Ger Groot

Globes

Lodewijk XIV was al 66 toen hij in zijn buitenverblijf Marly voor het eerst de beide globes van Vincenzo Coronelli ontdekte. Aan hun formaat kon het niet gelegen hebben. Drie meter en 82 centimeter maten ze in doorsnee, beide ongeveer twee ton zwaar. Eén ervan gaf het hemelgewelf weer, de andere de aarde.

Twee jaar had de Italiaanse franciscaan en cartograaf er in Parijs aan gewerkt, nadat kardinaal d’Estrées, Frans gezant in Rome, daar in 1679 iets dergelijks had gezien. Hij moet onmiddellijk aan zijn vorst hebben gedacht. De symbolen van hemel en aarde, in één blik te overzien, zouden de voltooiing moeten worden van diens prachtresidentie te Versailles, op haar beurt één gigantisch symbool van de koninklijke luister. Hij zag ze – meer dan twee keer zo groot als het Italiaanse voorbeeld – al voor zich in de oogverblindende Spiegelzaal: het wonder van aarde en firmament, gezet in het wereldwonder dat deze tot paleis uitvergrote bijou wilde zijn.

In Versailles zijn de globes nooit beland. Bijna twintig jaar moeten ze ergens in Parijs opgeslagen hebben gelegen. Pas in 1703 werden ze overgebracht naar Marly, stroomafwaarts van de stad. Daar werden ze geïnstalleerd in een speciaal aangepast paviljoen, waaruit ze in het voorjaar van 1715 weer werden verwijderd. In september van datzelfde jaar overleed Lodewijk XIV.

Daarna begonnen de globes een zwervend bestaan, via het Louvre naar de Bibliothèque Nationale, waar ze in 1914 plaats moesten maken voor de verruimde leeszaal. In tweeën gezaagd kwamen ze ten slotte toch nog in Versailles terecht: niet in de Spiegelzaal maar in de opslagruimten van de orangerie, ten prooi aan stof, vocht en vergetelheid. Gered werden ze 76 jaar later door de grote tentoonstelling Cartes et figures de la Terre in het Centre Pompidou. Nog weer 25 jaar later kregen ze definitief hun plaats terug in de Bibliothèque Nationale, nu in haar nieuwe behuizing bij de Seine, stroomopwaarts.

Waarom ontdekte Lodewijk zijn globes pas toen ze al maanden, zo niet een jaar in zijn buitenverblijf waren geïnstalleerd? Was het ter gelegenheid van het bezoek van de Engelse koningin, die in de zomer van 1704 een dagje op Marly langskwam? De archieven zwijgen erover en daarom vroeg de Bibliothèque Nationale de schrijver Olivier Rolin het historische gat met verbeelding aan te vullen. Zijn verhaal verscheen, met al even fantasievolle tekeningen van Érik Desmazières, in een charmant boekje onder de titel Une invitation au voyage.

Beiden troffen elkaar niet voor het eerst in een boek. De Nederlandse vertaling van Rolins roman De uitvinding van de wereld had als omslag een illustratie van Desmazières, oorspronkelijk gemaakt voor Borges’ verhaal De bibliotheek van Babel. In een Peronesi-achtige boekerij wordt het voorplan gedomineerd door een gigantische globe, nog eens tweemaal zo groot als die van Coronelli. Het boek van Rolin bevat de gebeurtenissen die op één dag over de hele wereld plaatsvonden, verzameld uit de gemengde berichten van honderden kranten van overal her.

Zo wordt een boek een wereld, terwijl in Une invitation au voyage de wereld een boek wordt. Rolin laat de vorst aanvankelijk wat verstrooide blikken werpen op de twee globes die in zijn buiten zijn opgesteld. Pas tien jaar later krijgt hij belangstelling voor ze. Hij is gebroken en moe – kinderen en kleinkinderen zijn de één na de ander gestorven en de staatszaken willen niet meer. Engeland eist gebieden op waarvan hij niet wist dat hij ze bezat: Terre-Neuve, Acadie, Saint-Christophe. Hij laat ze aanwijzen op Coronelli’s bollen en voorlezen van de cartouches die daarop zijn aangebracht: informatie over verre streken volgens de laatste stand van onderzoek en ontdekkingsreis.

Maar die informatie bevredigt hem niet. De markiezin van Maintenon, die hij dertig jaar eerder in het geheim getrouwd heeft, vult de lacunes aan – zo niet met kennis dan wel met fantasie. Een getekende walvis ontlokt aan haar het verhaal van een manke kapitein, die het dier over alle zeeën achtervolgt. Voor de kust van Cuba laat ze een oude visser dagenlang vechten met een zwaardvis. Bij de halfnaakte vrouwen van Afrika vertelt zij over de blanke avonturier die in de binnenlanden van Congo koning werd.

Totdat de terrible jésuite Le Tellier de koning in die toestand aantreft, de neus bijna op de globe gedrukt, vanaf de zetel waarmee hij zich – dankzij een hydraulisch apparaat, overgebleven van de opera’s van Lully – naar believen langs het oppervlak kan laten voeren. Dan is het snel uit. De globes verdwijnen uit Marly, de koning verzinkt opnieuw in melancholie. De kronieken zwijgen erover, schrijft Rolin, uit piëteit.