God

Hij ontleent wereldwijde bekendheid aan de affaire-Jezus. Maar wie Hij werkelijk is, weet niemand. Al valt er op grond van zijn schurkenstreken wel een redelijk trefzeker daderprofiel op te stellen.

WIJ, GELOVIGEN en ongelovigen, kunnen er met ons verstand niet bij.
Volgens de dichter Willem Wilmink woont Hij in de Fokke Simonszstraat - ‘Ik hoorde het van een zeereerwaarde en hoogbejaarde dominee.’ De schrijver George Tabori beweert dat Hij is gereincarneerd in de koosjere kok Lobkowitz, die door Zijn chef Moskowitz uit Zijn ambt werd gezet omdat Hij een jachtschotel met ganzevet had gegratineerd. Ik noem maar twee willekeurige voorbeelden. Er worden wel duizendeneen beweringen over Hem gedaan, terwijl in werkelijkheid niemand de waarheid weet.
Ondanks Zijn in vele talen vertaalde tweedelige autobiografie. Daarin wordt gezegd dat Hij hemel en aarde heeft geschapen. Er is geen reden om Hem niet op Zijn Woord te geloven, al moet worden geconstateerd dat de Schepping uiteindelijk verre van een succes is geworden. Hij heeft dit in een in 1986 gepubliceerd vervolgdeel (te onzent verschenen bij de Wereldbibliotheek) ronduit toegegeven. Het boek, dat met spanning tegemoet werd gezien, was overigens ronduit teleurstellend van inhoud. 'Het geheugen is niet mijn sterkste kant’, gaf de auteur ronduit toe, waarmee hij zijn boek tot een discutabele bron voor beter godsbegrip maakt.
Wij moeten het dus doen met de delen 1 en 2, waarin Hij Zichzelf tekent als een moralistische, conservatieve donderpreker, zonder veel neiging tot wijsgerige zelfreflectie. Zijn zoon kennen wij, behalve uit deel 2, vooral uit de cultuurgeschiedenis. De beeldende kunst heeft elk zijner levensfasen, van de kribbe tot het kruis, vereeuwigd, in Bachs diverse passies zingt hij zonder schroom de voorgeschreven partijen, en zelfs de eigentijdse ritmes van de rock-musical Jesus Christ Superstar is hij niet uit de weg gegaan.
De rol die zijn vader in de artistieke wereld speelt is heel wat bescheidener. Uit principe: tot voor kort hield het Godsvolk zich aan Zijn voorschrift Zijn naam niet uit te spreken noch Zijn fysionomie af te beelden. Wij moeten ons behelpen met Zijn Alziend Oog ('God ziet U’) en op sommige afbeeldingen zien wij Zijn hand vanuit de hemel naar ons, aardse stervelingen, uitgestoken. Om Zijn integrale gestalte te zien moeten wij helemaal naar de Sixtijnse Kapel, waar Michelangelo, alle schriftuurlijke voorschriften negerend, het moment heeft vereeuwigd waarin Hij Adam tot leven wekte. Waarachtig, in 1936 is Hij in de bioscoop te zien geweest, in de film The Green Pastures, in de rol van the Lord, tronend te midden van Zijn hemelse onderdanen. Elke vergelijkbare film was in het fundamentalistische interbellum als godslasterlijk ervaren. Deze niet. De acteurs waren immers stuk voor stuk domme negers, die dus niet beter wisten, zodat de rolprent door de gelovigen met geamuseerde neerbuigendheid werd getolereerd.
IN DE TOONKUNST, nota bene de meest bovenaardse aller culturele disciplines, schittert God grotendeels door afwezigheid. Er schijnt, leren de musicologische handwerken, een koorwerk te bestaan dat God is gekomen heet, waarin Hem door de componist (Lambert Cornelis Keereweer, 1870-1947) een kleine solo is vergund. Dat is zo ongeveer alles. In Joseph Haydns De schepping is Zijn Woord voorzichtigheidshalve gedelegeerd aan de engelen Gabriel en Raphael. De grote uitzondering is Arnold Schonbergs Moses und Aron, een opera nota bene, waarin Zijn stem zonder poespas of geheimzinnigdoenerij vanuit het brandende braambos te beluisteren valt: 'Lege die Schuhe ab… Du bist weit genug gegangen… Du stehst auf heiligen Boden…’
De verzamelde cantates van Johann Sebastian Bach vormen een document van Zijn onbeschrijflijke goedheid. 'Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit’, 'Ein fester Burg ist unser Gott’ en 'Sehet, welch ein Liebe hat uns der Vater erzeiget’. Is het heus? In werkelijkheid is er meer reden om ons over 'de onbeschrijflijke slechtheid van het Opperwezen’ te verbazen, heeft Karel van het Reve koeltjes vastgesteld. Objectief gezien heeft Hij immers een zondenregister waarvan gepatenteerde dictatoren als Idi Amin zouden verbleken. 'Hij wil voortdurend opgehemeld worden en haalt voortdurend gruwelijke schurkenstreken uit.’
