Frank Reijnders

Glorieuze voetnoot

Om de zoveel tijd ligt de schilderkunst op de snijtafel van de wetenschap. Kunsttheoreticus Frank Reijnders hield de vinger aan de pols van de patiënt en schreef over zijn bevindingen het strenge boek ‹Della pittura›.

Eeuwen geleden zag Leonardo da Vinci nog grootse mogelijkheden voor een kunstvorm die tot dan toe in laag aanzien stond. Hoor hoe de uomo universalis in zijn Trattato della pittura de zegeningen bezingt van de complexe werkelijkheidservaring, tot ons gebracht via oog en hand van de schilder: «Als jij, dichter, de bloedige veldslag zult vormgeven, met de donkere hemel, verduisterd door de rook van de angstaanjagende en dodelijke oorlogsmachines, vermengd met de dikke, door stof benevelde lucht en de angstige vlucht van de ellendigen die bang zijn voor de vreselijke dood, dan overtreft de schilder jou, omdat je pen al leeg is voordat je volledig hebt beschreven wat de schilder je onmiddellijk weergeeft met zijn wetenschap.» Dit fraaie retorische citaat van Da Vinci wordt door Reijnders aangehaald als startpunt van zijn verhandeling over de Werdegang van een kunstvorm die in de afgelopen eeuw vrolijk afstevende op zijn eigen opheffing. Kon de schilderkunst ten tijde van Da Vinci zich nog presenteren als een «wetenschap van de illusie» die de hoogste vorm van exacte werkelijkheidskennis vereiste, in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd ze definitief «doodverklaard» als een inhoudelijk uitgespeelde, commercieel geëxploiteerde kunstvorm die ieder contact met de werkelijke wereld had verloren.

Heden ten dage moet men zich zelfs serieus afvragen, aldus de auteur van Della pittura, of het «trage, ondoorzichtige verfweefsel» van het schilderij nog wel in staat is enige uitspraak te doen over de werkelijkheid, die in de laatste decennia vooral een via de media beleefde werkelijkheid is geworden.

De kwestie is de afgelopen jaren al vaker opgerakeld: de «pixel-esthetiek» van de digitale media stelt de hedendaagse kunstenaar in staat de werkelijkheid naar believen te vervormen en te manipuleren, en in te werken op de toeschouwer op een manier zoals het de schilderkunst nooit gegeven is. De gelijktijdige ervaring van geluid, beeld, tekst en geur in een environment of in de virtuele ruimte kan door het gesloten oppervlak van het linnen niet worden geëvenaard. Ergo, de schilderkunst heeft het onderspit gedolven in haar «strijd» met de technische media — zo luidt de stelling van Reijnders’ eigentijdse, strenge paragone.

Is er dan helemaal geen hoop voor de schilderkunst in de 21ste eeuw? Toch wel. Want hoewel ze zich ontwikkeld heeft van fetisjafbeelding in de grotten van Lascaux tot doorgeefluik van een romantische sublieme ervaring en tot de uiterste reductie, waarin de concrete verfmaterie en het platte verfoppervlak werden gecelebreerd, het voortbestaan van de schilderkunst is op zich hoopvol. Zelfs in een tijd waarin iedere schilder weet dat de schilderkunst «niet langer een beeld toont of een betekenisvolle ordening, noch zichzelf representeert» (Reijnders).

Marcel Duchamp kwam al in de jaren tien van de vorige eeuw tot het inzicht dat met de intrede van de machinaal vervaardigde verf in een tube de alchemistische magie van het schilderen verloren was gegaan. Ook dienden in de moderne tijd de zintuigen en de geest anders te worden aangesproken: «Als er andere formules kunnen worden gevonden om zich uit te drukken, dan moet men daar gebruik van maken.» Duchamps kritische uitspraak wordt ook door Reijnders onderschreven. Als de nieuwe media beter in staat zijn om de hedendaagse mens te bedienen met zintuigen en fantasie prikkelende onmiddellijke beelden en ervaringen, hoe hardnekkig moet je dan zijn om te willen blijven schilderen?

Della pittura is het resultaat van Reijnders’ complexe overpeinzingen. Een vrolijk boek is het niet geworden, maar waarschijnlijk kan dat niet anders. Vragen als «Is de schilderkunst dood?» en «Bestaat er vooruitgang in de kunst?» verraden de zorgelijke natuur die kunstwetenschappers eigen is. Ook het pseudo-filosofische taalgebruik, zo kenmerkend voor kunsthistorische beoefenaren der esthetica («Fotografen en filmers uit het begin van de twintigste eeuw drongen zo diep door in het weefsel der gegevenheden dat de coherentie van het beeld verdween») draagt niet bij tot het leesgenot. Toch is de auteur van Della pittura een van de weinige Nederlandse kunstwetenschappers die hun ideeën, standpunten en theorieën voor een groter publiek naar buiten brengen — een prijzenswaardig streven.

In zijn iets meer dan honderd pagina’s omvattende betoog laat Reijnders zien hoe de schilderkunst een glorieuze voetnoot bij haar eigen geschiedenis is geworden, een anachronisme zelfs — maar wel een inspirerend anachronisme. De hedendaagse schilderkunst verwijst niet langer naar zichzelf maar bestaat alleen nog in relatie tot andere kunstvormen die ze uitdaagt om wél betekenis te genereren. Filosofisch gezien is de hedendaagse schilderkunst een illusionistische paradox. Reijnders: «Van oudsher is de schilderkunst in staat om datgene tot verschijning te brengen wat niet bestaat. Met inbegrip van de schilderkunst.» Een hegeliaans doordenkertje voor de sophisticated kunstliefhebber.

Frank Reijnders, Della pittura: De schilderkunst en andere media.

Uitg. Duizend & Een, ƒ63,90