Vertaler Henri Deluy en de kleur van woorden

God als tuinman

Kun je de experimentele poëzie van de Vijftigers wel vertalen? Doet de Nederlandse poëzie er wel toe in het buitenland? Dichter en vertaler Henri Deluy bouwt aan een Nederlandse poëziecanon in het Frans. ‘Een anthologie is geen democratisch werk.’

HOE VERTAAL JE ‘ANTIKLOKSGEWIJS’ in het Frans? Het is warm in het schrijvershuis aan het Spui. Vanaf de straat klinkt een even vals als verhit klezmerorkestje. Het raam moet dicht, vanwege de herrie.
Dichter en vertaler Henri Deluy (Marseille, 1931) gaat aan het werk met dichteres Saskia de Jong (1973). Het is inmiddels de twaalfde keer dat ze afspreken. Sinds eind april verblijft Deluy op uitnodiging van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds als writer in residence in Amsterdam. In 2011 moet er een grote bloemlezing van Nederlandstalige poëzie in het Frans verschijnen, vanaf Herman Gorter tot nu.
Dat De Jong als jongste dichter de hekkensluiter van dit boekwerk is, omschrijft ze zelf als surrealistisch. Voor Deluy is het niet meer dan vanzelfsprekend. ‘Het werk van Saskia ligt voor mij in het verlengde van de Vijftigers: schijnlogica, montage en neologismen. Ook komen in haar gedichten de ogenschijnlijk losse beelden bij elkaar in de taal.’
Deluy vertaalt zoals je van een Fransman zou verwachten. Zijn mouwen opgestroopt, druk gebarend, de bril op en af. Er wordt intensief gedacht, overlegd, gegumd, in het woordenboek gebladerd, opnieuw gedacht en geschreven. Dit is werken, werken met taal. Het is duidelijk wie er de leiding heeft. ‘Dit heb jij geschreven, maar ik doe de vertaling, dit blijft zo.’ Toch gaat alles in redelijk overleg. De Jong: ‘Het valt niet mee, maar soms krijg ik gelijk.’

DELUY’S MOEDERTAAL is Italiaans. Zijn ouders kwamen uit Piemonte, Noord-Italië en spraken het dialect van deze streek. Op school, in de internationale havenstad Marseille, hoorde Deluy nauwelijks Frans, maar wel Jiddisch, Arabisch, Portugees, Italiaans en veel Spaans; in Zuid-Frankrijk zaten veel Spanjaarden die vlak voor de Spaanse burgeroorlog hun land waren ontvlucht. De kiem voor een vertaler was gelegd. Deze ontpopte zich in Nederland, toen Henri Deluy samen met zijn Hollandse vriendin in 1951 enkele bladzijden van Bert Schierbeeks Het boek ik naar het Frans vertaalde.
In een mix van Nederlands en Frans vertelt Deluy: ‘Na de oorlog was er geld noch werk en ging ik naar Engeland om aardappels te rooien. Ik verbleef drie maanden in een potato camp, waar zo’n achthonderd meisjes en vijftig jongens verbleven. Een paradijs. Omdat er veel Zweedse meisjes waren wilde ik bij terugkomst in Marseille naar Zweden. Daarvoor moest ik door Duitsland, dat bezet gebied was. Ik ging naar Den Haag om bij de Amerikaanse ambassade een visum te halen. Daar ontmoette ik mijn eerste vrouw, Anne-Marie. Zij was geïnteresseerd in poëzie en heeft mij in contact gebracht met de Vijftigers. We gingen naar café Reijnders op het Leidseplein en daar zaten de dichters Jan Elburg, Jan Hanlo, Bert Schierbeek, Rudy Kousbroek en Lucebert. Behalve Kousbroek, die goed Frans kon, sprak iedereen Duits. Ook ontmoette ik daar de schilders Karel Appel en Corneille. Ze waren bezig met Cobra.’