Met name tegenover de joden, Zijn uitverkoren volk, constateer ik op mijn beurt. Wat je maar uitverkoren noemt… Veertig jaar liet Hij hen door de Egyptische woestijn zwerven alvorens zij het Beloofde Land mochten betreden. Daarna werden zij in de Babylonische ballingschap gevoerd, wat bepaald geen pretje was. Bij Gods genade mochten zij naar Israel terugkeren, waarna zij, een paar decennia na de affaire-Jezus, door de Romeinen in de diaspora werden gejaagd. Tweeduizend jaar lang werden zij door de volkeren van aller Heren landen gediscrimineerd en vervolgd, totdat zij uiteindelijk in de klauwen van Adolf Hitler vielen. Het handjevol dat de crematoria overleefde, koos andermaal voor Israel, waar het, met zijn schamele drie miljoen, door 300 miljoen vijandig gezinde Arabieren de Middenlandse Zee dreigde te worden ingejaagd.
Op het ogenblik worden er aarzelende pogingen gedaan de wederzijdse verhoudingen enigszins te normaliseren. Niettemin zal menige jood, in en buiten het Beloofde Land, zich nog steeds kunnen vinden in het gebed van de geloofsgenoot die ooit, in opperste deemoed, de woorden sprak: 'God, vindt U het niet langzamerhand tijd, dat een ander volk aan de beurt is om uitverkoren te zijn?’
Zijn biograaf Erik van Ree (God, 1994) releveert een van de vele voorbeelden van Zijn verregaande onrechtvaardigheid. Het betreft Job, een onbesproken burger die niettemin op de mestvaalt werd geworpen, waar hij, vol begrijpelijk onbegrip, met een potscherf zijn zweren krabde. Wat bezielde God? God mag het weten. Alsof die arme Job geen zorgen genoeg had werd hij, al krabbende, met de meest arrogante praatjes lastig gevallen. 'Waar waart gij toen Ik de aarde grondvestte? Vertelt het, als gij inzicht hebt! Hebt gij soms een arm als God, en kunt gij donderen met een stem als Hij?’
Uiteindelijk strijkt Hij met Zijn hand over Zijn hart. Niettemin, 'God had zich hier van Zijn meest kleingeestige kant laten kennen.’
ER IS DE LAATSTE jaren groeiende kritiek op Zijn Zoon. Dat was goedbeschouwd 'een nare opschepper’, zegt Maarten ’t Hart. Een zeloot die die wereld volgens de wetten van een Amerikaanse B-film opdeelde in bozen en rechtvaardigen, tarwe en onkruid, in wijze en dwaze maagden, in bokken en schapen, het was een puritein die niet van meisjes hield en geen begrip had voor jongens die wel van meisjes houden (Matth. 5:28).
Ook Frans Kellendonk had niet veel op met Jezus, 'een man in een soepjurk’, die zo kinderachtig was te dreigen 'zijn vader erbij te halen’ als hij weer eens in de problemen zat. Die vader was, schreef Kellendonk, 'een toornige ijdeltuit, die nooit genoeg geloofd en geprezen kon worden’. En die op het moment dat Zijn Zoon in de grootste crisis van zijn leven zat, andermaal geen erbarmen kende, zodat de Zoon, aan het kruis geslagen, het radeloze 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge mij verlaten!’ ten hemel zond. Verschrikkelijke woorden, anticiperend op een gedrag dat geen bijbelexegeet vermag goed te praten.
Lang stond Hij boven de wet, behalve in de ogen van een handjevol onverbeterlijke agnosten, die hun ratio op Hem uitprobeerden. Multatuli, bijvoorbeeld: 'Twee personen geraakten te water. Door Gods goedheid werd de een gered. De ander verdronk. Door Gods kwaadheid?’
Met zijn paradijsvloek viel en valt nog wel te leven. Maar met Auschwitz heeft Hij werkelijk zijn eigen glazen ingegooid. Ja, het nazisme was in diepste wezen onchristelijk, hetgeen duizenden goedwillende christenen het verzet heeft ingedreven, uit menselijkheid en omdat God zo vehement tegen de nazi’s was. Daarover is echter nog niet het laatste woord gesproken. 'Als die God zo tegen de nazi’s was, waarom heeft Hij ze ons dan gezonden?’ vroeg Karel van het Reve zich af. Of zoals J. L. Heldring - het tegendeel van een onbekookte vrijdenker - het formuleerde: 'Auschwitz is voor degeen die Gods bestaan aanvaardt alleen maar te “begrijpen” indien hij gelooft in een God die naar menselijke maatstaf onzinnig, zo niet krankzinnig is.’
Arthur Schopenhauer, in zijn Gesprek anno 33:
'Heb je het laatste nieuws al gehoord?’
'Nee, wat dan?’
'De wereld is verlost!’
'Wat zeg je me nou!’
'Ja, Onze Lieve Heer is mens geworden en heeft zich in Jeruzalem laten kruisigen en daardoor is de wereld verlost en is de duivel bij zijn neus genomen.’
'Nou, dat is leuk, zeg!’
Zelden is de onzinnigheid, zo niet krankzinnigheid, van God en Gebod trefzekerder geironiseerd.