De Groene Amsterdammer dvd-selectie

Gloria In Excelsis Dvd

Aan het einde van de vorige eeuw vatte socioloog Robert D. Putnam bowlen op als perfecte metafoor voor de mate van onthechting en individualisering in de westerse maatschappij. In de jaren negentig bowlden er in de Verenigde Staten meer mensen dan ooit, maar nog nooit gebeurde dit zo weinig in teamverband. Waar bowlen ooit een sport was voor families en vrienden, voor bedrijfsuitjes en verjaarspartijtjes, gingen steeds meer Amerikanen in hun eentje bowlen. Bowling alone.
Bowlen stond daarmee in een lange traditie. In de jaren tachtig was de walkman het symbool voor individualisering geweest, in de jaren zestig was het de tv en in de jaren twintig verscheen het sociologische standaardwerk The Middletown Studies, dat stelde dat door de radio gezinnen steeds minder hun huis uit zouden komen voor vermaak, wat sociale onthechting tot gevolg zou hebben.
We zijn nu in de 21ste eeuw. Volgens Motivaction-onderzoek kijken jongeren steeds minder televisie en luisteren ze zelden nog naar de radio. De moderne mens bepaalt zelf wat hij ziet en wanneer. Dit is het tijdperk van de dvd als de schepper van binnenhuiselijk welbehagen. Televisies hebben een grotere omvang en een hogere resolutie dan ooit; elke film voor elke gemoedstoestand is verkrijgbaar voor een schamel bedrag. U hoeft helemaal nooit uw huis meer uit.
Om u te begeleiden in het enorme aanbod heeft De Groene Amsterdammer, onafhankelijk weekblad sedert 1877, een selectie gemaakt van dvd’s die u in een handomdraai het welbehagen geven waar u zo naar snakt. Schaamteloos lachen, bevrijdend huilen, louterend geweld: alles komt voorbij. Ga achterover zitten en geniet.

Medium webdvdkerstnummer

Het bevrijdende huilen

Brokeback Mountain
(Ang Lee, 2005)

Het heeft iets verwonderlijks dat juist een film over twee ruige cowboys zo ontroert. Er is in de eerste plaats het tijdloze landschap, van mens en God verlaten bergen waar de cowboys over schapen moeten waken. Weidse vergezichten die afwisselend beeldschoon en dreigend zijn, als het noodweer opsteekt. Daarin twee mannen die stug voor zich uit staren, zwijgen, om elkaar heen draaien, zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelen. Hun geschiedenis speelt in de jaren zestig en zeventig, als de seksuele revolutie al is uitgebroken, maar in de tijdloze wereld van de film hadden het evengoed de jaren vijftig kunnen zijn, of de jaren twintig of dertig. Bij nader inzien is het juist hun stugheid, hun onvermogen om hun gevoelens te uiten, die de onmogelijke liefde van de twee mannen zo hartverscheurend maakt. Films over onmogelijke liefdes zijn er volop, maar weinig werken zo op het gemoed als Brokeback Mountain. Al gaat het om een liefde tussen twee mannen, het verhaal is universeel. Voor cowboy Ennis, die zich niet kan losmaken van zijn conservatieve milieu, heeft zijn verliefdheid per definitie iets zondigs. Hij laat zich gaan, kan zich niet onttrekken aan de aantrekkingskracht die Jack op hem uitoefent, maar hij schopt zichzelf telkens weer zijn aangepaste bestaan in. Hun liefde is er daardoor een van gestolen uren en dagen, waar de doem zwaarder en zwaarder overheen hangt. Het einde van de film kun je niet zonder tranen aanzien. Jack is dood en Ennis bezoekt diens ouderlijk huis. Hij mag Jacks jongenskamer bekijken, streelt zijn kleren, het overhemd dat hij Jack heeft zien dragen – de tranen blijven vloeien. (Xandra Schutte)

Good Will Hunting
(Gus van Zant, 1997)

