De Polen en de joden

Glorieus noch verdorven

Warschau heeft een nieuw museum, over duizend jaar joodse aanwezigheid in het land. Het werpt een oude vraag op: hoe antisemitisch zijn Polen nu eigenlijk?

Medium jodeninpolen2

Poolse diplomaten kregen begin dit jaar twee opdrachten mee. Eén: maak te pas en te onpas duidelijk dat Polen 25 jaar geleden het eerste Oostblokland was waar parlementsleden vrij konden worden gekozen, ook felle anticommunisten. Dat was maanden voordat de Muur in Berlijn viel. Twee: zorg dat buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders ophouden te praten over ‘de Poolse kampen’ als ze de vernietigingskampen uit de Tweede Wereldoorlog bedoelen: Treblinka, Auschwitz-Birkenau, Majdanek, Sobibor et cetera.

Met opdracht één is het redelijk gegaan: in de talloze bijlagen van Europese kranten gemaakt naar aanleiding van 25 jaar val van het communisme ging veel aandacht naar Polen, vakbond Solidarnosc en de eerste semi-vrije verkiezingen in Oost-Europa. Opdracht twee, een evergreen, ging ook dit jaar niet goed. Zelfs de meest optimistische onder de Poolse diplomaten geven toe: het is water naar de zee dragen. Tijdens een bezoek van Barack Obama in 2013 werd dat duidelijker dan ooit. De president van de VS wilde alleen maar aardige woorden aan Polen wijden en deed dat ook, maar toch zei hij het, ‘the Polish camps’, tussen al zijn loftuitingen. Er ging een rilling door de Poolse toehoorders. Minister van Buitenlandse Zaken Radek Sikorski tekende direct protest aan.

Hij heeft een punt: de kampen waren Duits, ingericht ter vernietiging van joden en andere ongewenste inwoners uit het gehele Derde Rijk. ‘Je kunt ze eventueel nazikampen noemen’, zegt een Poolse diplomaat die probeert uit te leggen waarom het zo gevoelig ligt. ‘Maar nazi’s waren Duitsers. En de nazi’s zagen de Polen, anders dan jullie Nederlanders, als minderwaardig: Untermenschen. Hitler zei in 1939 letterlijk uit te zijn op “de fysieke vernietiging” van “het Poolse ras” en “iedereen die Pools spreekt”. Dat was volgens de Führer de enige manier om Lebensraum voor het Herrenvolk te realiseren. Vervolgens hebben de Duitsers drie miljoen Poolse joden omgebracht en ongeveer evenveel Poolse katholieken. Het is dan pijnlijk beledigend om ons in zekere zin medeplichtig aan die Duitse massamoord te maken.’

Dit jaar stapte een Poolse Auschwitz-overlever zelfs naar de rechter om de Duitse tv-zender zdf aan te klagen die de driedelige tv-serie Unsere Mütter, Unsere Väter had uitgezonden. De serie speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog. Twee Duitsers spreken erin over ‘Poolse concentratiekampen’ wanneer ze Auschwitz en Majdanek bedoelen. De Auschwitz-overlevende eiste excuses en vijftigduizend Poolse zloty (dertienduizend euro) om aan een liefdadigheidsorganisatie te geven. ‘In de media zie je vaak fouten uit onnozelheid’, zei de 93-jarige Karol Tendera. ‘Maar in dit geval was sprake van opzet, dat weet ik zeker: Duitsers proberen verantwoordelijkheid af te schuiven.’

Tendera wilde ‘een duidelijk signaal geven’. Dat deed hij. Toch zullen kansloze rechtszaken niets uitrichten tegen de begrijpelijke vraag of katholieke Polen terecht wereldwijd worden geassocieerd met antisemitisme en, ja, met de holocaust. Subvraag: was het toeval dat de grootste vernietigingskampen van de nazi’s in Polen lagen?

Nee, natuurlijk niet, is de reactie van de Brits-Poolse historicus Adam Zamoyski. Nergens in het door de Duitsers veroverde gebied woonden meer joden dan in Polen, legt hij uit in Poland, zijn gezaghebbende geschiedenis van het land. Bovendien lag het land centraal in Europa en dus ver van het front, zo hadden de Duitsers bedacht. Daardoor liepen de kampen weinig kans te worden gebombardeerd – wat inderdaad ook niet of nauwelijks is gebeurd.

