God als ouwehoer

Thomas Mann vertelt de geschiedenis van bijbelfiguur Jozef na. Hij blijkt een veel betere verteller dan God.

Medium mann

Hoe pak je het aan? Je wilt het verhaal vertellen, navertellen is een beter woord, van een geschiedenis die iedereen al kent. Van spanning moet je het dus niet hebben. Hoe Jozef door zijn broers in een put werd gegooid en later onderkoning van Egypte werd. Miljoenen Nederlanders, waaronder ik, herinneren zich dit meer dan bizarre bijbelverhaal en wie het niet weet moet het maar even nalezen in Genesis 18-49, veertig pagina’s adembenemende vertelkunst. Met details waar je stil naar zit te kijken. Waarom stopt Jozef een zilveren beker in de bagage van zijn broers als ze naar huis gaan? Volstrekt onnodig. Waarom zegt hij niet meteen dat hij Jozef is? Zelfkwelling? Een beetje pesten? En dat verhaal van Jakob die zijn bruid Rachel (de latere moeder van Jozef) niet herkent en het daarom met haar zus Lea doet, die zich als bruid heeft verkleed? Klucht? En die geschiedenis van de verdeling van de schapen tussen Jakob en Laban. Hoe Jakob, de vader van Jozef, zich ontpopt als meesteroplichter. Met op het einde van de hele geschiedenis een lesje in kapitalisme van Jozef die het land, het vee en de hele bevolking van Egypte onder de knoet van de Farao brengt. Zonder dat er een haan naar kraait.

Verraad, oplichting, liefde, pornografie, onderdrukking, bevrijding, misverstanden, het spat van de bladzijden, stof genoeg dus voor een navertelling, dacht Thomas Mann zo rond 1925. In de westerse literatuurkunst zijn heel wat verhalen te vinden die aan de Jozef-geschiedenis ontleend zijn, dat maakte zijn plan extra aantrekkelijk. Neem Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo waarin de held verliefd wordt op de ene, knappe, zus, maar trouwt met de ander, de lelijke. Neem de vele verhalen over meesteroplichters (Tijl Uilenspiegel, Reinaart de Vos et cetera), neem de vele verhalen over hongersnood, de verdeling van de buit, de verovering van de bruid en over de troonopvolging die de hele westerse literatuur doorademen.

Is de Jozef-geschiedenis niet het prototype van de westerse en oosterse schrijfkunst? Elkaar verhalen vertellen die bol staan van de illusies over het bestaan? Lelijk eendje wordt zwaan? Alles zit erin. Bovendien geeft deze geschiedenis aanleiding om eens flink te peinzen over het merkwaardige feit dat die oerverhalen uit de bijbel omkleed zijn met raadselachtige bespiegelingen over een al of niet bestaande godheid, die zowel wel als niet bestaat, die je niet bij naam mag noemen maar die, als je tenminste in de pas loopt, met genoegen en soms ook wanhopig op de strapatsen van de menselijke soort neerkijkt en daar nog bij ingrijpt ook. Wie is die God en waar komt hij vandaan?

Mann bedacht een verteller die zich op zo ongeveer iedere bladzijde met het verhaal bemoeit. Wat een vondst! Hij levert een semi-diepzinnige inleiding over bronnen van de geschiedenis, houdt voortdurend terzijdes, soms zeer dwaze, over het al of niet bestaan van God en vraagt zich regelmatig af of het wel allemaal geloofwaardig is wat hij vertelt, maar ja, het staat wel opgetekend en dus moet het wel waar zijn. Of hij beweert met een stalen gezicht dat hij er toch echt zelf bij was, ja, ook bij de schepping, of dat hij er absoluut niet aan twijfelt dat het allemaal waar was, ook al spreken de bronnen elkaar tegen.