It’s not your fault. De hele film zit je erop te wachten. Je weet dat het gaat komen, dat je uiteindelijk beloond wordt, dat de emotionele atoombom ontmanteld word. Een jonge jongen (Matt Damon) uit de slechte wijken van Boston blijkt een wonderkind op elk academisch gebied. Een Harvard-hoogleraar wil hem helpen zijn potentieel te ontwikkelen, maar daarvoor moet de jongen eerst zijn agressie, bindingsangst en al zijn trauma’s kwijt. Na een reeks onsuccesvolle psychiaters (want de jongen is zo slim, hij doorziet ze allemaal) komt hij in de praktijk bij een uitgebluste weduwnaar (Robin Williams). Beetje bij beetje komen de twee mannen tot elkaar, delen ze elkaars trauma’s. En dan uiteindelijk komt de verlossing o zo simpel, als de weduwnaar de wees toevertrouwt hoe het zit met alles, al het gekloot, alle problemen: ‘It’s not your fault’, en dat ene zinnetje net zo vaak herhaalt totdat de jongen breekt – en jij, de kijker, met hem. Het komt allemaal goed.
(Joost de Vries)

Grey’s Anatomy
(Shonda Rimes, 2005 – heden)

Eigenlijk hou ik helemáál niet van ziekenhuisseries. Zelfs van nepbloed en plastic ingewanden word ik stiekem een beetje misselijk. Gelukkig zijn operaties in het tv-drama Grey’s Anatomy bijzaak. De sores van de patiënten en – vooral – het personeel zijn elke aflevering verbonden aan een groter thema dat uitvoerig door hoofdpersonage Meredith Grey becommentarieerd wordt. Allemaal vreselijk Amerikaans en moralistisch natuurlijk, maar in een wereld waarin je de hele dag wordt herinnerd aan je eigen verantwoordelijkheden is het heerlijk om met een kop thee en een reep pure chocolade naar mooie, sympathieke, intelligente mensen te kijken en je te laten overspoelen met kwesties waarover je eens niet per se een mening hoeft te hebben. Je zou de serie overigens ook met andere ogen kunnen bekijken. Als een inkijkje in de wereld die het ziekenhuis is (en voor sommige mensen de hele wereld behelst). Een bizarre wereld van artsen in opleiding die extreem ambitieus zijn en vrolijk worden van botbreuken, open wonden en enge ziektes. Maar laat ik eerlijk zijn, daar heb ik ’s avonds op de bank of in bed niet zoveel zin in. (Marijke de Vries)
De surrogaatfamilie

Hearts and Bones
(Roger Goldby, 2000)

De moeder der BBC-series in de categorie Cold Feet, Mistresses en Maggie’s New Life, ook allemaal niet te missen. Liefdes en levens van een Londense vriendengroep. Geweldige acteurs, onder anderen de immer droefgeestige Damien Lewis (centrale held in Band of Brothers) en die enge Dervla Kirwan (er zijn mannen die haar onweerstaanbaar vinden), en passende tekst. Zó grappig, en zó pijnlijk. Vooral toch dat laatste. Favoriete oneliner, uit de mond van roodharige Sinead: ‘I was the one with the lute.’ Maar om die helemaal op waarde te kunnen schatten, moeten toch echt al die afleveringen worden bekeken. (Marja Pruis)

The Squid and the Whale
(Noah Baumbach, 2005)

Zag ik voor het eerst toevallig op de Ierse televisie, en dus met hindernissen. Te laat ingevallen, slecht beeld, geen ondertiteling. Toch indringend genoeg om dagen rond te blijven spoken in mijn hoofd. Inmiddels alweer een paar keer opnieuw bekeken. Grappig genoeg ligt dat idee van ‘te laat ingevallen’ helemaal ten grondslag aan deze film. Het is een soort snapshot uit New Yorks familieleven, met twee ambitieuze schrijvende ouders van wie de moeder succesvoller dreigt te worden, en twee zonen, de ene bijna de puberteit voorbij en de andere net ervoor. Prachtig onnadrukkelijk drama over jaloezie en schuldgevoel, op ieder vlak. (Marja Pruis)