Deze logistieke verklaring kent veel aanhangers in Polen. De Duitsers, zeggen ze, hoefden de helft van de door hen omgebrachte joden niet ver te laten reizen. De ultieme vijand, de ‘schreckliche Jude’, was onder hen.

Dezelfde Polen wijzen erop dat één op de vijf Polen de oorlog niet heeft overleefd: geen land heeft zo’n hoge tol betaald. En voor wat? Om een soort wingewest van Stalin te worden. Die liet na de ‘bevrijding’ duizenden prominente leden van het Poolse niet-communistische verzet executeren, wat het dodental nog eens verder opschroefde.

Als gevolg hebben Polen zichzelf decennialang louter als slachtoffers kunnen zien, nooit als daders. Slawomir Sierakowski, een jonge publieke intellectueel in Warschau: ‘Wij zijn trots op onze geschiedenis, misschien zelfs te trots. Wij zijn door iedereen vermoord, verkracht, vernederd en verraden, dus wij verdienen eeuwigdurend respect. Wie dat niet begrijpt, is kwaadaardig en is dus een vijand.’

Zo’n houding is niet bevorderlijk voor een gezond, open debat over de eigen rol in de geschiedenis. Lange tijd konden Polen zich niet voorstellen dat oorlog moreel ingewikkelde verhalen oplevert. Duitsers waren slecht, Polen waren goed, veel ingewikkelder moest het niet worden. De musicus Wladyslaw Szpilman, een Poolse jood die de verschrikkingen van het getto in Warschau op miraculeuze wijze overleefde, heeft in de eerste versie van zijn memoires (door Roman Polanski verfilmd als The Pianist) de Duitse officier die hem het leven redde een Oostenrijker genoemd. Szpilman en zijn uitgever wisten: het Poolse publiek had simpelweg niet het bestaan van een goede Duitser geaccepteerd. Goede Duitsers bestonden niet. De vijand was slecht.

Dat is veranderd. Polen is veranderd. Zo zijn sinds 1989 verscheidene pogingen gedaan om het eigen aandeel in de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog op waarde te schatten. Dat kon niet zonder de bestudering van het antisemitisme in de jaren dertig. De aankondiging, al meer dan tien jaar geleden, van een groot museum midden op het terrein van het voormalige getto in Warschau, heeft in dit publieke zelfonderzoek als een katalysator gewerkt. Net als de verschijning dertien jaar geleden van het boek Neighbors van de uit Polen geëmigreerde Amerikaan Jan Gross.

Neighbors beschrijft, onderbouwd met archiefmateriaal en gesprekken met overlevenden en spijtoptanten, hoe de joden uit het plaatsje Jedwabne door hun katholieke dorpsgenoten werden vermoord. Ze werden bijeengedreven in een schuur en verbrand. Tot de verschijning van het boek was de officiële lezing dat ze door de Duitsers waren vermoord. Na publicatie volgde een heftig nationaal debat, inclusief een door het Poolse parlement ingesteld historisch onderzoek.

Het gesprek ging eindelijk over de relatie tussen katholieken en Polen. Het is ook een van de uitgangspunten van de permanente opstelling van het museum, dat de naam Polin draagt; Hebreeuws voor Polen. De 120 deskundigen die aan die opstelling werkten, besloten het verhaal van de Poolse joden zo goed en zo kwaad als dat kan te presenteren los van het bekende, gruwelijke slotakkoord. Daarom documenteert dit ‘Louvre van de joodse wereld’ (Jerusalem Post) uitgebreid het begin van de joodse aanwezigheid in Polen. Het museum laat zien hoe na de vorming van een Pools koninkrijk, in 1024, duizenden joden uit de rest van Europa naar het land trokken. Hoe de tolerantie van de adel, de koning en andere autoriteiten het koninkrijk tot een ‘paradisus iudaeorum’ maakte, een ‘joods paradijs’. Gevolg: halverwege de zeventiende eeuw leefde tachtig procent van alle joden in de wereld op Poolse bodem.

‘Het mag hier niet alleen om de holocaust gaan of om antisemitisme’, zegt Barbara Kirshenblatt-Gimblett, een joodse uit Canada die het team van 120 curatoren leidde. ‘De holocaust is niet de onvermijdelijke uitkomst van een eeuwenlange geschiedenis van joden in Polen’, zegt zij. ‘Polen had niet kunnen uitgroeien tot het centrum van de joodse wereld als het louter was bevolkt met moordzuchtige antisemieten.’