DE POËZIE en de kunstopvattingen van de Vijftigers sloten perfect aan bij de omgeving waarin Deluy zich thuis voelde, die van revolutie. Deluy was negentien, communist en een jonge avant-gardistische dichter, geïnspireerd door moderne stromingen als het surrealisme, het futurisme en het dadaïsme. Al in 1948 verscheen zijn eerste dichtbundel. ‘Die gedichten gingen over liefde en waren antioorlog, heel slecht’, oordeelt Deluy nu.
‘Voor Frankrijk was het begin van de jaren vijftig ook een periode waarin landen als Marokko, Algerije en Tunesië werden gedekolonialiseerd. Voor mij was het interessant om dichters als de Vijftigers te ontmoeten, die een antikoloniaal standpunt innamen. Ook vond ik het goede dichters, vooral Lucebert, van wie ik een gedicht in het tijdschrift CoBrA las. Met hulp van mijn vrouw begon ik te vertalen.’
Deluy, grootgebracht in een rood nest – zijn vader had een portret van Stalin in de huiskamer hangen – toog in de jaren zestig ten tijde van de Praagse Lente naar Praag, om met eigen ogen te zien of la socialisme à visage humain mogelijk was. Daar kreeg zijn ideaalbeeld van een klassenloze heilstaat de eerste barsten te verduren. Het begon met een kapotte kraan. ‘Ik was in Praag voor een schrijversfestival en de kraan in mijn keuken lekte. Ik belde de loodgieter, hij legde twee kranen op tafel. Eén die werkte en één die stuk was. Voor veel geld onder de tafel kreeg ik het werkende exemplaar. Ik wist genoeg. Ineens herinnerde ik mij de lege winkels in Moskou.’
Na twee keer zijn lidmaatschap opgezegd te hebben, is Deluy nu weer lid van de Parti Communiste Français. ‘Het communisme heeft in de praktijk voor onderdrukking en crimineel gedrag gezorgd. Het heeft een tijd geduurd voor ik dit inzag, een grote desillusie. Maar ook het kapitalisme is crimineel. Natuurlijk is het simpel om te stellen dat wij rijk zijn omdat we de armen uitbuiten. Maar is het niet nog simpeler om dit te ontkennen?’ Toch benadrukt Deluy dat hij géén communistische dichter is – propagandapoëzie is niet aan hem besteed. ‘Of ik bij de partij blijf weet ik niet, maar een dichter zal ik altijd blijven, dat staat los van elkaar.’
Inmiddels heeft hij de hele wereld afgereisd, op zoek naar talentvolle dichters. Zo vertaalde hij gedichten uit de DDR en poëzie van onder anderen Novomesky (Slowakije), Seifert (Tsjechië), Mayakovsky (Rusland) en Pessoa (Portugal). De vertalingen kwamen vaak tot stand in samenwerking met anderen, voor een inleidend essay tekende Deluy meestal zelf.
Uit zijn reizen put Deluy ook inspiratie voor zijn eigen gedichten. In Les arbres noirs (2006) doet hij in dichtvorm verslag vanuit Lhasa, Kabul of Ramallah: ‘Le jeune garçon/ Dans le bar, place aux Lions, à Ramallah,/ Dessinait une kalachnikov au revers d’une/ Boîte de <Vache qui rit>.’