Hij is veel beter geïnformeerd dan de personages, spreekt hen bestraffend toe wanneer ze zich niet aan de bronnen houden. Hij weet alles. Zo beschrijft hij uitvoerig (en zeer geestig) het boekenbezit van Potifar, de eerste meester van Jozef in Egypte: ‘Ook ontbraken niet het Boek van het ademen, het boek Schrijdend door de eeuwigheid of Moge de naam floreren, of een goed geïnformeerde geografische beschrijving van het hiernamaals.’ Hoe weet die verteller dat die beschrijving ‘goed geïnformeerd’ is? Alleen God kan dit uiteraard weten. En wat te denken van de volgende zeer geestige, maar bizarre opmerking over de kennis van de verteller. ‘Niet voor niets hebben wij dit gesprek (wij! – kth), dat nergens anders gememoreerd wordt, woord voor woord met al zijn zinswendingen en kronkelingen hier weergegeven, precies zoals het verliep.’ Precies zoals het verliep? Maar hoe weet hij dat? Stond hij ergens in een hoekje met een bandrecorder?

Er is maar één conclusie mogelijk: God zelf vertelt het verhaal. Deze vondst geeft Mann de kans zijn gigantische kennis en even gigantische bij elkaar gefabuleerde kennis over Egypte en de bijbelse Oudheid uitvoerig uit te serveren. Bovendien maakt het hem mogelijk allerlei diepzinnige of halfdiepzinnige wijsheden te debiteren. Die verteller is gewoon, laat ik het maar zeggen zoals het is, een grote ouwehoer, die alles op de schop neemt, ook zichzelf, die geen grap uit de weg gaat, God (zichzelf dus) af en toe als een kwaadaardige gek voorstelt, Jakob verschillende keren expliciet als een warhoofd neerzet, de geloofszaken van alle personages regelmatig met een korreltje zout neemt, afgoderij goedpraat, af en toe zo sentimenteel is als de pest en het hele Jozef-verhaal uiteindelijk als een zucht in de wind wegblaast. Alles was slechts een spel van God. Juist dit goddelijke vertelstandpunt tilt het verhaal naar grote hoogte, dit is grote vertelkunst, van letterlijk buitenaardse proporties.

Waarom las ik dit meesterwerk niet al lang eerder? Waarschijnlijk vreesde ik voor gekwezel en moeilijk religieus geneuzel, maar daar is toch echt geen sprake van. Religie is in deze roman zowel serieus als komisch. De gesprekken tussen Jozef en de Farao zijn wat dit betreft een hoogtepunt. En wat te denken van de opvattingen van de verteller over de zonde als een samengaan van ‘schaamte’, ‘schuld’ en ‘spotlach’. Dit boek is om te lachen, ik bedoel, het is, hoe serieus en knap het altijd is, óók om te lachen, niet hardop, maar stil in een hoekje, grinniken bij weer een grap van deze waanzinnig knappe en doortrapte schrijver.

In dit boek hangt een steeds opborrelende maar nooit helemaal uitbrekende lachbui

Je kunt als je wilt natuurlijk alles in deze roman serieus nemen en met een plechtig gezicht beweren dat het ‘in feite’ een beschouwing is over de menselijke kant van God. En het zweet breekt me inderdaad uit wanneer ik denk aan de diepzinnige theologische beschouwingen in kerkelijke kring over Manns religieuze opvattingen, die vast en zeker de komende tijd zullen opduiken. Maar in dit boek hangt ook een steeds opborrelende maar nooit helemaal uitbrekende lachbui. Mann is een droogkomiek van de hoogste kwaliteit. Hij kreeg dit voor elkaar via een vermenging van uiterst plechtige, onmatig gedetailleerde beschrijvingskunst (God weet nu eenmaal alles) die vaak alle perken van lengte en mooischrijverij te buiten gaat en van een tegelijk steeds doorschemerende banaliteit waar de honden geen brood van lusten.

Zo laat hij bijvoorbeeld de broers lang discussiëren over de vraag welke weergave van Jozefs droom (hij droomde dat de broers als korenaren voor hem bogen) erger voor hen is. Die waarin ze voor hem ‘buigen’ of die waarin ze ‘neigen’. Dit alles in een volkomen serieuze setting. Zonder meer een clownsnummer van hoog niveau. Volgens de een is neigen erger omdat je altijd uit jezelf neigt, dus dat is het ergste, terwijl buigen minder erg is omdat een ander je verplicht te buigen, je wordt er altijd toe gedwongen. Dus dan is het niet erg. Het ligt vast aan mij, maar hier heb ik dus langdurig over geschaterd. Meent-ie dit nu serieus of niet? Volgens mij het laatste.