‘Wij zijn vermoord, verkracht, vernederd en verraden, door iedereen, dus wij verdienen eeuwigdurend respect’

In een enigszins over the top jubelbespreking heeft de Amerikaans-joodse historica Anne Applebaum het lot van joden en Polen met elkaar verbonden. Applebaum, getrouwd met de eerder genoemde Poolse politicus Sikorski, ziet een verbond in veerkracht en slachtofferschap. Ze haalt de woorden aan die de 88-jarige Auschwitz-overlevende Marian Turski gebruikte bij de officiële opening van het museum, eind oktober. Van Turski, een Poolse jood die altijd in Polen is gebleven, is de laatste zin afkomstig van een lied dat Pools-joodse partizanen tijdens de oorlog zongen: ‘Mir zenen do’, ‘Wij zijn hier’. Applebaum koppelt die woorden aan de openingszin van het Poolse volkslied: ‘Polen is nog niet verloren, zolang wij nog leven.’

Het lied stamt uit de negentiende eeuw, toen de Poolse natie niet meer op de kaart te vinden was. Ze was opgedeeld door Rusland, Pruisen en het Habsburgse Rijk. Dit overkwam het land in de twintigste eeuw opnieuw. Ditmaal verdeelden de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland de buit. Applebaum: ‘Telkens werd Polen weer opgebouwd door mensen die bleven volhouden, against all the odds: wij zijn hier.’ Het museum, schrijft Applebaum, levert een getuigenis voor alle volken die hebben moeten vechten om te bestaan.

Bij Applebaum is niets te vinden over het antisemitisme dat tijdens verschillende episodes in de Poolse geschiedenis zijn smerige hoofd opstak, soms met dodelijke gevolgen. Dat is opvallend, omdat Applebaum in haar historische boeken het leed niet schuwt. Hoofdconservator Barbara Kirshenblatt-Gimblett en historicus Adam Zamoyski, die beiden een positiever beeld van de Poolse samenleving willen schetsen dan in het Westen gangbaar is, negeren deze episodes niet. Zo wordt de museumbezoeker uitgebreid geïnformeerd over de pogroms op Poolse bodem aan het begin van de twintigste eeuw. En Zamoyski staat lang stil bij de moordpartijen direct na de Tweede Wereldoorlog, een van de meest weerzinwekkende uitingen van Pools antisemitisme. Of misschien was het ‘gewone bandieterij’, zoals Marek Edelman, een van de leiders van de opstand in het getto van Warschau, altijd heeft beweerd.

In het kort: de joden die het Derde Rijk hadden overleefd en op zoek gingen naar hun familie en bezittingen kregen te maken met een losgeslagen, getraumatiseerde bevolking. Slechts weinigen waren geïnteresseerd in het joodse leed. Sommigen bleken zelfs van plan werk af te maken dat de Duitsers waren begonnen. Zamoyski noemt Kielce, een stad in het zuidoosten van het land waar veertien maanden na het einde van de oorlog veertig joden werden vermoord. Dat gebeurde nadat een menigte het huis had bestormd waar bijna alle tweehonderd joodse stadsgenoten die de bezetting hadden overleefd in waren getrokken. De ellende was begonnen toen een jong ventje zijn ouders vertelde dat hij twee dagen was vastgehouden in het huis, ontvoerd door inwoners die christelijk bloed nodig hadden voor hun rituelen. Het jongetje, zo bleek pas later, had een smoes moeten verzinnen voor de dagen dat hij de hort op was gegaan.

De slachting in Kielce was niet de enige moordpartij. In de korte periode na de terugtrekking van de Duitsers en voor de chaotische opname van Polen in het sovjetimperium werden rond de vijftienhonderd joden vermoord. Niet door de nieuwe, Russische bezetter, maar door Poolse burgers.

Een meerderheid van de driehonderdduizend joden die de holocaust hadden overleefd, emigreerde vervolgens, voornamelijk naar Israël en de VS. Toch was de ellende voor de achterblijvers nog niet voorbij. Aan het eind van de jaren zestig, kort na de Zesdaagse Oorlog van Israël tegen zijn buurlanden, zuiverden de machthebbers van Polen de leidende communistische partij van joodse partijgenoten. Hun excuus: onder de studenten die protestacties tegen het regime leidden, waren joden te vinden.