DELUY’S EERSTE publicatie als vertaler betrof de bundel Voorbij de wegen (1937) van Adriaan Roland Holst (1888-1976). Géén Vijftiger en iets héél anders. Zijn vooroorlogse gedichten kenmerken zich door een verheven profetische toon en staan bol van de zon, de maan en de wind. Roland Holst was veel traditioneler dan de Vijftigers, die het vrije vers hanteerden, met betekenis speelden en het gedicht als ‘ding’ inrichtten waarin de taal de enige werkelijkheid was. De schoonheid van de poëzie van Roland Holst had haar gezicht verbrand in het werk van Lucebert. Bovendien publiceerde Roland Holst al in 1948 zijn Verzamelde werken, toch een teken aan de wand dat de grote klus geklaard was. Dus wat moest Deluy als jonge avant-gardist met de vormvaste poëzie van deze aristocratische ‘prins der dichters’ die duidelijk een ander tijdperk toebehoorde?
Deluy: ‘Ik houd van poëzie die in de taal geworteld is en niet van sentimentele verzen. Voor mij bestaat de poëzie niet, alleen de gedichten bestaan. Poëzie als een gevoel of zoiets als de poëzie van de lucht bestaat evenmin. Begin jaren vijftig ontmoette ik een Nederlandse vertaler, Dolf Verspoor. Hij werkte samen met Jan Vermeulen aan het tijdschrift Literair Paspoort, dat nu niet meer bestaat. Hij vertelde dat er een oude, maar zeer goede dichter was die “in de taal zat” en Frans praatte. Ik heb toen Roland Holst gebeld en ben naar Bergen gegaan.’
Tussen 1921 en 1966 woonde Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen. Sinds 2002 wordt dit huis beheerd door het Bert Schierbeekfonds en kunnen schrijvers en dichters voor een zacht prijsje de villa huren om er rustig te werken. Samen met een fotograaf reisde ik met Deluy opnieuw naar Bergen.
‘De tuin was heel anders, een wildernis’, zegt Henri Deluy als hij voor het huis staat. ‘“Le dieu est le jardinier”, zei Roland Holst toen hij me hier ontving. Ik was erg onder de indruk van zijn persoonlijkheid en het contrast tussen ons. Ik was jong, klein, van simpele komaf en sprak geen Nederlands. Hij was oud, groot, een echte aristocraat met vlinderdas en sprak goed Frans. Ook kende hij de Franse “moderne” poëzie van Mallarmé, Rimbaud en De Lautréamont goed.’
Binnen bestudeert Deluy de boekenkast van Roland Holst: ‘Zie je de nek boven deze boekenrug, helemaal versleten, door het vele pakken. Een boekenkast heeft een leeftijd. Die lees je niet alleen af aan hoe oud de boeken zijn, maar ook aan welke boeken er staan. Donc, ik zei tegen Adriaan dat ik zijn bundel Voorbij de wegen wilde vertalen. Toen ik klaar was, heb ik hem het manuscript gestuurd. Hij vond het goed maar had een aantal aanmerkingen. Ik heb daar nooit iets mee gedaan omdat de verbeteringen gingen over de betekenis van het gedicht. Voor mij was dat helemaal niet relevant. Het is interessanter om in het Frans een equivalent in de taal te vinden dat binnen het gedicht past, dan om de betekenis exact in stand te houden. Heel vaak lukt dat laatste toch niet, wat ook geldt voor het rijm, dat vertaal ik bijna nooit. Ook omdat er in de moderne Franse poëzie bijna geen rijm meer voorkomt. Het rijm is voor het chanson, Jacques Brel of zo u wil André Hazes. Als ik vertaal probeer ik altijd een equivalent te vinden dat níet rijmt. “U vertaalt mijn gedichten zonder rijm?” had Roland Holst vol ontzetting gezegd. Ik reageerde laconiek: “Ja, u schrijft met rijm, maar ik vertaal zonder.” Het werd een lange discussie, maar uiteindelijk heeft hij de vertaling geaccepteerd.’
Par-delà les chemins verscheen in 1954 bij het grote uitgevershuis Seghers. Zeker in die tijd was het bon ton om je gedichten naar het Frans vertaald te krijgen. Parijs was, en is misschien nog steeds, de hoofdstad van de wereldpoëzie. Maar volgens Deluy is er veel veranderd. ‘Vroeger spraken alle Argentijnse dichters Frans, nu is dat Engels. Ook is Frankrijk meer en meer een vakantieland geworden. In Parijs zeggen we dat onder elk kopje koffie een Hollander zit. Ook Amsterdam is erg veranderd, erg veramerikaniseerd, zoals veel Europese steden. Jammer.’

