Menno Hurenkamp

God

In het centrum van Algiers zag ik tien jaar geleden minder hoofddoekjes dan nu in Amsterdam-West. Wat betekent dat? Iedereen is vrij om te doen en laten wat hij wil. Ik maak me niet druk over een hoofddoek meer of minder. Het ding kan van alles en nog wat betekenen — geloof, mode, behoefte om ergens bij te horen, een mislukt permanent. Ik heb wel het vermoeden dat een vrouw zonder hoofddoek beter af is dan een vrouw mét, maar als een draagster zelf anders beweert, houdt het op. Met de waarschuwing in het achterhoofd dat klagen over hoofddoeken ook andere vrouwen onder de doek jaagt, is terughoudendheid misschien verstandiger. Maar als ik één Nederlandse bekeerlinge tot de islam hoor kwetteren over Allah slaat de twijfel hevig toe. Ongelooflijk dat iemand die in Nederland is opgegroeid kan uitkramen dat alle problemen in de wereld verdwijnen «als we ons allemaal op Allah richten». Gooi die tent af, mens, en denk na!

Met atheïsme of moslimangst heeft dat minder te maken dan met omgangsvormen in de publieke ruimte. We zijn in Nederland ontwend om over dagelijkse geloofszaken te praten. In de VS moet je om de haverklap met God op de proppen komen wil je als politicus enige carrière maken. Hier is het doordeweekse leven lange tijd effectief gezuiverd geweest van religie als handvat bij eenzaamheid, leven, dood en liefde. De verzorgingsstaat deed het beter. Dat was geen door heel Nederland gemaakte principiële keus vóór de rechtsstaat en democratie en tégen persoonlijke overtuigingen, maar een pragmatische ontwikkeling. Het kwam iedereen beter uit, want men was over het algemeen de kerk (even) zat. Het religieus debat werd uitbesteed aan Antoine Bodar-achtige specialisten met leuke weetjes over Pasen. Dit soort herders zorgde eerder voor een cultureel-historisch referentiepunt bij lopende discussies dan voor moreel gezaghebbende oordelen.

Mede daardoor werden gewone mensen die zich in het publieke domein wentelden in de armen van God onuitstaanbaar. Die brachten een boodschap waar eigenlijk niemand op zat te wachten en wisten bovendien noch de overtuigingskracht noch de inspiratie van getrainde religieuze woordvoerders over het voetlicht te brengen. Het gevolg was dat we afkickten van het gesprek over dagelijks geloof. Wie zich publiekelijk tot de religie wilde verhouden deed dat dus meestal in algemeen geaccepteerde termen — bijvoorbeeld door het christendom aan te wijzen als bron van de solidariteit of van het kapitalisme. Met bewust sober leven of denken over het hiernamaals had religie niets meer te maken.

Je ziet nu moslims opstaan die hieraan geen boodschap hebben. Ze plaatsen hun private overtuigingen op de voorgrond, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan ingewikkelde Nederlandse pacificatiestrategieën. Allah vindt dat ze hun moeder in huis moeten nemen, hupsakee. Beide opstellingen kunnen claimen «modern» te zijn: de ene omdat een individuele mening voorop staat, al is het de mening van een gelovige, de andere omdat de vrijheid centraal staat. Hoe dan ook botst het. Je denkt soms met EO-jongeren in woestijnverpakking van doen te hebben. Maar misschien bewijzen ze ook wel dat de taal van de verzorgingsstaat op zijn einde loopt.