Na elke verschijning van een nieuw boek krijg ik een mailtje van het secretariaat van de uitgeverij, met de vraag of ik de ‘originele kopij’ geretourneerd wil krijgen. 'Als u er geen prijs op stelt de originele kopij van uw werk terug te krijgen, willen wij dit graag aanbieden aan het Letterkundig Museum. (…) Mocht het Letterkundig Museum geen interesse hebben dan zullen wij het manuscript vernietigen.’
Vernietigen. Dat woord trekt mij telkens weer over de streep. Al is het in wezen paniek om niks. Die vernietiging is een simpele delete-actie op de servers van de uitgeverij. En als het Letterkundig Museum ingaat op het aanbod betekent dat een verplaatsing van een databestand van amper één megabyte van de ene server naar de andere. Bovendien bestaat het boek in definitieve vorm, en zelfs in vele duizenden gedrukte exemplaren. Uit misplaatste ijdelheid kies ik toch telkens voor de optie 'aanbieden aan het Letterkundig Museum’. Hoe dat avontuur afliep, heb ik nooit vernomen. Ik ga er maar vanuit dat het Museum 'geen interesse’ had, waarna de vernietiging van het manuscript in stilte heeft plaatsgehad, in de besloten kring van de uitgeverij. Is dat erg? Welnee. Al die manuscripten, drukproeven, kladjes en droedels willen redden van de vernietiging is even absurd als het omkiepen van een vuilnisbak van een schilder, om er penselen en de leeggeknepen tubes verf uit te vissen. Het is maar gereedschap, zou je zeggen, en restafval.
Wat zou het Letterkundig Museum ermee aanmoeten? De 'wordingsgeschiedenis’ reconstrueren? Dikke tekstedities samenstellen met 'varianten’ - een woord dat suggereert dat er evengoed iets anders had kunnen staan? Welnee, dat gebeurt al lang niet meer, althans niet bij eigentijdse auteurs. En gelukkig maar.
De wetenschappelijke rage van annoteren en editeren heeft feitelijk maar een paar decennia geduurd, zodat alleen het werk van mensen als Nijhoff, Bloem en Du Perron eraan ten prooi viel. Elke doorhaling is in die branche heilig, elke verplaatsing een studieobject, en elke krabbel in de marge een openbaring. Elk manuscript is niets anders dan ruwe grondstof voor een machine van schriftgeleerden, annoteerders, exegeten en andere speculanten.
Daarbij vergeet men dat al die tekstedities, bronnenstudies, en historisch-kritische uitgaven alleen zin hebben bij werken van een paar eeuwen terug, toen de route van manuscript naar boek nog totaal anders verliep, en er in elk klooster monniken waren die hun fantasie de vrije loop gaven tijdens het kopiëren.
Hoe dichter je bij de eigen tijd komt, hoe onwaarschijnlijker en onnodiger al dat monnikenwerk is. Ik kan me niet voorstellen dat iemand ooit de drukproeven van, zeg, Ilja Leonard Pfeijffer met z'n Moleskine-notebookjes wil vergelijken, alhoewel hij die wel angstvallig bewaart, en nauwkeurig in de kantlijn dateert, ja zelfs voorziet van een tijdsaanduiding, plus de naam van het café waar hij zich bevindt.
Heeft zoiets waarde voor het Letterkundig Museum? Misschien alleen in één opzicht. Literaire archieven verhouden zich tot schrijvers en dichters als paparazzi en roddelbladen tot koningshuizen en filmsterren. Beide gedijen op dezelfde nieuwsgierigheid. Alleen bij de literatuur wordt die vulgaire aandrang vergoelijkt door het aureool van hoge cultuur.
Uitvoerig stilstaan bij wie het met wie doet is ordinair, behalve wanneer het over Pablo Picasso, Alma Mahler of Hugo Claus gaat. Snuffelen in iemands dagboek is laaghartig, behalve als het om Marcel Proust of Thomas Mann gaat.
Is dat kwalijk? Integendeel. Het is hoog tijd dat we durven toe te geven aan onze lage drang zonder de vergoelijking van de hogere kunsten als excuus aan te voeren.
Gluren is lekker. En het is niet uit te sluiten dat er een zekere catharsis van uitgaat, gecombineerd met een freudiaanse sublimatie, of concreter gesteld: wie verlekkerd in de correspondentie van een schrijver kan bladeren, hoeft niet langer onder de deuren van zwembadkleedkamers door te gluren.
Omdat niemand meer brieven schrijft, zouden schrijvers niet hun digitale kopij maar de gebruikersnamen en wachtwoorden van hun e-mailboxen aan het Letterkundig Museum moeten aanbieden.
Het probleem is: hoe regel je het praktisch? Via een notaris? Via de weduwes- en weduwnaren-in-spe? Vergeet het maar. Juist voor hen is er vermoedelijk veel te verbergen.
Alleen de ijverigste pietjes-precies en de grootste ijdeltuiten zullen de moeite nemen hun digitale post persklaar op hun bureaublad achter te laten. En juist dan is authenticiteit verre van gegarandeerd. Niemand die ziet waar er geschaafd is. Niemand die de lacunes herkent.
Misschien moeten we ons er gewoon bij neerleggen en er de ironische pracht van erkennen: rond elke schrijver uit de tijd van passwords en accounts zweeft een complete schatkamer aan correspondentie en ander biografisch materiaal, dat, samen met de laatste adem, volledig in rook zal opgaan.