IN PARIJS, drie jaar geleden, kwam Deluy samen met Thomas Möhlmann van het NLPVF en dichter Erik Lindner op het idee voor een grote, gedegen bloemlezing. Die is er nog niet. ‘Vanwege hun tweetaligheid zijn het vaak Vlamingen of Belgen die dit werk op zich nemen, maar zij vertalen niet altijd goed. Onder hen zijn te weinig dichters. Als je poëzie wilt vertalen, heb je een voorsprong als je zelf dichter bent, je snapt meer van de kleur en de reikwijdte van woorden. De meesten vertalen le sens, maar in de poëzie betekent de betekenis niets. Het gaat om la travaille de la langue.
Ik wilde alleen de moderne poëzie erin hebben, dus vanaf Herman Gorter (1864-1927). Ik wilde ook de regie behouden, niet alles zelf vertalen en mijn eigen persoonlijke keuze kunnen maken; een anthologie is geen democratisch werk. Dus weinig dichters, maar wel tien à twintig pagina’s voor hun gedichten. Welke? Onder anderen Gorter, Dèr Mouw, Roland Holst, Slauerhoff, Nijhoff en de Vijftigers Lucebert, Elburg en Hanlo – geen Simon Vinkenoog. Maar ook enkele contemporaine dichters, onder wie Anneke Brassinga, Nachoem Wijnberg en Esther Jansma. Ik sluit niet af, maar open de weg naar de toekomst met enkele gedichten van Saskia de Jong.’
Maar hoe bijzonder is onze Nederlandse dichtkunst eigenlijk? Deluy: ‘Neem Gorter, zijn kracht en energie, zulk werk heb je niet in Frankrijk. Bovendien was hij een politieke dichter. Het is bijzonder dat Lenin met Le gauchisme, la maladie infantile du communisme (1920) inging op Gorters conceptie van socialisme.
Tijdens het interbellum heeft Nederland nauwelijks modernisme gekend. Alleen Theo van Doesburg, maar dat was iets anders, hij zat voornamelijk in Frankrijk en Duitsland en was meer een beeldend kunstenaar dan een dichter. Toen de Vijftigers in Nederland opkwamen leken hun kunstopvattingen misschien revolutionair, maar waren dat niet in internationaal perspectief. In de rest van Europa en met name in Frankrijk waren het modernisme, het surrealisme, het futurisme en het dadaïsme al lang in de kunst verankerd.
Toch zijn de gedichten van Kouwenaar, Schierbeek en Lucebert wél uniek. Het is dan ook vanwege zijn gedichten dat ik Lucebert zo bewonder. Het is triest dat hij in de kleine taal van een klein land schreef. De kans is groot dat Lucebert hierdoor niet de internationale waardering krijgt die hij verdient. Ik heb mijn best gedaan door zijn werk te vertalen. Maar een vertaling is nooit hetzelfde en vaak minder goed dan het origineel. Neem De Jongs neologisme “antikloksgewijs”, in het Frans bestaat het woord “kloksgewijs” niet eens.’
Bij ons afscheid vraag ik Deluy hoe hij dat gaat oplossen. ‘Ik neem het woord mee naar Parijs, daar heb ik een groter woordenboek.’


Henri Deluy publiceerde en bezorgde diverse vertalingen van Nederlandstalige ‘moderne dichters’ als Paul van Ostaijen, Bert Schierbeek en Lucebert. Hij is redacteur van het tijdschrift If en hoofdredacteur van het gezaghebbende poëzietijdschrift Action Poètique, dat na de oorlog is voortgekomen uit de arbeidersbeweging in Marseille. Ook heeft Deluy een groot aantal dichtbundels en bloemlezingen op zijn naam staan. In 1990 richtte hij de Biennale Internationale des Poètes en Val-de-Marne in Parijs op, waarvan hij tot 2005 directeur is gebleven. Met dit festival wilde Deluy de internationale poëzie, waaronder de Nederlandse, een breder podium geven.