Er viel nogal wat te zuiveren, want op hoge posities zaten relatief veel joden. Dat had twee oorzaken. Met het aantreden van de communisten konden joden voor het eerst in de Poolse geschiedenis toetreden tot alle publieke ambten. Bovendien waren het voor de Tweede Wereldoorlog vooral joden geweest die zich aangetrokken voelden tot het communisme. Met de internationalistische heilsleer hoopten ze op een samenleving vrij van klassenverschil en tegelijk vrij van xenofobie, nationalisme en fanatiek katholicisme.

Het mocht niet zo zijn. Met de destalinisatie kreeg een nationalistische stroming binnen de communistische partij de overhand, op zoek naar wat een typisch Poolse variant van het socialisme ging heten. In 1968 speelden representanten van deze stroming ‘de joodse kaart’. Overal in het land werd ‘zionisten’ ontslagen.

In feite emigreerden in die maanden de laatste overgebleven joden uit Polen. Vaak met hulp van Nederlandse diplomaten, omdat Polen vanaf de Zesdaagse Oorlog geen diplomatieke banden met Israël meer wenste te onderhouden.

Dat is bijna vijftig jaar geleden. Sinds de jaren negentig is een tegengestelde ontwikkeling gaande. Talloze Polen ontdekken hun joodse wortels. Een van hen, Katka Reszke, vertelt erover in het boek Return of the Jew. Zelf ontdekte ze dat haar grootmoeder van haar moeders kant joods was. En zij dus ook. Ze zag het als een gift, die verplichtingen met zich meebrengt die ze met plezier aanging. Net als honderden andere Polen begon ze zichzelf te onderwijzen over oude joodse rituelen, ging ze op Hebreeuwse les en leerde ze zelfs Jiddisch. Reszke vertrok naar Amerika en Israël, maar ze komt vaak terug. Ze zegt zich nergens zo joods te voelen als in Polen.

Over een zogenoemde ‘herleving van het joodse leven’ is veel te doen in Polen. Die is ook te zien in het straatbeeld. In de voormalig joodse wijk van Krakau, Kazimierz, zijn talloze joodse bars en restaurants gekomen, plus een jaarlijks joods cultureel festival, geïnitieerd door een niet-jood. De slagzin die hij graag hanteert: ‘Het festival is een oneindige viering van het joodse leven.’

Maar dit gestaag groeiende en opvallende filosemitisme betekent niet dat het antisemitisme is verdwenen met de laatste grote groep emigrerende joden. Daarvoor zit het te diep. Niet voor niets was het antisemitisme decennialang gangbaar, zo niet eeuwen. Het antisemitisme kan het daardoor zelfs prima stellen zonder joden. Uit opinieonderzoek blijkt dat antisemitisme onder de bevolking vrij constant is. Vorig jaar bleek dat dertien procent van de Polen, een procent meer dan vier jaar daarvoor, denkt dat joden het bloed van christenen nodig hebben voor hun rituelen – een klassieker onder Poolse antisemieten. Verder blijkt dat kerkgaande Polen niet anders denken over joden dan niet-kerkgaande Polen. Twintig procent is het eens met de stelling: ‘De manier waarop Israël omgaat met de Palestijnen is niet anders dan de wijze waarop Hitler met de joden omging tijdens de Tweede Wereldoorlog.’

Medium jodeninpolen1

Vooral fel zijn protesten tegen kunstenaars en wetenschappers die de rol belichten van de eigen bevolking in het voltrekken van de Duitse volkerenmoord. Toen twee jaar geleden een film verscheen over de slachtpartij in Jedwabne kreeg de hoofdpersoon, een nationale bekendheid, bedreigingen per telefoon en brief. En terwijl de film (Poklosie, in het Engels vertaald als Aftermath) werd bekroond op het filmfestival van Tel Aviv meenden nationalistische politici dat de makers de subsidie terug moesten betalen. Toen wetenschapper Jan Gross een paar jaar eerder op bezoek kwam om weer een nieuw boek van hem over naoorlogs Pools antisemitisme te promoten, verstoorden studenten een van zijn toespraken. Ze stonden op en riepen ‘smaad’ en ‘leugenaar’. De aartsbisschop van Krakau voegde zich bij hen. Hij vond dat de Poolse uitgeverij de vertaling niet had moeten uitgeven. Boeken moeten ‘historische waarheid’ propageren, schreef hij, en niet ‘anti-Poolse sentimenten’ creëren én ‘antisemitische duivels’ wakker maken.