Six Feet Under
(Alan Ball, 2001 – 2005)

Het voordeel van series in een dvd-box is dat je kunt kijken wanneer je wil, het nadeel is dat je kunt kijken zo veel als je maar wil. Vooral bij Six Feet Under en The Sopranos, maar nu ik erover nadenk ook bij The Wire en West Wing gebeurde het me geregeld dat ik bij de aftiteling dacht: ah, vooruit, nog één, en dat dan een keer of vijf achter elkaar. Vooral Six Feet Under kroop onder mijn huid. Het gevoel van ‘extended family’ dat soapfans na enige tijd schijnen te krijgen, dat had ik bij de hoofdpersonen van Six Feet Under. Maar hoe grimmiger de serie werd, des te meer onbehagen er mijn dromen in sloop. Na de zoveelste door Six Feet Under aangestuurde nachtmerrie besloot ik iedere dvd-avond te eindigen met gelach. Toen werd Curb Your Enthousiasm, over de dagelijkse aaneenrijging van zelf veroorzaakte misverstanden die het leven van Larry David is, mijn vaste afsluiting van de dag. Larry – steekwoorden: Seinfeld, jood, New York – groeide uit tot mijn favoriete klootzak. En zijn geklaag tot mijn slaaplied. (Leon Verdonschot)

Het louterende geweld
300
(Zack Snyder, 2007)

Sommige films hoef je niet eens bewust te zien. Je zet ze gewoon aan op de achtergrond, tijdens het koken, afwassen, en vanzelf zwaai je met broodmessen en pollepels door de lucht, en schreeuw je jezelf de film in. In andere tijden was 300, van regisseur Zack Snyder naar het cultstripboek van Frank Miller, opgevat als een futuristisch manifest; in close-up en superslowmotion trekken de driehonderd Spartanen ten strijde tegen een Perzische overmacht, de zo verheerlijkte heldendood tegemoet. De hele film spoort Leonidas (de overacterende Gerard Butler) zijn troepen aan, terwijl de koppen bij bosjes door de lucht vliegen. Alsof je zelf op het slagveld staat ga je vanzelf met hem mee schreeuwen: ‘This is Sparta!’ en: ‘Tonight we dine in hell!’. (Joost de Vries)

The Wild Bunch
(Sam Peckinpah, 1969)

Wat wij geleerd hebben uit decennia films over bankrovers: er bestaat niet zoiets als de ‘final score’, de laatste buit waarna de overvaller met pensioen kan gaan. Er is altijd nog een grotere buit, een spectaculairder slotstuk. De woeste bende van Pike Bishop (William Holden) doet in de bloederige wildwestfilm van Sam Peckinpah nog een laatste klus, voor een corrupte Mexicaanse krijgsheer. Natuurlijk gaat het niet zoals gepland en uiteindelijk confronteert de bende outlaws de warlord, omringd door zijn regiment soldaten. En dan, aan het einde van hun rit, kijken de pensioengerechtigde Pike en zijn rechterhand Dutch (Ernest Borgnine) elkaar aan, halen hun schouders op, en trekken hun revolvers. Soit. Zo moest het zijn. In de langste, bloederigste, onverschilligste schietpartij uit de geschiedenis van wildwestfilms sleuren Pike en zijn mannen het halve Mexicaanse leger mee de hel in. (Joost de Vries)

Homicide: Life on the Street,
The Complete Series
(Paul Attanasio, 1993 – 1999)

