Vincent van Gogh, Caféterras bij nacht (Place du Forum), 1888. Olieverf op doek, 80,7 x 65,3 cm © Kröller-Müller Museum

Het was een middag in 1981 toen het schilderij Goldklumpen van Sigmar Polke in het Van Abbemuseum werd afgeleverd. De geheimzinnige kleuren ervan had de schilder bedacht en gevonden, werd gezegd, op een reis in Australië waar hij kleuren ging zoeken. Het was die middag voor mij voor het eerst dus dat ik het zag. Vaak blijft een eerste indruk bepalend hoe je ook later een schilderij blijft zien. Het was een ruim schilderij van 260 x 200 centimeter. De kleuren waren wonderlijk gelaagd. Omdat het hoger was dan een menselijke gestalte gemiddeld groot is, keek ik van beneden naar boven. Ik zag het vaal grijs beginnen: onbeschilderd linnen maar met een zweem van groen. Dat eigenaardig dunne groen dat toen volgde. Verder dan eindigde de opeenvolging, bovenin hoekig, met een onbeschrijflijk diep donker. De kleuren waren hoogst wonderlijk. Hun verloop was enigszins landschappelijk. Groen in het midden, bovenin het donker van een nachtelijke hemel. Ik bedoel: je zoekt allerlei houvast als je naar iets kijkt.

Ik kijk nu al anders naar Goldklumpen dan toen ik het laatst beschreef. Dat komt doordat ik me het schemerlicht herinner (of denk te herinneren) in de museumzaal waar we het schilderij die middag uitpakten en op ooghoogte ophingen. Op sommige namiddagen had het licht soms een wonderschone, zachte schemering. Wij deden dan nog niet het elektrisch kunstlicht aan. Dat stoort het gevoelige oppervlak van schilderijen. Het is vlak en strak en verstrakt handgeschilderde kleuren. Als je daarentegen schemering laat duren, zijn er kleuren die gaan gloeien als het heel langzaam wat donkerder wordt. Precies dat gebeurde met de donkergele homp die midden in het schilderij hangt en daar in de beeldruimte verscheen. De vorm van die homp is onnavolgbaar vreemd. De toverkleur ervan was, in het schemerlicht, goudgeel. Het matglanzende geel van goud. Die kleur zagen we daar onweerstaanbaar opdoemen als een hemellichaam dat daar raadselachtig zweefde in de beeldruimte. Het leunde op het groen en werd vastgehouden door het donker van de nacht. Zo is het schilderij Goldklumpen gaan heten. De achtergrond voorbij de goudgele klodder, in het midden, wordt gevormd door intens hoekig zwart. De kantlijnen zijn scherp. Het geel hangt hecht in dat donker. Ondanks de kantigheid rondom is dat goudgeel een eigenaardig zacht volume – zo zacht gevormd als een zwam.

Schuin daartegenover, maar verder weg, zag hij de hoek van de straat

Het vormgebeuren in Goldklumpen was geheel en al verbeelding. Het was ontstaan als een onwaarschijnlijk groeisel van kleurvormen – iets heel anders dan het lumineuze Caféterras bij nacht dat Van Gogh in september 1888 schilderde. Beide schilderijen, met bijna honderd jaar tussen hen in, zijn verwant. Ze gaan over betovering van kleur in het onberekenbare duister van de nacht. Bij Polke groeiden de kleuren tot vorm terwijl ze zich, eerst vloeibaar, vermengden. Hij zag ze pas, plekken van kleur in een schilderij, toen die er waren. Bij Van Gogh was de plek er al: een plein en hoek van straten, huizen, het terras. Het schilderij van Van Gogh begon als compacte waarneming. Het was klein van formaat zoals Hollandse schilderijen vaak zijn. In Goldklumpen hadden de kleuren zich een weg gezocht in de lichte ruimte van een groot doek.

Van Gogh zag zijn plek, straat en plein, op ware grootte. Hij keek het kleiner. Hij liep rond en koos toen een gezichtspunt. Hij posteerde zich rechts op straat. Links was er de blauwstenen deurpost. Verlicht was een deel van de deur. Schuin daartegenover, maar verder weg, zag hij de hoek van de straat met daar een winkel. Er was geel licht in deur en etalages. We zien daar ook een groen stuk boom. Er was kennelijk een pleintje. Voorbij de blauwe deur begon links, langs de gevel, het caféterras. Boven het terras hing een gele luifel, met in het midden een grote lamp. Zo werd die plek een explosie van geel licht dat daar bijna dreunde. Daartegenover stond nog die donkergroene boom.

Zulke punten tegenover elkaar (links de stevige deur tegenover de straathoek aan de overkant) markeerden de breedte van Van Goghs beeldruimte. Zo werd het schilderij een enorm kleurrijke kijkdoos. Letterlijk de plek waar van alles te zien kon zijn. Veel was gecomprimeerd – maar voor alles was ruimte. Voorbij de luifel zien we in schemerblauw nog stukken van andere huizen. Daartegenover werd het donkerder in de straat. Tegelijk zijn er overal momenten van licht. Tussen donker gekartelde gevels is, wonderlijk helder, de blauwe nachthemel te zien die volhangt met twinkelende sterren. Ik zie dan het geel van terrasluifel. Ik zie de rand en de gele hoek van de luifel. Daar raakt het geel het blauw van de nacht. Vooral ook de schitterende sterren maken dat het licht van het nachtblauw vrijwel zo helder is als de gele luifel. De licht glanzende terrastafeltjes weerkaatsen de sterren in de lucht. Zo intens ontplooiden zich licht en kleur in deze kijkdoos, overdadig bont ook zoals Vincent het wilde. Maar net zo verrassend, maar gedempter, bewoog zich kleur in Polke’s schilderij.