God

Ik zou toch schrikken als morgen via de persconferentie bekend zou worden gemaakt dat god niet bestaat. Ik hoorde het mezelf hardop zeggen terwijl ik naar een totaal random film aan het kijken was, iets wat ik had opgenomen van tv, opgenomen ja, het is mijn manier om iets gekadreerds te doen, of hoe moet ik het noemen, het universum kleiner maken, ik geloof dat ik daar de hele dag mee bezig ben.

Met god bedoel ik overigens welke hogere macht je maar kunt verzinnen, het maakt mij niet uit. Het gaat om het principe, dat je iets kunt bedenken waarvoor op zich geen bewijzen bestaan maar waar je wel een heel verhaal omheen hebt, een vurig verhaal dat alles een beetje in lichterlaaie zet, mooier maakt dan het is. Dat maakt dat je kunt doen alsof je een taakje hebt. Eigenlijk wilde ik zeggen: alsof je wordt gadegeslagen. Ik denk dat het mij daar altijd om te doen is. Laat ik het zo zeggen: ik vind het een lastige gedachte als niemand ons ziet.

Was dit een liedtekst van Annie M.G. Schmidt, dan is er nu iemand die zegt: wacht eens even… wat zeg ik nu? Maar ik ben het gewoon maar die me dit afvraagt. Dat het me ondoenlijk lijkt je leven te leiden zonder de gedachte dat iemand ergens denkbeeldig aan het knikken is, als in: it’s okay. En dan probeer ik me zo casual mogelijk uit te drukken.

Ik vind het een lastige gedachte als niemand ons ziet

Die film die ik had opgenomen ging natuurlijk over iemand die zijn onschuld moest bewijzen. Een ex-politieagent, nog mooier. Je kent het verhaalstramien, en toch ben je benieuwd. Of laat ik het zo zeggen: ik was benieuwd op een net aanvaardbare manier. Er zijn momenten dat je niet echt opgeschrikt wil worden door iets wat je nog niet kent. Geef mij dan maar het verhaal van die ex-politieagent. Hij doet alsof hij niets meer te verliezen heeft, en ieder moment van de vijftigste verdieping van een of andere wolkenkrabber op de hoek van Fifth Avenue kan springen, maar ondertussen wil hij alleen maar met net die ene vrouwelijke rechercheur praten die aan de drank is vanwege eerdere hopeloze zaken. Het hele idee dat deze random film twee mensen gelukkig gaat maken, is voor mij voldoende motivatie om iets volstrekt doms uit te zitten.

Jauss heette hij volgens mij, en ik denk dat ik zijn naam met een ringel-s zou moeten schrijven. Hij maakte mij tijdens mijn studie bekend met het begrip ‘verwachtingshorizon’ en dat heeft me nooit meer helemaal verlaten. Als ik het nu zou gaan googelen, zou dat net zoiets zijn als googelen hoe de actrice Geraldine James er nu uitziet. Me in deze tijden staande houden komt er steeds meer op neer dat ik weet wat ik wel en niet wil weten. Ik koester mijn herinneringen aan Jauss, de dagen in de bibliotheek dat ik mijn hersens liet knarsen op zijn verklaringen waarom lezers ontvankelijk zijn voor sommige teksten en voor andere níet. Dat het dus iets te maken heeft met de mate waarin je verwachtingen worden ingelost, en – maar dit verzin ik nu – dat naarmate je verwachtingen mínder worden ingelost, je méér met literatuur te maken hebt. Het kan ook zijn dat ik me mijn studie eigenlijk als een soort strafkamp herinner.

En Geraldine James… Ik zag haar pas in de serie Anne with an E, het allerbeste wat ik in tijden zag. Ze was ouder, good for her, ik zou er alleen wat voor over hebben om te weten in welke film ik haar ooit zag als zwangere vrouw die niet zwanger wilde zijn. Haar dronken koppigheid, in die ene niet te achterhalen film, die zit gewoon in mijn hoofd. Wat een zacht gegeven dit is, hoe vaak je aan iemand kunt denken die op geen enkele manier deel uitmaakt van je leven, en dat die persoon geen idee heeft van jou.