Vóór The Wire had je Homicide: Life on the Street. Uitgezonden door familiezender NBC tussen 1993 en 1999, maar dergelijke data zijn niet meer belangrijk. De dvd, net als zijn voorganger de video, heeft boeken van films gemaakt, werken die in stukken en op elk moment genoten kunnen worden. De televisie als e-reader. Maar Homicide dus, niemand mag fuck zeggen, maar verder is het een volkomen volwassen en grimmige en aangrijpende serie. Een afdeling moordzaken in de middelgrote stad Baltimore. Mannen en vrouwen in goedkope kleren aan volle bureaus. Liegende getuigen, ruzies met collega’s, heibel thuis, racisme, depressie. Niet het soort serie waar aan het eind van elke aflevering de moordenaar zich keurig met uitleg meldt. De namen: Bayliss, Bolander, Kay, Beau, Munch, Meldrick, Crosetti, Lt. Giardello en natuurlijk de onnavolgbare Pembleton. Ik leen de dvd’s van een vriend, maar eigenlijk wil ik alles zelf in mijn kast, naast de box van The Gilmore Girls. (Gustaaf Peek)

Planet Terror
(Robert Rodriguez, 2007)

In de jaren negentig spoelde een golf gewelddadige films de bioscopen binnen onder het label nouvelle violence, dat stond voor coolheid, maatschappijkritiek, vernieuwend geweld en een ongedwongen hipheid. Sommige waren werkelijk vernieuwend, zoals Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs, andere werkelijk kritisch, zoals Oliver Stone’s Natural Born Killers, van weer andere spatte het plezier werkelijk af, zoals van Tarantino’s Pulp Fiction. Maar een probleem met nouvelle violence, zeker bij de slechtere imitaties, was dat het als vernieuwend en hip bedoelde geweld verdacht vaak rook naar effectbejag en al snel een maniertje werd. Extreem geweld is buitengewoon vervelend om naar te kijken als het een soort geweldsexhibitionisme wordt waar je heel hippe dingen van moet vinden, zoals Killing Zoe. Veel behaaglijker zijn films die zichzelf, het geweld, hun genre écht op de hak kunnen nemen, zoals Planet Terror van Tarantino’s maatje Robert Rodriguez, een melige B-film/zombiehommage die totaal uit de bocht vliegt op een manier waar je wél om kunt lachen. Pas op! Splat! (Rutger van der Hoeven)

A Brave New World

Blade Runner, The Final Cut
(Ridley Scott, 1982)

Op 36 minuten van mijn blurayschijf van Blade Runner staat Rick Deckard op duizelingwekkende hoogte op het balkon van zijn appartement te kijken naar de hellestad, een nachtmerrie van neon en glitter en nat asfalt en de saxofoon huilt zoet en op precies dit moment, vermoed ik, begint hij echt te twijfelen aan zijn eigen menselijkheid. In Blade Runner: The Final Cut van Ridley Scott is de suggestie dat Deckard ook een replicant is, zoals de robotwezens heten waar hij als agent op jaagt. Deckard wordt verliefd op de beeldschone Rachel, met haar zachte, golvende haar en grote, donkere ogen. Rachel is ook een replicant. Een skin job. Ze kussen elkaar en het is dé kus uit de historie van de cinematografie, door de pijnlijk mooie muziek en de gothic, retrofuturistische set – een reflectie van het New Romanticism van de jaren tachtig – maar vooral door het feit dat beiden nu op z’n minst denken dat ze niet-menselijk zijn en dus niet meer lang te leven hebben. 112 minuten. Deckard: ‘Say kiss me.’ Rachel: ‘Kiss me.’ (Gawie Keyser)

Lost
(J.J. Abrams, 2004 – heden)