En dan die scène met Jakob die zijn bruid Rachel niet herkent en het dus per ongeluk in de bruidsnacht met haar zus Lea doet die zich voor Rachel uitgeeft. Negen keer doen ze het met elkaar, zegt de verteller erbij, want hij wil echt alles zo precies mogelijk documenteren. Hij weet het ook nu beter dan de bijbel want daar staat niks over negen keer. Neem ook de scène waarin de oudere Jozef vertelt dat hij thuis met zijn twee zonen graag Kanaäns praat, maar wel vreest dat hij ze een Egyptisch accent heeft aangeleerd. De roman staat vol met dit soort hoogst banale en geestige scènes, zie bijvoorbeeld het gestotter en gelispel van de vrouw van Potifar, ze heeft zich in haar tong gebeten, wanneer ze Jozef probeert te verleiden.

Toch is Mann in deze grandioze roman ook een sentimentalist pur sang, zoals hij dat al eerder bewees, bijvoorbeeld in Der Zauberberg. Wat mij betreft kan het in literatuur, en zeker ook in de hogere afdeling ervan, niet sentimenteel genoeg zijn en gelukkig liet Mann me niet in de steek. De sterfscène van Rachel, die ergens langs de weg overlijdt bij de geboorte van haar zoon Benjamin, ontroerde me tot tranen toe. En ook het uiteindelijke hoogtepunt, wanneer Jozef zijn ware identiteit aan zijn broers onthult, liet me niet onberoerd. Nu ik dit schrijf, nog steeds niet. En dat, terwijl alles dus al van tevoren bekend was.

Dit boek was toen Mann het schreef een ongehoord waagstuk en opnieuw, nu de vertaling verschijnt, is het een gok waar de vertaler en de uitgever hun nekken ernstig voor uitsteken. Je moet wel gek zijn om ruim veertienhonderd pagina’s uiterst ingewikkeld en vaak dubbelzinnig Duits te gaan weergeven in aannemelijk en fraai Nederlands, waarin de mooie beschrijvingen, dubbelzinnigheden, kleine grappen en soms hoogst ingewikkelde redeneringen goed tot hun recht komen. Thijs Pollmann leverde een schitterende prestatie. Af en toe vergeleek ik zijn vertaling met een Duitse uitgave die al jarenlang (ongelezen) bij mij in de kast staat. Hij koos regelmatig voor de net wat meer spreektalige variant dan Mann. Van het onnodig rare ‘Quisquilie’ bij Mann maakt hij bijvoorbeeld ‘akkefietje’, van ‘du bist ’s nun einmal’ (wanneer Simeon op reis wordt gestuurd) maakt hij ‘jij bent de klos’, van ‘Du nimmst die Zeit für die Geschichte!’ (wanneer Jozef zich nog steeds niet aan zijn broers wil openbaren), maakt hij: ‘U neemt wel de tijd voor deze geschiedenis, zeg.’

Ik was het ermee eens, het maakte zijn vertaling prima leesbaar zonder dat Manns prestatie erbij inschiet. Snel naar de boekhandel dus, niet zeuren over geld, dikte en moeilijkheid. Je hebt iets groots in huis en als je het uit hebt, loop je nog dagenlang in jezelf te grinniken en je af te vragen of je jezelf nu ook god mag noemen. En die verteller, die rare kletsmajoor, die godheid zal ik maar zeggen, kan ik me bij hem melden? Geeft hij cursussen? Heeft hij een adres? Een postbus? Waar is hij gebleven?


Medium bomann

Thomas Mann: Jozef en zijn broers. Vertaald door Thijs Pollmann, Wereldbibliotheek, 1343 blz., € 125,-


Beeld: Thomas Mann in de tuin van Villa Mondadori, 1952 (Getty).