Glinsterend goud

In de Oude Kerk is niet alleen het licht schemerig, maar ook het geluid. Die schemerigheid biedt ruimte aan de nevelig gouden glans van het werk van Sarah van Sonsbeeck.

Medium 002b.oude kerk sarah van sonsbeeck 2017  ph.gj.vanrooij
Sarah van Sonsbeeck in de Oude Kerk, Amsterdam, 2017 © Gert Jan van Rooij 

Eerst word je overweldigd, bij binnenkomst van de Oude Kerk in Amsterdam, door de gewichtige ruimte van het interieur. In mijn herinnering schemert het er ook altijd. Het is een niet erg hoge maar vooral brede hallenkerk – niet zo hoog en slank bijvoorbeeld als een gotische kathedraal in Frankrijk waarin het licht door hoge ramen strak naar beneden zakt en de ruimte helder maakt. In de Oude Kerk lijkt het licht in de breedte zijn weg te zoeken. Zo is het nu. Vroeger kwam je de kerk binnen door de hoofdingang onder de toren aan de westkant. Dan ging de ruimte breed open tot aan waar het koor die weer afsloot. Dat is de as waarlangs de architectuur tot stand kwam. Na de Alteratie in 1578 is het interieur vervolgens verbouwd voor de protestantse eredienst die niet gericht was op het hoogaltaar in het koor maar rond de prediking vanaf de kansel was geordend. In feite werd midden in de gotiek van steen een hervormde kerk van hout gebouwd, bestaande uit banken rondom de kansel. De oorspronkelijke stevigheid van de ruimte is er daardoor anders gaan uitzien. Ik denk dat door die interne verbouwing het interieur ook schemeriger is geworden. Het licht kan niet overal meer bij.

Nu, om de tentoonstelling van Sarah van Sonsbeeck te bekijken, kwam ik binnen via een donkere, kleine vestibule aan de zuidkant – ten opzichte van de hoofdrichting van de ruimte dus van de zijkant zodat je dwars en plompverloren in de layout van het werk van Sarah terechtkomt. Dat is een rechthoekig en regelmatig patroon van 333 thermodekens van een dun, soepel en goudkleurig materiaal dat mylar heet. Je kunt ze omslaan en ze bieden beschutting. Elke deken is een langwerpige rechthoek. Ze zijn in de lengte (en ook in de lengte van de architectuur van west naar oost) neergelegd op de donkergrijs arduinen vloer van de kerk – op heel die vloer, behalve daar waar de protestantse inbouwsels van hout de vloed van de ruimte onderbreken. Met overal gelijke ruimtes tussen de dekens werkt het patroon nadrukkelijk regelmatig (als een basso continuo) en het is ook zwijgzaam.

Het leek of de straling van de glans gewichtloos zomaar net boven het oppervlak zweefde

Intussen had ik het over het karakter van de architectonische ruimte van deze kerk, en mijn binnenkomst van opzij, omdat ik me probeer te herinneren wat ik toen het eerst zag. Dat was eerst de ruimte van boven naar beneden, denk ik, en de schemer erin. De gewelven in de Oude Kerk zijn getimmerd van hout. Die absorberen geluid zodat er een vreemd gedempte stilte hangt die ook weer schemerig is. Dat ervoer ik net iets voordat ik die rijen rechthoeken van goud op de vloer zag liggen. Toen ook wist ik bijna zeker dat dit werk zo ook met een fata morgana van nevelig gouden glans begonnen moet zijn – en niet met een idee over migranten die over zee komen. Maar met die gouden dekens verspreid over ook nog platte grafstenen in de kerk is dat de deerniswekkende variant. De visuele intensiteit van dit werk is echter van een andere orde. De goudkleurige rechthoeken zijn strak qua vorm maar hun oppervlakte rimpelt. De dunne dekens waren in de lengte gevouwen en verpakt. Maar nu uitgepakt liggen de vellen helemaal niet vlak. We zien ritmische bewegingen van vouwen en plooien (listig onderbroken regelmaat). In het gedempte licht van de kerk gaat dat onnavolgbaar glinsteren. Toen ik ernaar keek leek het of de straling van die glans gewichtloos zomaar net boven het oppervlak zweefde. Dat kwam doordat ik laag over de rechthoeken van gerimpeld goud keek, als het ware tegen de fragiele oneffenheid van gekreukelde vouwen aan. De mise-en-scène van de tentoonstelling heeft de ruimte die ook uitnodigt zo te kijken. Dat zag ik, en ik zag hoe de schemer en de stilte van de ruime kerk zich over die ijle nevel van goud heen welfden.

Kunstenaars komen tot dingen omdat ze willen uitvinden hoe wat ze zich voorstellen er in werkelijkheid uit zou zien. Sarah van Sonsbeeck werkte al vaker met goudkleurige folie maar dan meestal aan de wand. Dat was sierlijk werk. In de Oude Kerk kon ze zich de gouden vellen in de breedte op de vloer voorstellen, in die statige ruimte. Daar kijken we anders tegenaan. Toen kwam ook dat wonderbaarlijke schemerlicht er nog bij waardoor de glans van geplooid (namaak)goud van kleur veranderde en in gedempt licht meer en meer op zwart begon te lijken. Dat was wel verwarrend. Wat je zag krijg je niet meer uit je hoofd.


PS De tentoonstelling van Sarah van Sonsbeeck in de Oude Kerk in Amsterdam is daar nog tot 17 september te zien. De kunstenaar wordt vertegenwoordigd door de Amsterdamse Annet Gelink Gallery