Om de televisieserie Lost, nu in haar vijfde seizoen, te kunnen waarderen, dient de kijker gevoelig te zijn voor: een verloren eiland dat in tijd en ruimte kan worden verschoven; overlevenden van een vliegtuigramp die er gestrand zijn; een mysterieuze organisatie met de naam Dharma Initiative die zich op het eiland heeft gevestigd en die strijdt tegen vreemde inboorlingen; brandende pijlen afgeschoten door onzichtbare aanvallers in het donkere bos; een liefdesverhaal; religieuze symboliek vervlochten in allegorische verhaallijnen; en talloze referenties aan filosofen en wetenschappers en schrijvers die je zelf toevallig geweldig vindt, zoals Philip K. Dick (Valis) en Stephen King. De ironie is dat deze complexiteit juist de grote aantrekkingskracht van Lost is: wat is er met dit eiland, met deze mensen? Wat precies? Voorproefje: op schijf 3 van de blurayset van seizoen 5 wordt Sawyer een huismus in dienst van Dharma en beleeft John Locke een wederopstanding op de derde dag. Hemels.
(Gawie Keyser)

Fanny och Alexander
(Ingmar Bergman, 1982)

De legendarische Ingmar Bergman is niet bepaald een behaaglijke regisseur – niet zelden laat hij zijn publiek verkild en vertwijfeld achter na de aftiteling. Niets is echter minder waar bij Fanny och Alexander, een sprankelende ontdekkingsreis door de speeltuin van de kinderlijke fantasie. We starten bij de hartverwarmende kerstviering bij de luidruchtige familie Ekdahl en worden vervolgens door de jonge Alexander mee op sleeptouw genomen voor een fascinerende trip door droom én nachtmerrie. Niets krijgt hem er onder: niet de dood van zijn vader, niet de harde lutheriaanse hand waarmee zijn stiefvader regeert en niet de geesten die overal opduiken om hem bang te maken. Deze epische ode aan de alles overwinnende kracht van de verbeelding duurt maar liefst vijf uur, maar is het meer dan waard. Kruip weg in het behaaglijkste hoekje van je ziel, terwijl buiten de kille buitenwereld voortjakkert. (Andy Leenen)

Les Valseuses
(Bertrand Blier,1974)

Al vanaf de openingsscène, waarin Jean-Claude (Gérard Depardieu) en Pierrot (Patrick Dewaere) een vrouw van middelbare leeftijd in een winkelkarretje achtervolgen en aanranden, weet je als kijker niet wat je met de twee knapen aanmoet. Verdienen ze nou een strenge schop onder hun kont, of een aai over de bol voor hun aandoenlijke ondeugendheid? De uit de kluiten gewassen boezemvriendjes halen de ene streek na de andere uit. Geen auto is veilig voor ze, geen vrouw is heilig. Het maakt niet uit: ze komen overal mee weg en weten zelfs de sympathie van de kijker te behouden. Alles aan deze film ademt vrijheid. Er zijn geen regels, en er is geen doel. Heerlijk. Prachtig is ook de zin waarmee de film eindigt: ‘Wat zullen we doen?’ ‘We blijven rechtdoor rijden tot de benzine op is.’ (Andy Leenen)

The Third Man
(Carol Reed, 1949)

Filmische gelukzaligheid betekent voor mij de overgave aan een filmer die zijn medium volmaakt beheerst, een eigen universum schept en mij er schijnbaar toevallig intrekt. Kortom, ik krijg nooit genoeg van The Third Man, van de valse onschuld van Anton Karas’ citerdeuntje, het vette zwart-witidioom, het jolly hockeysticks-accent van de voice-over (regisseur Carol Reed zelf). Bij de eerste journaalbeelden van naoorlogs Wenen geef ik me al over. De wereld is krankzinnig en we weten het; we zouden elk personage in de film kunnen zijn: de slapjanus Martins, de verbeten Calloway, de hypercynische Harry Lime. Maar we staan ook boven de personages, we zien hoe ze door het lot (de hoge gebouwen, gefilmd in kikvorsperspectief) worden opgeslokt als stonden we op gelijke voet met de filmer. Reed heeft er maar een paar woorden voor nodig aan het begin: ‘Oh, I was going to tell you, wait, I was going to tell you about Holly Martins…’ (Aart Brouwer)

Le fabuleux destin
d’Amélie Poulain
(Jean-Pierre Jeunet, 2001)

