‘glorie!’

KOSOVO - Over het bergweggetje dat naar het dorpje Lladovc leidt kruipt een lint van aftandse auto’s, trekkers en karren getrokken door paarden. Het doel is een begrafenis op een veldje net buiten het dorp. Daar verzamelen zich zo'n tweeduizend Albanezen om te zien hoe Envir Recizliu ter aarde wordt besteld. Servische kogels maakten een einde aan zijn leven.

Recizliu werd in een hinderlaag gelokt door de geheime dienst, schrijven Albanese kranten in Kosovo. En dat terwijl hij zich alleen maar bezighield met het organiseren van vredelievende demonstraties tegen de Servische onderdrukking. ‘Hij was een terrorist die een gewapende actie voorbereidde’, melden Servische bronnen. In Kosovo zijn informatie en propaganda al jarenlang synoniemen.
Hoewel iedereen een glimp van de plechtigheid wil opvangen, wordt er nauwelijks gedrongen. Mannen met rode linten om hun linkerarm zorgen ervoor dat iedereen buiten het grafterrein blijft. Kinderen en bejaarden worden naar voren gedirigeerd, langere Albanezen begeven zich zonder morren naar de achterste rijen.
Op twintig meter van het versgedolven graf is een podium opgericht. Een jongeman met kortgeschoren hoofd plaatst twee luidsprekers. Hij brabbelt wat in de microfoon, schudt zijn hoofd en verandert vervolgens de instelling van de geluidsinstallatie. Een ander bevestigt de Albanese vlag aan de zijkant van het podium. De tweekoppige adelaar op het rode vlak wil maar niet wapperen. Het is nagenoeg windstil.
Enkele ogenblikken later verschijnen de kistdragers, voorafgegaan door twee wenende meisjes met een grote krans. Familieleden sluiten de stoet. De kist is bedekt met de Albanese vlag, aan de grafkrans hangen de Albanese kleuren. Een van de ordebewakers steekt zijn rechterarm in de lucht, twee vingers maken het v-teken. Als één man volgt de menigte zijn voorbeeld. 'Lauda!’ klinkt het gelijktijdig uit duizenden kelen. Het betekent zoveel als 'eer’ of 'glorie’. Deze eenzame dode vertegenwoordigt een heel volk.
LLADOVC LIGT onder de rook van Servië. De strijders van UÇK, het 'Kosovo Bevrijdingsleger’ van de etnische Albanezen, wagen zich hier niet. De oorlog woedt zo'n zeventig kilometer naar het westen, in de richting van de Albanese grens. Maar ook in dit deel van Kosovo loopt de spanning op. Het etnische conflict tussen Serviërs en Albanezen verspreidt zich snel.
Al sinds 1980 gaan in Kosovo Serviërs en Albanezen openlijk met elkaar op de vuist. In dat jaar sterft Tito, de communistische leider van Joegoslavië. Een jaar later beginnen in Pristina de eerste Albanese massaprotesten. Van de 2,2 miljoen inwoners van Kosovo is negentig procent Albanees. En voor de tien procent aan Serviërs worden de demografische verhoudingen steeds ongunstiger, want de Kosovo-Albanezen hebben het hoogste geboortecijfer ter wereld. Overheidsfuncties, leger en politie staan echter onder Servische controle.
In 1989 maakt de Servische president Milosevic Kosovo tot inzet van zijn nationalistische, groot-Servische politiek. Hij maakt een einde aan de autonome status van de provincie en begint met een harde onderdrukking van de etnische Albanezen. Duizenden verliezen hun baan, honderden worden om niets gearresteerd. Sinds die tijd boycot de Albanese bevolking de Joegoslavische Federatie, die wordt gevormd door Servië en Montenegro.
In 1990 roept het parlement van Kosovo de illegale Republiek Kosova uit. Rugova, leider van de grootste Albanese partij de LDK (Democratische Bond voor Kosovo), wordt door de Kosovaren gekozen tot president. Twee jaar later spreken de Kosovo-Albanezen zich opnieuw uit voor zijn presidentschap.
De illegale Republiek heeft haar eigen instituties, parallel aan de officiële Joegoslavische staatsorganen. Een eigen onderwijsstelsel met nergens erkende diploma’s, een schaduwregering en een (beperkt) systeem voor gezondheidszorg. De Republiek heft haar eigen maandelijkse belasting: tien Duitse marken per gezin. De belastingophalers worden regelmatig door de Servische politie gearresteerd en in elkaar geslagen.
