The Complete Lyrics

God als klankbord

Nick Cave
The Complete Lyrics, 1978-2007
Met een voorwoord van Will Self, Penguin, 461 blz., € 20,50

Waarschijnlijk is het op een nuchtere maag niet te snappen. Wellicht moet je een zelfde promillage in je bloed hebben om enig raakvlak met de vroege teksten van Nick Cave te vinden. Zijn eerste jaren als voorman van The Birthday Party waren een groot exces van alcohol en drugs, waarin de Australiër (1957) de meest perverse, minst coherente songteksten denkbaar in de microfoon gromde. Neem het nummer Release the Bats, van een van de eerste albums: ‘Whooah bite! Whooah bite!/ Release the bats! Release the bats/ Don’t tell me it doesn’t hurt.’

Nick Cave heeft die periode overleefd, The Birthday Party ging uit elkaar en hij richtte zijn eigen rockband op, Nick Cave & The Bad Seeds. In hoeverre hij is afgekickt is onbekend, maar in de bundeling van zijn songteksten die deze zomer is verschenen, is de groei die hij als schrijver heeft gemaakt onmiskenbaar. Het is moeilijk iemand aan te wijzen met wie hij direct te vergelijken is – misschien Leonard Cohen of Johnny Cash, maar dan minstens een kwadraat grimmiger.

De demonen waarmee Cave vecht, zijn al jaren dezelfde. De waarheid, liefde, moord, God. Met een onzichtbare draad zijn deze thema’s aan elkaar geregen. Zijn songteksten zijn hermetisch afgesloten. Vanaf de eerste regel zet hij een figuur neer – meestal een tragische loner – en alles wat volgt bevestigt zijn toestand. Geen enkele regel geeft hoop op ontsnappen.

Het beste komt dit naar voren in Mercy Seat, van het album Tender Prey (1988). Aan het woord is een naamloze gevangene op death row. Hij is onschuldig, zegt hij, denkt hij. Hij weet het niet zo goed, net zomin als hij weet wat hem wacht ná de stoel. In zijn laatste momenten op aarde probeert hij te denken aan wat hij weet van het goddelijke: ‘I hear stories from the Chamber/ how Christ was born into a manger/ and like some ragged stranger/ died upon the cross.’

Cave’s moordenaar wordt op de elektrische stoel gezet, een stoel die tegelijk wraak neemt en vergiffenis schenkt: ‘In Heaven His throne is made of gold/ (…) Down here it’s made of wood and wire/ (…) Into the mercy seat I climb/ My head is shaved, my head is wired/ And like a moth that tries/ To enter the bright light/ I go shuffling out of life/ Just to hide in death awhile/ And anyway I never lied.’

In het voorwoord zegt Cave dat een goed lied dicht op een psalm uit het Oude Testament staat. ‘Both are messages to God that cry out into the yawning void, in anguish and self-loathing, waiting for deliverance.’ Voor de kansloze karakters die zijn liedjes bevolken, is God het klankbord. Net zo zeer voor de moordenaar uit Mercy Seat – of die op het album Murder Ballads (1996), waar alle nummers over moord gaan – als voor de romantische figuren op zijn meest toegankelijke album The Boatman’s Call (1997).

In Into My Arms, het openingsnummer, krijgt een minnaar, een atheïst, ineens de inval dat er toch wel een hogere kracht aan het werk moet zijn nu hij zo’n perfecte liefde heeft gevonden: ‘I don’t believe in an interventionist God/ But I know, darling, that you do/ But if I did I would kneel down and ask Him/ Not to intervene when it came to you.’

Voor Cave’s doen is dit een aandoenlijk lief nummer (‘And I don’t believe in the existence of angels/ But looking at you I wonder if that’s true’), enkel begeleid door een sentimentele piano. Dit zijn slechts een paar voorbeelden. In de bundel staan zo’n tweehonderd songteksten. De eerste vijftig zijn die van een op hol geslagen junk, de overige zijn het werk van een man die zo lang van de vruchten des verderfs heeft gegeten dat hij er nu de zuiverste poëzie uit kan persen.