De sprookjesachtige wereld van Amélie maakt mij altijd weer vrolijk. De vindingrijke – misschien naïeve – pogingen van Amélie om de mensen om zich heen gelukkig te maken zijn enerzijds oprecht en anderzijds een manier om voor zichzelf weg te lopen. Herkenbaar en een beetje treurig, maar mooi en hoopvol verpakt. Sommige van Jeunets grapjes en gekke details zie je pas bij een zesde keer – de wereldreis van de tuinkabouter, de man van glas en de zoektocht naar de geest van het fotohokje op Gare de l’Est. Bovendien blijft de prachtige muziek van Yann Tiersen nog dagenlang in je hoofd hangen. Je krijgt er spontaan zin van om zingend door de stad te fietsen.
(Marijke de Vries)

Filmweelde

Fanny och Alexander
(Ingmar Bergman, 1982)

Hoe voller het beeld, hoe meer een film bijdraagt aan mijn gevoel van welbehagen. Het zal te maken hebben met de lust van het kijken, de scopofilie, waar de filmliefde op rust. Dus zal het een kostuumfilm zijn, gesitueerd in decors vol gordijnen, meubelen, schilderijen en serviezen. Elke centimeter van het beeld moet me iets te vertellen hebben over de mensen die hier rondlopen van wie álles me interesseert, zowel een totaalbeeld als close-ups van hun ogen, monden, handen, die vaak zo veel meer vertellen dan de teksten die ze uitspreken. Maar de weldaad werkt alleen als daartegenover een strenge verhaallijn staat, waarbij elk detail ook nog een nieuwe betekenis kan krijgen, een geheime, alleen voor de oplettende kijker zichtbare, die je iets vertelt over het verloop van het verhaal, dat vanzelfsprekend zal eindigen in melancholie over het onvermijdelijke verlies van deze droomwereld. Hoe langer de film duurt, hoe beter. Daarom is mijn ideale kerst-dvd de vierdelige serie Fanny och Alexander van Ingmar Bergman. (Pauline Terreehorst)

The Royal Tenenbaums
(Wes Anderson, 2001)

Wie schrijft, is mijn ervaring, verdraagt niet heel veel om zich heen. Geen iTunes, geen schreeuwende kinderen. Schrijven gaat het beste als je je in een denkwereld dompelt die alleen de jouwe is. Geen beter metgezel daarvoor dan de films van Wes Anderson, die je op een weldadige manier zijn melancholische komedies (of komische drama’s) in trekt, die altijd bij je lijken te passen, welke geestesgesteldheid je ook hebt. Het is cinematografische overdaad; Anderson kleedt zijn films aan op de vierkante centimeter, geen enkel stukje decor is ongebruikt gelaten. Puur het beeld is een verhaal op zich. De mooiste scène in zijn familiedrama-komedie The Royal Tenenbaums is die waarin de vervreemde vader (Gene Hackman) die zijn familie probeert terug te winnen, in een kast wordt gedrukt door de zoon (Ben Stiller) die hem even goed de waarheid wil vertellen. Op elke plank liggen dozen bordspellen, Jingo, Triviant, Scrabble, noem maar op: ouderwetse familiegezelligheid – maar verder weg dan ooit.
(Joost de Vries)

Superman The Movie, 4 disc special edition
(Richard Donner, 1978)

Eerste scène: Lois Lane verwelkomt Superman op haar balkon. Tweede scène: Lois Lane vraagt aan Superman welke kleur ondergoed ze draagt. Derde scène: Lois Lane biedt Superman een drankje aan. I never drink when I fly. In elke screentest is Christopher Reeve de man van staal, maar Lois 1 is Anne Archer, Lois 2 is Stockard Channing en Lois 3 is Margot Kidder. Die laatste zou de rol uiteindelijk krijgen, maar een vriend en ik zitten op de bank en we kijken naar de breedbeeld en bedenken wie wij zouden hebben gekozen. De casting director noemt de hese Anne Archer ‘too glamourous’ (lees: te sexy) naast de kuise Superman. Waarom Channing is afgevallen snappen we direct: te stoer, te sterk. Kittige Kidder is net bazig genoeg voor Clark Kent en hulpeloos genoeg voor zijn alter ego. We zijn nog niet halverwege onze daglange dvd-marathon. We gaan voor Anne Archer. (Gustaaf Peek)