Terwijl Milosevic en Rugova met elkaar over Kosovo’s status spreken, escaleert de situatie in het land. De vreedzame strijd voor zelfbeschikking is ontaard in een guerrilla-oorlog, en de Servische ordetroepen zijn met steun van speciale legereenheden overgegaan tot etnische zuiveringen (zie De Groene Amsterdammer van 28 mei en 3 juni). Inmiddels heben de Albanezen zich uit de besprekingen teruggetrokken.
DE INTERNATIONALE gemeenschap hoeft zich niet te bekommeren over het voorkomen van een tweede Bosnië. Het ís er al. Sinds maart waren reeds veertigduizend Albanezen voor het Servische geweld op de vlucht geslagen. Daar hebben zich afgelopen week nog eens vijftigduizend mensen bij aangesloten, die na een barre tocht de Albanese grens overstaken. Het officiële dodental ligt inmiddels ver boven de driehonderd, maar niemand weet hoe het de mensen is vergaan die in de afgegrendelde gebieden in West-Kosovo zijn achtergebleven.
De Navo studeert al maanden op plannen. Minister van Defensie Joris Voorhoeve uit in zijn machteloosheid krachtige taal ('precisiebombardementen op militaire doelen in Servië’ - terwijl het moorden gebeurt in Kosovo door met name politie-eenheden) en intussen radicaliseert de bevolking en escaleert de strijd. Het is onmogelijk de guerrilla’s in het bergachtige gebied te verslaan.
OP HET VELDJE in Lladovc prijkt een oud graf naast de vers gedolven kuil. Daarin ligt Fahri, de broer van Envir Recizliu. Hij stierf in 1993, eveneens 26 jaar oud en eveneens door Servische hand. Fahri heeft een praalgraf van wit marmer, gesierd met zijn portret. 'Envirs graf zal zeker zo mooi worden’, verzekert een oom. Op de vraag of Envir werd vermoord omdat hij iets te maken had met het guerrillaleger UÇK, haalt hij zijn schouders op. Dan zegt hij: 'Hij was inderdaad actief voor UÇK. Op het organisatorische vlak. Meer kan ik er niet over zeggen.’
De familie Recizliu stelt zich op bij de kist. Een schuchter jongetje wordt naar voren geduwd. Met beide handjes maakt hij het v-teken terwijl de camera klikt.
Op zijn zeventiende werd Envir Recizliu actief in illegale bewegingingen van etnische Albanezen. In 1989 organiseerde hij een grote anti-Servische demonstratie in Pristina, Kosovo’s hoofdstad. Na de demonstratie werd hij gearresteerd. Toen hij vier jaar later vrijkwam, bleek de Servische politie nog harder op te treden tegen Albanezen dan vóór zijn arrestatie. Toen een paar maanden later zijn broer werd gedood, besloot Envir zijn organisatorische gaven te gebruiken om een politieke beweging op te zetten die aan de basis moest staan van de Albanese vrijheidsstrijd. In 1993 liet deze LKÇK ('Lëvizja Kombëtare për Çlirimin e Kosovës’ - Nationale Beweging voor de Bevrijding van Kosova) voor het eerst van zich horen. Aanvankelijk voerde de LKÇK strijd met politieke middelen, maar de radicaliseringsgolf die over Kosovo spoelde, liet de beweging niet onberoerd. Waarschijnlijk gebruikte Envir zijn LKÇK-contacten in de wijdvertakte Albanese diaspora om wapentransporten op touw te zetten.
'Envir is gestorven voor ons volk. Vanaf nu staat onze beweging ter beschikking van UÇK. Laat daar geen twijfel over bestaan!’ roept een vertegenwoordiger van de LKÇK dreigend in de microfoon. Hij draagt een zwartleren jas en een zonnebril. De menigte applaudisseert. Envirs zuster is de volgende spreker. Haar stem slaat over. 'Ik heb twee zoons te leveren aan de strijd. Wie niet het voorbeeld van mijn broer volgt, is het niet waard te leven.’ Ze heft haar gebalde vuist. 'Glorie!’ brult de menigte met haar mee.