Dertien procent van de Polen denkt dat joden het bloed van christenen nodig hebben voor hun rituelen

Opvallend genoeg bleek zelfs de Poolse opperrabbijn Michael Schudrich niet enthousiast over Gross’ boek The Golden Harvest, over Poolse boeren die kort na de oorlog gingen graven in de grond van wat ooit concentratiekamp Treblinka was. Ze waren op zoek naar kostbaarheden die de nazi’s wellicht waren vergeten. De opperrabbijn, opgegroeid in New York, zegt: ‘Gross schrijft in zekere zin om te provoceren, niet om te onderwijzen.’ Hij reageert geïrriteerd als vooral Israëlische journalisten hem naar het antisemitisme in Polen vragen. Het gaat hier juist heel goed, is steevast zijn antwoord. En Schudrich wijst graag op tekenen van joodse bewustzijnsherleving. En het opinieonderzoek dan? ‘Het probleem daarvan is dat het niet de intensiteit meet van de afkeer onder de overige, niet antisemitische tachtig procent. En die weerzin groeit, dat weet ik. Dat zie ik.’

En toch. Polen die ik sprak kennen altijd wel iemand die ‘nog ouderwets antisemitisch’ uit de hoek kan komen. Zelf maakte ik mee hoe een jonge advocaat, die als bijbaantje toeristen door Warschau leidt, bij een monument ter nagedachtenis aan het getto in Warschau zonder blikken of blozen uitlegde waarom hij onverschillig staat ten aanzien van het lot van de joden. ‘Veel van hen waren communisten; na de oorlog vervulden ze belangrijke posities. En ik heb een hekel aan communisten. Hun lot laat me koud, sorry hoor.’

Op de vraag of het waar is dat joden die het getto ontvluchtten soms door Polen werden vermoord, reageerde de gids als door een wesp gestoken. Hij had kunnen zeggen: ‘Ze werden in ieder geval regelmatig verraden.’ Dat is ook wat Szpilman schreef in zijn memoires en waar een groot internationaal publiek zich aldus van bewust is. De gids gaf deze uitleg niet. Hij vroeg met woedende blik: ‘Wie heeft je dat verteld?’

‘Ergens gelezen’, zei mijn reisgenoot voorzichtig.

‘Amerikaans-joodse propaganda!’ Hij leek zijn zelfvertrouwen te hebben herwonnen en vertelde het verhaal van Jan Karski, de Poolse diplomaat en verzetsstrijder die al in 1942 getuigde over de ‘massavernietiging van de joden in door Duitsland bezet Polen’, zoals het rapport heet dat Karski opstelde en in het Westen presenteerde, tot aan de Amerikaanse president toe. De advocaat: ‘Joden in Amerika waren dus op de hoogte van wat hier gebeurde, maar deden niets. Het schuldgevoel daarover moeten ze kwijt. Dat doen ze met dit soort leugens.’

Staat deze jonge advocaat voor de gemiddelde Pool? Nee, wie spreekt over gemiddelde Polen maakt zich schuldig aan hetzelfde groepsdenken als waar deze jonge Poolse advocaat in uitblinkt. Het groepsdenken waar de bedenkers en beulen van de holocaust ook last van hadden.

Is zijn halfbakken historische verantwoording van een antisemitisch sentiment dan ingegeven door pure kwaadaardigheid? Of weet hij niet beter? En kan dat, dat men niet beter weet, in een groot land in het hart van Europa, met een relatief hoog opgeleide bevolking?

Volgens Polen die geïnteresseerd zijn in het joodse verleden van hun land kan dat inderdaad. Als kind hoorden ze nooit over de holocaust. In communistisch Polen was het geen onderwerp, ook niet als onderdeel van de geschiedenisles op de middelbare scholen. Er werd wel onderwezen over Auschwitz, maar niet als een voornamelijk op de vernietiging van joden gericht kamp.