In the Mood for Love
(Wong Kar-Wai, 2000)

Er zijn niet veel films die ik meer dan een keer heb bekeken, maar In the Mood for Love is een van de gelukkige. Zelfs met je ogen dicht is deze film adembenemend mooi, -de stadse geluiden van Hong Kong en de prachtige muziek van onder andere Shigeru Umebayashi spreken tot verbeelding.

In the Mood for Love is de zevende film van regisseur Wong Kar-Wai. Nadat de hoofdpersonen meneer Chow en mevrouw Chan erachter komen dat hun echtgenoten met elkaar vreemdgaan, ontstaat er een magnetische, deterministische aantrekkingskracht tussen hen. Je wordt meegevoerd in een liefdesrelatie vol verlangen die bestaat uit een wals waarin voornamelijk om elkaar heen gedraaid wordt in de trappenhuizen van het appartementen gebouw waar ze beide wonen. Tot slot maakt het camerawerk van Christopher Doyle, met zijn vertraagde beelden, de film ongeëvenaard mysterieus en dromerig. (Katrien Otten)

Het schaamteloze lachen

The Big Lebowski
(Joel & Ethan Coen, 1998)

Het zijn de dialogen en de absurde situaties die The Big Lebowski tot een Coen Brothers-meesterwerk maken. In de hoofdrol The Dude (Jeff Bridges), en zijn geliefde Perzische tapijt ‘that really tied the room together’. De film gaat over de vriendschap tussen The Dude, Walter en Donny, die elkaar weinig te melden hebben, maar nu eenmaal een bowlingteam vormen, en bowlen is hun leven. Walter (John Goodman) is een Vietnam-veteraan die zich tot het jodendom heeft bekeerd. Donny (Steve Buscemi) is een naïeveling die bij alles wat hij probeert te zeggen een ‘shut the fuck up, Donny’ toebedeeld krijgt van Walter. Donny sterft halverwege de film. Het uitstrooien van zijn as door Walter is een moment van absurde tederheid dat zo hilarisch eindigt dat er nog maar één ding op zit: ‘Fuck it, Dude’, zegt Walter, terwijl hij The Dude onhandig omarmt: ‘Let’s go bowlin’.’ Dankzij de bittere humor werd The Big Lebowski mijn beste medicijn tegen chagrijn en depressie. Het lukt me niet de dvd te kijken zonder de hik te krijgen van het lachen. In de loop der jaren is de film uitgegroeid tot een culthit, met een grote schare fans en een religie: dudeism, gemodelleerd naar The Dude’s levensstijl van luiheid en coolness. (Joeri Boom)

Sideways
(Alexander Payne, 2004)

Een keer of acht gezien inmiddels. Een van de weinige films die ik zonder problemen nog wel een keer of acht kan zien. Bij de meeste films die ik meermalen zie, is er altijd wel een stukje waar ik heel erg tegen opzie. Bij Magnolia is dat het jongetje dat moet plassen, en eigenlijk ook wel die junk met die politieman, bij Love Actually is dat die zus met die autistische broer. Om Miles en Jack, de twee vrienden die op wijnproeftocht gaan door Californië, moet ik iedere keer lachen. De schuinsmarcherende huwelijkskandidaat die nog één keer ‘heel diep’ hoopt te gaan, de getormenteerde schrijver die angstig en pedant tegelijk is, ze zijn allebei geweldig. Ik kan geen wijn meer in mijn glas laten walsen zonder aan hen te denken.
(Marja Pruis)