PRISTINA - 'Allemaal propaganda’, bromt een medewerker van het Servische Media Centar. 'Als wij onze omgekomen politieagenten begraven, gaat het heel wat rustiger toe. De Albanezen hitsen de boel op.’
Zowel de Serviërs als de Albanezen voorzien de internationale gemeenschap van informatie. Tegenhanger van het Servische Media Centar is het Kosova Information Centre (KIC) van de LDK. Serviërs berichten slechts over 'terroristische aanvallen’ en slachtoffers onder politieagenten en 'loyale Albanezen’. Het KIC meldt Servische aanvallen op dorpen. Wie de informatie van de Servische en de Albanese kant bij elkaar optelt, krijgt vermoedelijk een redelijk beeld van de oorlog in Kosovo. Maar écht vertrouwen kun je de berichten nooit. Zo meldde het KIC onlangs dat de trein van Kosovo Polje naar Pec was tegengehouden door Servische eenheden. Tien Albanezen werden weggevoerd. Dezelfde dag meldde het Servische Media Centar dat gewapende Albanezen de trein hadden overvallen en een hoge Servische ambtenaar hadden meegenomen.
Het is onmogelijk de informatie te controleren. De wegen zijn bezaaid met politiecheckpoints, de gebieden waar het hardst wordt gevochten en waarschijnlijk de meeste slachtoffers vallen (Deçani, Dreniça, Djakoviça) zijn door de ordetroepen afgesloten van de buitenwereld. Telefoonlijnen zijn afgesneden, journalisten, waarnemers en internationale hulpverleners worden geweerd. Het eerste slachtoffer van elke oorlog, de Waarheid, is in Kosovo allang aan zijn verwondingen bezweken.
Bresovica - Vergane glorie op een kilometer hoogte. In wat eens een chique hotel moet zijn geweest, bevinden zich zo'n 25 jonge journalisten uit vijf Balkanlanden. Ooit was dit bergdorp, niet ver van Pristina, een bruisend ski-oord. Sinds de oorlog in Bosnië en de internationale sancties de Servische economie ruïneerden, laten de toeristen het afweten. Zelfs de Servische en Montenegrijnse jetset, rijk geworden door smokkelpraktijken, komt hier nog zelden.
De Balkanjournalisten zijn uitgenodigd door de Joegoslavische Federatie (Servië en Montenegro) in het kader van wat officieel heet 'The First Meeting of the Journalists from South Eastern Europe Covering Youth Issues’. Er zijn afgevaardigden uit Bulgarije, Roemenië, Joegoslavië, Republika Srpska en Griekenland. Niet uit Slovenië, Macedonië, Bosnië en Kroatië, staten die zich van Joegoslavië hebben afgescheiden. Ook uit Albanië en Turkije, beide fel gekant tegen het Servische optreden in Kosovo, is geen vertegenwoordiging aanwezig.
'Die hebben het laten afweten om begrijpelijke redenen’, vertelt een keurige mijnheer uit Belgrado. Hij vertegenwoordigt het Joegoslavische ministerie van Buitenlandse Zaken. 'Ik ben benieuwd wat u in Nederland over de situatie in Kosovo gaat schrijven. Hopelijk vergeet u niet te vermelden dat de Albanezen zich onttrekken aan de plichten die Joegoslavisch staatsburgerschap met zich meebrengt. Ze zeggen dat ze om principiële redenen alles wat Servisch is boycotten, maar ze nemen wél een Joegoslavisch paspoort. Kunnen ze gratis genieten van gezondheidszorg en sociale zekerheid. Albanezen liegen veel, moet u weten.’ Later vertelt de Servische leider van de journalistentrip dat geen uitnodigingen zijn uitgegaan naar journalisten in Albanië en Turkije.
VANDAAG STAAN de problemen in Kosovo op het programma. Een jonge Servische historicus belicht de geschiedenis van het gebied. Kosovo-Metohija is van oorsprong Servisch. Christelijke boeren behoren tot de oudste bewoners van het gebied. De etnische Albanezen leggen een claim op Kosovo die historisch gezien onjuist is. Ergo: wie zijn hier nu eigenlijk de boosdoeners?