Deze taboeïsering van het joodse lot in Polen was een van de redenen dat de Poolse kunstenaar Joanna Rajkowska midden in het centrum van Warschau een vijftien meter hoge plastic palm plaatste. Het is verreweg het meest opvallende kunstwerk in de stad en staat op een kruispunt waarover de Aleje Jerozolimskie loopt, de Jerusalem Avenue. De palm verwijst naar het Israëlische landschap, zegt Rajkowska. ‘Ik wil mensen laten inzien waaróm deze straat Jerusalem Avenue heet, de historische connotatie meegeven van zo’n naam midden in Warschau.’

Ze is niet de enige kunstenaar in Polen die een groot gat in de vaderlandse geschiedenis wil markeren. Een ander brengt met een spuitbus Hebreeuwse teksten aan op plaatsen die ooit joods waren. Dat klinkt als een weinig radicale onderneming, maar radicaal is het wel in een land waar ‘het antisemitisme met de moedermelk naar binnen komt’, zoals de toenmalige premier van Israël Yitzhak Shamir in 1989 zei. Shamir was een uit Polen geëmigreerde jood.

Maar volgens de opperrabijn kun je dat nu absoluut niet meer zo zeggen. De joodse immigrant uit New York meent dat het openlijke antisemitisme in Polen inmiddels kleiner is dan in andere Europese landen, waar synagogen en zelfs joodse kinderdagverblijven permanente bewaking behoeven.

In zijn geschiedenis van het twintigste-eeuwse Polen laat de historicus Brian Porter-Szücs zien hoe ingewikkeld de zaken liggen. Hij illustreert de complexiteit met het verhaal van Zofia Kossak- Szczucka, een Poolse schrijfster en verzetsstrijdster die in 1968 overleed. Na de oorlog kreeg ze van Yad Vashem in Israël een onderscheiding omdat ze honderden joden door de oorlog had geloodst. Ook was ze een van de oprichters van de Raad voor de hulp aan Joden, een verzetsgroep die in Polen bekendstaat als Zegota en die duizenden levens heeft gered door het verspreiden van voedsel, geld en valse papieren.

Kossak-Szczucka werd gearresteerd en zelfs gevangen gezet in Auschwitz – het concentratiekamp, niet het vernietigingskamp. Het verzet heeft haar bevrijd en met veel geluk overleefde ze de oorlog. Over haar leven zou een fijne Hollywood-film gemaakt kunnen worden, schrijft Porter-Szücs, ware het niet dat ze voor de oorlog furore had gemaakt als schrijfster van antisemitische, nationalistische boeken. Uit een artikel dat ze in 1942 schreef voor een verzetskrant bleek bovendien dat haar ervaringen met de nazi’s niets aan haar antisemitisme hadden veranderd. Ze walgde van de misdaden van de Duitsers, die ze in groot detail evoceerde. ‘De wereld kijkt naar deze gruweldaden en blijft stil. Maar wie het moorden negeert, is een compagnon van de moordenaar. Wie niet veroordeelt, keurt goed.’ Daar laat ze evenwel direct op volgen dat haar ‘gevoelens tegenover joden’ niet zijn veranderd. ‘Ze zijn de politieke, economische en ideologische vijanden van Polen. Ze verrichten kwalijke activiteiten gericht op het ondermijnen van zowel de natie als het christendom.’ Toch mag moord nooit de reactie zijn, schrijft ze. Want gij zult niet doden. Nooit. En dus redde Kossak-Szczucka haar joodse medemensen, waarvoor Israël haar dus heeft gedecoreerd.

Porter-Szücs concludeert: ‘Hoe meer we nadenken over antisemitisme in de Tweede Wereldoorlog, hoe duidelijker het wordt dat zowel positieve als negatieve generalisaties over hoe “de Polen” zich hebben gedragen eigenlijk volkomen betekenisloos zijn. Hitlers grootste leugen was dat mensen behoren te worden beoordeeld naar nationaliteit en etniciteit, en dat adjectieven als “glorieus” en “verdorven” van toepassing zijn op hele gemeenschappen.’ Wie probeert na te gaan of een hele natie antisemitisch is, of juist niet, ziet weer eens helder hoe absurd dit idee van Hitler eigenlijk was.


Beeld: (1) Het leven in een Poolse shtetle (joods dorp), rond 1916 (A. Andrusier / Lebrecht Music&Art / HH). (2) Onderdeel van een houten synagoge in de tentoonstelling The Jewish Town over de geschiedenis van de Poolse joden, in museum Polin. (M.Starowieyska D.Golik / Polin Museum of the history of the Polish Jews).