heilige dagen

Ted Hughes, Ik wil nooit vergeven worden, € 45,-