Een dame van Jeugdzaken belicht vervolgens de rechten en plichten van de etnische Albanezen in Kosovo inzake het onderwijs. 'Nationale minderheden’ worden in het onderwijs - van lagere school tot en met de universiteit - onderwezen in hun eigen taal. Jammer genoeg kunnen de Albanezen in Kosovo daarvan niet profiteren omdat ze het onderwijs sinds 1991 boycotten. Over de Servische terreur jegens leraren en universitair docenten die in het Albanees doceerden, geen woord.
De laatste spreker deelt de genadeklap uit. In 1974 maakte Tito de fout van zijn leven toen hij besloot Kosovo de status van autonoom gebied te geven. Dat was 'de grootste nonsens in de geschiedenis van de menselijke beschaving’. President Milosevic draaide dat in 1989 terug, maar de Albanezen vergaten niet dat Tito ze een vinger had gegeven. Nu willen ze de hele hand: los van Servië. De allerergste Albanezen plegen aanslagen op Servische agenten. Daar houdt de tolerantie van de overheid op. Terrorisme wordt bestreden met alle beschikbare middelen. Dat doen de Verenigde Staten per slot van rekening ook.
DESSISLAVA (26), een journaliste uit Bulgarije, is alleen maar stomverbaasd: 'Kennelijk hebben ze niet in de gaten dat journalisten erop getraind zijn door propaganda heen te prikken.’ Al vanaf het moment dat de delegaties in een luxe touringcar Kosovo werden binnengevoerd, voelde ze dat het mis zat. Dessislava: 'De bus kreeg een gewapend escorte, omdat het hier vol zou zitten met Albanese terroristen. Pantserwagens van de politie reden voor de bus uit. Maar aan de achterzijde waren we onbeschermd. Een ideale prooi voor die zogenaamde terroristen dus. Ze gaan erg ver in hun machtsvertoon.’
De journalisten kregen geen enkele Albanees te spreken. Ze gingen wél op de koffie bij de Servische burgemeester van Pristina. Die vertelde hoe de Albanezen de beste huizen inpikten en de Servische inwoners van de stad op alle mogelijke manieren het leven zuur maakten. Dessislava: 'Ik heb in mijn vrije tijd de redactie van Koha Ditorre (een onafhankelijke etnisch Albanese krant - jb) bezocht. Daar hoorde ik een heel ander verhaal. Na elf uur ’s avonds zijn Albanezen die zich in Pristina op straat begeven vogelvrij, terwijl de Servische kroegen tot diep in de nacht open blijven.’
Sasja, de Servische leider van het gezelschap, geeft toe dat zijn trip niet bepaald objectief is. Sasja: 'Ik ben geboren in een klein Servisch dorpje vlakbij Belgrado. Ik ben die harde scheiding tussen de volkeren niet gewend. En ik moet je eerlijk zeggen: het bevalt me niets.’ Als hij van tevoren had geweten dat de Balkanjournalisten het mikpunt zouden worden van pure propaganda, zou hij zich uit de organisatie hebben teruggetrokken. Sasja: 'Servië heeft de mediaoorlog verloren. Iedereen weet dat. Geen enkele vorm van propaganda kan dat nog ongedaan maken.’
DE begrafenisplechtigheid in Lladovc is ten einde. De menigte daalt de heuvel af, op zoek naar hun vervoermiddelen. Envirs oom kijkt tevreden rond. De toespraken waren fel, en de politie durfde zich niet te laten zien. Zijn blik wordt weer treurig als hij wijst op drie oude mannen die wat verlegen terzijde staan. Zij hielpen bij het dragen van de kist, maar ze behoren niet tot de familie Recizliu.
De oom somt hun leed op. Eén verloor tegelijkertijd zijn zoon en zijn broer. Ze werden gemitrailleerd in een flat in Duitsland. In het lichaam van zijn zoon werden achttien kogels gevonden. Nummer twee kon een jaar geleden het dode lichaam van zijn zoon ophalen op het politiebureau van Pristina. De zoon van nummer drie werd vermoord in de gevangenis van Belgrado. 'Ze streden voor onze vrijheid. Hoe kan een volk met zo veel martelaren de oorlog verliezen? Hun bloed moet gewroken worden’, zegt de oom.
De oude mannen kijken me vriendelijk aan. Een van hen heeft nog maar twee tanden in zijn mond. Hij draagt een knalgele sjaal. Langzaam gaat zijn arm omhoog. 'Glorie’, mompelt hij.